nr. 115
okt 2003

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Pensioenen - ervaringen van een bondsbestuurder

Geef experts geen blind vertrouwen

Regelmatig is kritiek te horen op de bestuurders van pensioenfondsen. "Ze hebben zitten slapen." "Er is te risicovol belegd." "En nu komen nota bene de vakbondsbestuurders die zelf in het bestuur zitten van de fondsen, de leden vertellen dat meer premie betaald moet worden, dat we een middelloonregeling krijgen en dat de opgebouwde en ingegane pensioenen minder worden geïndexeerd."

Ik kan mij deze kritiek voorstellen, maar of ze geheel terecht is, is nog maar de vraag. In ieder geval wil ik het stereotype beeld bestrijden van de stoffige bestuurder die zacht snurkend de vergadering uitzit en dat alleen maar doet om de vacatiegelden op te halen.

Kritiek achteraf

Pensioengeld is bedoeld als uitgesteld loon. Je zet nu een deel van je loon weg om het straks op te nemen in de vorm van een pensioenuitkering. Dat gereserveerde loon zou naar een solide bank kunnen en zolang de rente gelijk is aan de inflatie is er niets aan de hand. Maar wordt het ingelegde geld belegd, dan is de opbrengst hoger en hoeft er minder gespaard te worden om toch een volledige uitkering te verkrijgen. En dat betekent minder premie betalen. In de goede beurstijd zouden werknemers tegen een bestuur kunnen zeggen benadeeld te worden, wanneer het niet in aandelen wil beleggen. Er is dan immers te voorzichtig belegd en te weinig geprofiteerd van de hoge rendementen. Zij hebben dan nog gelijk ook. De vraag vandaag is echter of niet te veel risico genomen is.

Wat was de situatie? Een dekkingsgraad van 140 procent werd als riant beschouwd en gaf ruimte tot meer risico. "Het kon alleen maar voordeel opleveren voor de deelnemers", was de gedachte. En zou het misgaan, dan waren er voldoende buffers om de uitkeringen en pensioenen niet in gevaar te brengen. Ook de overheid keek met een schuin oog naar de reserves van de fondsen. Keer op keer lanceerde ze plannen om de reserves af te romen boven wat noodzakelijk werd geacht.

In die tijd kwam van geen kant de kritiek dat de risico's te groot waren. Iedereen wist dat op de beurs ruimhartig gespeculeerd werd met het pensioengeld van de werknemers. Maar er leek geen enkel gevaar. Het was de tijd dat je bijna voor gek werd verklaard als je gewoon werkte, op de beurs zou veel meer te verdienen zijn. Kleine beleggers, kerkenfondsen, charitatieve instellingen, de vakbonden en god weet wie nog meer brachten hun geld naar de beurs. Het kon niet op. Zijn de bestuurders toen wel kritisch genoeg gebleven? Achteraf denk ik dat collectief in de pensioenwereld de veiligheid van de buffers verkeerd is ingeschat. De bestuurders van de pensioenfondsen hebben besloten tot grotere risico's om grotere voordelen te behalen voor hun deelnemers. Ze deden dat in de veronderstelling dat de risico's aanvaardbaar waren, gezien de opgebouwde buffers. Wellicht hebben de bestuurders hun oor te veel laten hangen naar de adviezen van de financieel beheerders, maar ook dat is een beoordeling achteraf.

Afwachten

Als bestuurder van een pensioenfonds ben je een speculant op de beurs. Hoe zeer dat ook tegen je eigen overtuiging mag indruisen. Toen de zeepbel uit elkaar spatte, was er geen andere keuze dan volgens de wetten van de beurs te handelen. Plotseling al de aandelen van het fonds verkopen, is onverstandig. De waarde is dan lager dan de aankoopwaarde, dus wordt het verlies genomen en is geld van de werknemers weg. Dus als het niet nodig is, niet verkopen. "Stil blijven zitten en wachten op betere beurstijden. Tenslotte zijn aandelen een lange termijn belegging en moet het rendement over een periode van dertig jaar bezien worden." Zo luidt nu het motto van de adviseurs. Ze gaan nog verder. "Als het financieel enigszins kan, koop dan aandelen. De koersen kunnen niet lager, dus ligt de winst voor het grijpen." Het is dan ook flink opboksen tegen de werkgeversbestuurders om dit laatste toch maar even niet te doen.

Indexatie

Nu er een tekort aan reserves is, dient het bestuur voor aanzuivering te zorgen. Meestal wordt gegrepen naar het middel van een hogere premie en een lagere indexatie. In de meeste pensioenregelingen is opgenomen dat de indexatie voorwaardelijk is. Dat wil zeggen: alleen indexatie, als er voldoende geld in kas zit. Nu dat niet zo is, kan een bestuur niets anders doen dan de indexatie beperken dan wel stoppen. De toezichthouder (Pensioen- & Verzekeringskamer) eist dat. Bovendien zegt de wetgeving (Pensioen- & Spaarfondswet) dat bij een hogere premie voor de werknemers deze last evenredig bij 'niet-actieven' moet worden gelegd.

Het feit dat pensioenfondsen minder of niet indexeren, is dan ook geen autonoom besluit, maar een wettelijke verplichting. Wel zit hier een rare kronkel. Tijdelijk meer premie betalen, heeft geen invloed op de pensioenuitkomst. Maar een gepensioneerde die niet wordt geïndexeerd, loopt een blijvende achterstand op. Gebeurt dat meerdere jaren, dan is de achteruitgang ook nog eens cumulatief. Misschien is de bijdrage in geld wel gelijk, maar in de uitkomst is dat absoluut niet zo. Het is verstandig af te spreken om vanaf het moment dat het fonds weer op orde is, dus financiële ruimte kent, eerst de indexatie in te lopen alvorens een korting te geven op de werkgeverspremie. Vreemd genoeg eisen gepensioneerden dit zelden.

