Pablo Neruda, 1904-1973
Dichter, vriend van Salvador Allende
In 1920 gaat de zestienjarige Neftal¡ Ricardo Reyes Basoalto naar de universiteit van Santiago in Chili. Hij is dan al de dichter die hij altijd zal blijven en noemt zich naar zijn Tsjechoslowaakse voorbeeld Jan Neruda: Pablo Neruda. Na jaren in Aziatische landen werkzaam te zijn geweest in de diplomatieke dienst, is hij in 1936 consul in Spanje als de burgeroorlog uitbreekt. Pablo Neruda sluit zich aan bij de Republikeinse beweging "Kom en zie het bloed in de straten". In 1943 keert hij terug naar Chili, wordt in 1945 lid van de Communistische Partij en gekozen als senator. Na zijn protesten tegen het bloedige regeringsoptreden tegen de stakende mijnwerkers, moet hij in 1947 onderduiken. Uiteindelijk vlucht hij naar Europa om in 1952 terug te keren naar Chili.
Als kandidaat voor het presidentschap haalt hij in 1970 onvoldoende stemmen, maar hij schenkt ze aan zijn vriend Salvadore Allende. Twaalf dagen na diens verplettering door de laarzen van Pinochet en de dollars van Nixon, sterft Neruda op 23 september 1973. Zijn huis wordt verwoest, zijn boeken en schilderijen verbrand en zijn fameuze verzameling schelpen verbrijzeld. In 1971 was hij geëerd met de Nobelprijs voor literatuur.
Liefkozend
Liefkozend regenden mijn woorden op je,
Sinds lang hield ik van je lichaam van zonnig parelmoer.
Ik houd je zelfs voor heerseres van het heelal.
Van de bergen zal ik je blijde bloemen brengen, slingerplanten,
donkere hazelnoten, en wilde mandjes van zoenen.
Met jou wil ik doen
wat de lente doet met kersenbomen.
Uit: Twintig liefdesgedichten & 1 lied van wanhoop, 1924. Vertaling Mark Braet, Brugge 1988.
Testament
Ik laat de mijnvakbonden
van de Salpeter, de Steenkool, de Koper,
mijn huis aan zee in Isla Nehra.
Ik wil dat daar de zonen
geteisterd en mishandeld
uitrusten, van mijn land
dat leeggeroofd door bijlen door verraders
vernietigd raakt in zijn gewijde bloed
en uitgeteerd tot vulkanische lompen.
Ik wens dat in de liefde die hier heerst
de afgematten nieuwe krachten putten,
de naamlozen aan mijn tafel zitten
en de gewonden slapen op mijn bed.
Broeder, dit is mijn huis. Treed in de wereld
van zeeënflora en vonkende steen,
die ik bijeenbracht vechtend in mijn armoe.
Hier aan mijn venster is de klank geboren
als uit een klinkhoorn in gestage groei:
later kon ik zijn breedtegraden trekken
door mijn verstrengelde geologie.
Jij komt uit de mijnschachten lichaamverzengend,
uit tunnels aangevreten door de haat,
besprongen door de zwavelende tocht:
hier neem de rust die ik voor jou bestem:
water en ruimte van mijn oceaanrijk.
Uit: De toppen van Macchu Picchu, tweede hoofdstuk Canto General, 1950. Vertaling Dolf Verspoor, Amsterdam 1980.
Fray Bartolomé de Las Casas
Soms, van de vakbondsvergadering weer op weg
naar huis, 's avonds, moe en koud in de kille
Mei-mist (in de dagelijkse, vermoeiende
strijd om het bestaan, het regenseizoen
druipend van het spatbord, de doffe hartslag
van ons niet aflatende lijden)
denk je aan de gemaskerde opkomst,
doortrapt, corrupt,
van de ketenaar, van de ketting,
maar als de wanhoop dan opstijgt
tot het deurslot, en met je meer naar binnen wil,
verschijnt een licht uit het verleden, hard en glad
als metaal, als een begraven ster.
