nr. 115
okt 2003

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Pensioenen - situatie in Duitsland

Geen vetpot

In tegenstelling tot Frankrijk en Oostenrijk, landen met een lage organisatiegraad, zijn in Duitsland geen acties gevoerd tegen de verslechtering van de pensioenen. Dat zou te maken kunnen hebben met ons gecompliceerde stelsel dat eigenlijk slechts door een kleine groep experts te overzien is. Toch doe ik een poging enige uitleg te geven.

Bijna alle werknemers zijn verplicht verzekerd. Zelfstandigen kunnen zich vrijwillig verzekeren door zelf de volle premie te betalen. De regering betaalt voor uitkeringsgerechtigden en sinds 1999 voor mensen die voor hun kinderen zorgen en geen betaalde baan hebben. Werkgevers en werknemers betalen elk de helft van de premie. Die is na 1992 gestegen van 8,5 tot 19,5 procent van het brutoloon, waardoor de brutoloonkosten fors hoger zijn geworden.

Vereinigung

In de media, de kroeg en soms op de werkvloer worden deze hogere kosten als oorzaak aangewezen van het dal waarin de Duitse economie zit en van het gebrek aan nieuwe banen. Met de kosten van de pensioenen is echter wat anders aan de hand. De ellende is grotendeels toe te schrijven aan een besluit van de regering Kohl tijdens 'die Vereinigung'. De DDR-burgers werden benaderd alsof ze gedurende hun totale arbeidsverleden een pensioenbijdrage op het niveau van het Westen betaald hadden. Verschillend van veel andere 'verenigingskosten' kwam deze pensioenaanpassing niet voor rekening van de staat, maar van de fondsen. En dat leidde tot problemen, ook omdat in de DDR de pensioenaanspraken hoger lagen dan in de Bondsrepubliek. Er werkten namelijk veel meer vrouwen en de arbeiders waren naar verhouding beter geschoold dan hun collega's in West Duitsland.

Vooral de eerste jaren na 'die Wende' protesteerden de West-Duitse arbeiders tegen deze in hun ogen onrechtvaardigheid. Toch pakt het in de praktijk heel anders uit. Oost-Duitse arbeiders hebben, ondanks hun veelal hogere productiviteit, een loon dat gemiddeld 14 procent lager is en dus zal hun pensioen beduidend minder zijn.

Later met pensioen

De financiering van het pensioen steunt op twee pijlers. Ten eerste, het omslagsysteem. Anders dan in Nederland wordt geen kapitaal opgebouwd. Wat vandaag voor uitkeringen nodig is, wordt betaald uit de premiebijdrage. Ten tweede, het solidariteitsprincipe tussen de generaties. Dit is de stilzwijgende afspraak dat de huidige generatie door haar bijdrage aan het pensioenfonds ervan verzekerd is dat de volgende generatie dat voor haar doet. Mochten de premies, samen met andere inkomsten, de uitgaven voor de volgende jaren niet geheel dekken, dan springt de regering bij.

Maar door de jarenlange, hoge werkloosheid hebben de premies de kassen onvoldoende gevuld. Bovendien zijn veel arbeiders min of meer gedwongen op 59-jarige leeftijd met werken te stoppen, omdat de bedrijven hun personeelsbestand verjongd hebben ten koste van de samenleving. Van zo'n vervroegde pensionering is overigens alleen te leven, wanneer mensen goed verdienden en een levensverzekering konden afsluiten. Stopt iemand bijvoorbeeld vijf jaar eerder, dan krijgt hij of zij minder dan 18 procent van het pensioen.

Om de kassen te vullen, werd de pensioengerechtigde leeftijd in de periode 1997-2001 verhoogd van 61 (en 35 jaar pensioenopbouw) naar 65 jaar. Voor gehandicapten werd dat vanaf 2001 63 jaar en voor vrouwen 65 jaar. Op dit moment wordt een verhoging overwogen naar 67 en zelfs naar 70 jaar.

Armoede

Op papier is het pensioen een vervanging van het loon. Geen toelage op, maar de grondslag van het levensonderhoud. Klopt dat in de praktijk? Een paar gegevens die een andere werkelijkheid illustreren.

* Om een maximale uitkering te krijgen, dat is 71 procent van het salaris, moet 45 jaar premie betaald zijn. Hieraan blijkt slechts 43 procent van de totale groep gepensioneerden te voldoen, bij de vrouwen is dat slechts 5 procent. Tegenwoordig is immers de premieafdracht minder door studie, (jeugd)werkloosheid of de zorg voor kinderen.

* In het westen van Duitsland bedraagt de gemiddelde uitkering na 25 jaar premie 425 euro en na 40 jaar 850 euro per maand. Getrouwde vrouwen zijn afhankelijk van hun partner en alleenstaande vrouwen zijn door hun korte werkverleden vaak afhankelijk van een uitkering die 280 euro per maand is.

* Bij aangetoonde armoede en na lang smeken bij de sociale dienst is het mogelijk een aanvullende uitkering te krijgen voor de huur of verwarmingskosten. De regering verzacht deze lage pensioenen door aanvullende regelingen die alleen door experts te volgen zijn.

Als alternatief voor deze ingewikkelde toestanden hebben enkele vakbonden een plan ontwikkeld om de ouderdagverzekering te verbeteren. Graag licht ik dat toe in het volgende nummer van Solidariteit.

Rolf Schubert
(bestuurder bij de Duitse horecabond)

Een minderheid, van de vrouwen slechts 5 procent, behaalt de maximale pensioenuitkering. Dat is 71 procent van het loon.