Eindloon en middelloon

De ombouw van een systeem van eindloon naar middelloon is al een tijdje aan de gang. De beursval zal dit proces versneld hebben, maar is niet de oorzaak. Die ligt in het beheersbaar maken van de pensioenkosten. Een onvoorspelbare kostenfactor wordt gevormd door de 'backservicekosten'. In een eindloonsysteem wordt voor het pensioen gedaan alsof altijd het laatst verdiende salaris is ontvangen. Dat betekent dat over voorafgaande jaren waarin een lager inkomen is verdiend, het opgebouwde pensioen moet worden aangevuld. Dat worden de backservicekosten genoemd. En deze nemen toe bij veel en grote loonstappen in het deelnemersbestand. De kosten worden over alle deelnemers verdeeld. Dus in de werknemerspremie wordt voor een deel meebetaald aan de hoge kosten voor snelle carrièremakers. Dat wordt wel 'omgekeerde solidariteit' genoemd.

Er is nog een tweede factor die de kosten opdrijft. Deze ligt besloten in het uit elkaar lopen van de ontwikkeling van het loon en de franchise (= dat deel van het loon waarover geen pensioenpremie wordt betaald). Bij een eindloonregeling, waar de franchise gekoppeld is aan de AOW, zullen de kosten alleen maar toenemen. Immers de lonen stijgen sneller dan de AOW, dus het deel waarover pensioen wordt opgebouwd wordt alsmaar groter en daarmee stijgen ook weer de kosten.

Bij een systeem van middelloon zijn de kosten beter beheersbaar. De carrièrestappen worden namelijk niet geïndexeerd over de voorafgaande jaren. De 'omgekeerde solidariteit' is eruit. Voor werknemers met een vlakke carrièrelijn zal de uitkomst van een goed geïndexeerd middelloon (CAO-loonindex) iets onder het niveau van het eindloon uitkomen; zo'n twee a drie procent. Een voordeel is dat een eventuele teruggang in functie (demotie) geen invloed heeft op de pensioenuitkomst, omdat het laatstverdiende loon niet meer maatgevend is voor de pensioenuitkering. Dit systeem is vooral een besparing op termijn en is niet per definitie een slechte regeling.

Onopvallende verslechteringen

Maar daarmee is de kous niet af. Vaak worden met de invoering van het middelloonstelsel ook maatregelen getroffen om te voorkomen dat pensioenkosten blijven toenemen. Terwijl deze maatregelen ingrijpend zijn, worden ze nauwelijks bekritiseerd. De vakbondsbestuurder voert dan een eenzaam gevecht om ze van tafel te houden. Een paar voorbeelden.

* De index bij het middelloon. In de regeling wordt opgenomen dat het opgebouwde pensioen geïndexeerd wordt met de loonindex voor zover die niet hoger is dan 3 procent. In tijden van hoge inflatie met grote loonsverhogingen kan dat veel pensioen kosten.

* De toetredingsleeftijd verlagen. Voor de al actieve deelnemers wordt deze maatregel vaak gerepareerd. Van de nieuwe deelnemers zal echter vrijwel niemand meer een volledig pensioen opbouwen.

* De pensioengrondslag verkleinen. Bijvoorbeeld door ploegentoeslagen, overuren of eindejaarsuitkering niet voor het pensioen mee te tellen.

* Aan de onderkant snijden. Een maatregel die nog minder opvalt dan de voorgaande. Zo wordt steeds meer de franchise ontkoppeld van de AOW. Het pensioen is dan geen aanvulling meer op de AOW, maar staat er los van. De werknemer moet dan zelf nagaan of het pensioen plus de AOW voldoende is. Zo niet, dan rest een vrijwillige bijverzekering.

Hoe gaat dat snijden? Is de franchise een vast bedrag dat jaarlijks in gelijke mate meestijgt met de loonsverhoging, dan wordt automatisch de pensioengrondslag niet groter en blijven de kosten gelijk. Maar het gat tussen de werkelijke AOW en de gehanteerde franchise, wordt steeds groter. Ongemerkt leidt dit tot een enorm pensioengat. Uiteraard zijn er varianten die meer of minder ingrijpend zijn, maar de gedachte dat het pensioen een aanvulling is op de AOW is in de pensioenwereld al enige tijd losgelaten. Niet alleen in het denken, maar ook in het doen.

Hopelijk is duidelijk gemaakt dat het voor werknemers van groot belang is zich met hun pensioen te bemoeien en zich af te vragen wie hen vertegenwoordigen in het fonds. Wat voeren ze daar uit? Doen ze het goed? Wat doet de vakbondsbestuurder aan de onderhandelingstafel? Wordt mijn pensioen sluipend uitgekleed? Staan mij als ik met pensioen ga grote verrassingen te wachten? Belangrijke vragen in de wetenschap dat veel werknemers de verwachte 70 procent van het laatstverdiende loon niet zullen halen.

Aad in 't Veld
(bestuurder FNV Bondgenoten)

De bestuurders van de pensioenfondsen besloten tot grotere risico's om grotere voordelen te behalen voor hun deelnemers.

Meer dan mensen gewend zijn, zullen zij zich met hun pensioen moeten bemoeien. Leidraad: controleer de financiële experts.