Fray Bartolomé, ik dank je voor dit
geschenk op dit gure midnachtelijk uur,
ik dank je, want je draad was niet te breken:
verpletterd had het kunnen sterven, verslonden
door woeste hondenbekken,
verbrand in de as
van het in brand gestoken huis,
doorgesneden door het kille lemmet
van ontelbare huurmoordenaars,
door de glimlachend toegediende haat
(de misdaad van de komende kruistocht)
of door leugens, opgehoopt achter het venster.
De kristallijnen draad had kunnen sterven,
de onbreekbare transparantie
die tot daden werd, tot een strijdende
en snelle waterval van staal.
De mensheid kent maar weinig levens als dat van jou,
maar weinig schaduw als die onder jouw boom,
waaronder zich alle levende hete hangijzers verzamelen,
alle gladgestreken plooien, de wond
van de verminkte, de uitgemoorde
gehuchten, alles wordt onder je schaduw
herboren, en vanuit de uiterste wanhoop
schenk je ons weer hoop.
Pater, het was een geluk voor de mensheid
dat je op de plantage verscheen
en in het zwarte graan van
de misdaad beet, en elke dag de beker
van de woede dronk.
Naakte sterveling, wie
voerde je aan de tanden van de furie?
Hoe konden andere ogen, van ander metaal,
zich ook maar even vertonen toen jij geboren werd?
Hoe moet men het gist kruisen
in het verborgen menselijke deeg
zodat ook jouw onmuteerbare koren
zich met het brood der aarde mengt?
De werkelijkheid tussen bloeddorstige
geesten was je, de eeuwigheid
der tederheid
in een stortvloed van straffen.
In veldslag na veldslag werd je hoop
tot een precisie- instrument gesmeed:
Eenzame strijd vertakte zich,
de machteloze traan werd tot partij.
Vroomheid was vruchteloos. Toen je je processies,
de vrijplaats van je kerk, je zegenende
hand, je albe liet zien,
trapte de vijand op je tranen
en ontheiligde de witte leliekleur.
De vroomheid, hoog en leeg
als een verlaten katedraal
was nutteloos. Zo niet je onwankelbare
overtuiging, het verzet met de daad,
het bewapende hart.
De rede werd je titanische materiaal.
De bouw van de bloem werd je structuur.
De conquistadores mochten graag
op je neerzien, (uit de hoogte)
als stenen slagschaduwen geleund
op hun slagzwaarden, en sarcacastisch
spuwend op het land, waartoe jij
het initiatief nam, kon je ze horen:
"Daar gaat ie, die opruier",
en hun leugens:"Die wordt betaald
door die buitenlanders",
"Zo eén heeft toch geen váderland..?"
" 't Is een verraaier",
maar jouw preek was geen
snel weesgegroetje, voorlopige
leidraad, geen reiswekkertje.
Jij was gesneden uit vechtershout,
en als van ijzer in zijn natuurlijke staat:
van alle licht afgeschermd door bloemenvelden,
en bovendien ging je dieper:
in de eenheid des tijds, in het leven
dat je leefde, was je uitgestoken hand
een ster van de dierenriem, een teken van het volk.
Kom, Vader, kom met me mee naar binnen.
Dan zal ik je brieven laten zien, het lijden
van mijn mensen, van de vervolgden.
Ik wil je die oude ellende laten zien.
En ik wil dat je me niet laat vallen,
ik wil dat je mijn voeten weer op de aarde zet,
zodat ik doorga met vechten. Geef mijn hart
de wijn van de zwervers, en het onverzoenlijke
brood van jouw zachtmoedigheid.
Fragment uit De Bevrijders, vierde hoofdstuk Canto General, 1950. Vertaling Gerrit Tijink, home.wanadoo.nl/ghtijink
|