nr. 115
okt 2003

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Verborgen en vergeten geschiedenis - kiesrechtbeweging

De Roode Dinsdagen

In het begin van de twintigste eeuw bezat ongeveer de helft van de mannelijke bevolking boven de 25 jaar het kiesrecht. Vrouwen en arbeiders waren ervan uitgesloten. In 1884 en 1885 demonstreerden werklieden en links-liberalen voor het algemeen kiesrecht. Dat was hard nodig. Later kwamen de Roode Dinsdagen.

De meubelmaker en vakbondsman Bernardus Heldt en de ex-lutherse predikant Ferdinand Domela Nieuwenhuis stonden aan het hoofd van deze kiesrechtbeweging. Beiden zouden in de Kamer komen; Heldt voor de Liberale Unie (1885-1901), Domela voor de Sociaal-Democratische Bond (1887-1891). Het verzet van onderaf droeg bij tot de grondwetsherziening van 1887. Nederland werd opgedeeld in honderd kiesdistricten. De kandidaat die de absolute meerderheid in zijn district verwierf (vaak pas bij de tweede ronde), kwam in de Tweede Kamer. De voorwaarden om te kunnen stemmen versoepelden geleidelijk. De belangrijkste eis was de hoogte van de belastingaanslag, de zogenaamde censusbepaling. Later wat breder omschreven als "teekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand". De arbeider die altijd een laag inkomen had, was bij voorbaat uitgesloten van dit primaire burgerrecht. Vrouwen telden in dit opzicht al helemaal niet mee. Dat werd overduidelijk aangetoond toen Aletta Jacobs zich in 1887 kandidaat stelde voor de Tweede Kamer. Om haar te verhinderen zich verkiesbaar te stellen, werd het woordje "ingezetenen" gewijzigd in "mannen". Als enige socialist moest Domela opboksen tegen voornamelijk conservatieve Kamergenoten die hem - afgezien van een enkeling als Heldt - haatten. Het dreef hem naar het anarchisme. Wat weer leidde tot een scheiding in de socialistische beweging en de oprichting van de parlementair georiënteerde Sociaal-Democratische Arbeiders Partij in 1894. In 1897 kwamen Troelstra en Van Kol als eerste SDAP-ers in de Tweede Kamer. Feministes verenigden zich in eigen verenigingen met eigen bladen en baanbrekende woordvoerdsters ter verbetering van de sociale en politieke positie van vrouwen. Voor een deel ging de emancipatiestrijd van arbeiders en vrouwen samenvallen.

Volkspetitionnement

De achturige werkdag, het staatspensioen en de sociale wetgeving waren de belangrijkste eisen van de sociaal-democratie. Het algemeen kiesrecht was de voor de hand liggende weg om deze te realiseren. In het eerste decennium van de twintigste eeuw werd hiervoor opgetreden in vele plaatsen in Nederland, met als hoogtepunt landelijke demonstraties in de grote steden op de zondag vóór de opening van het parlementaire jaar.

In het najaar van 1910 besluit het partijbestuur van de SDAP - later gesteund door het congres en het NVV - het oranje van Prinsjesdag, de derde dinsdag in september, rood te gaan kleuren. De inspiratie kwam uit de kiesrechtmeeting te Amsterdam waar op het IJsclubterrein (nu het Museumplein) het voor die tijd grote aantal van 25.000 demonstranten bijeen was. De keuze voor de dinsdag betekende dat de deelnemer naast reis- en verblijfkosten een dagloon kwijt was voor werkverzuim. Dat was een stevig offer. Voorts werd besloten een volkspetitionnement te organiseren voor het algemeen kiesrecht. Dat werd als volgt toegelicht: "De noodzaak en behoeften der arbeidende klasse, voortspruitende uit het heerschende ekonomische en politieke stelsel roepen luide om voorziening. Reeds sedert tal van jaren laat zij de meest rechtmatige wenschen hooren; tot regeling en beperking van den arbeidsduur voor volwassenen; tot verlossing van het kind uit den greep van den winstzoekenden ondernemer; tot bescherming der vrouw tegen de nadeelen van bijzonder voor haar schadelijken fabrieksarbeid; tot voorziening in geval van ziekte, invaliditeit en ouderdom; tot verbetering der nog steeds ellendige woontoestanden; tot verheffing van het volksonderwijs dat voor de meeste kinderen uit het volk reeds eindigt op een leeftijd, waarop de vatbaarheid voor ontwikkeling eerst begint - altemaal zaken, het eerste en meest wezenlijke levensbelang van de mensch rakende."(1)

Christelijke kringen waren doodsbenauwd dat 'hun' arbeiders het petitionnement zouden tekenen. De R.K. De Post: "Het teekenen moet althans, voorzoover de christelijke arbeiders, voorkomen worden. Hun plaats is niet achter de roode sociaal-democratische vanen. Hun plaats is achter eigen banieren." De Standaard, het blad van de Anti-Revolutionaire Partij, probeerde afbreuk te doen aan het actiemiddel: "Op zichzelf is zulk een petitie een bewijs hoe de sociaal-democraten aftakelen. In hun fiere kracht van weleer gold de eisch dat men afdwong wat men begeerde, aan de overheid schrik aanjoeg, en door zulk een actie van de daad zijn doel poogde te bereiken. Petitionneeren was goed voor een 'onbewusten' Patrimonium-man of een geblinddoekten bourgeois-man, maar een echte sociaal-democraat paste ervoor."(2)

Troelstra wees aan de vooravond van de eerste Roode Dinsdag, september 1911, in Het Volk op de beroering die zich in binnen- en buitenland van het proletariaat had meester gemaakt: "Nooit nog is dat in die mate het geval geweest als thans; nooit nog heeft, bij zoveel bewustheid van de oorzaken van haar nood en leed, onze arbeidersklasse dien nood en dat leed zoo diep gevoeld als in den tijd, dien wij beleven; nooit gloeide de haat tegen het rampen verwekkende kapitalisme, de afkeer van zijn dragers in ons land, zoo heet in ons als in dezer tijd van kommer en ellende. Nooit was de ziel onzer socialistische massa zoo sterk, zoo hevig beroerd als in deze dagen en nooit rees de roep om algemeen kiesrecht zoo fel, zoo revolutionair uit ons gepijnigd hart als op dezer 'Rooden Dinsdag'."(3) Uiteindelijk tekenden 317.500 personen het petitionnement.

Geen troonrede

Aan de demonstratie die op de eerste Roode Dinsdag in Den Haag werd gehouden, namen 20.000 mensen deel. Wij zijn nu gewend aan grotere aantallen. Voor die tijd was het beslist een massale opkomst, zeker in aanmerking genomen dat het een doordeweekse dag was. In tegenstelling tot veel huidige demonstraties werd het klassenkarakter van de deelnemers benadrukt. Het onderscheid met de regenten die pretendeerden het gehele volk te vertegenwoordigen, werd zo extra zichtbaar. Arbeiders uit vele beroepen, vakbonden en afdelingen van de partij lopen achter de vlaggen, vaandels of banieren van hun organisatie. Bouwvakkers, diamantbewerkers, dienstbodes, fabrieksarbeiders, gemeentewerklieden, handels- en kantoorbedienden, kelners en kleermakers, naaisters, lithografen, typografen, loodgieters, machinisten, stokers, metaalbewerkers, mijnwerkers, schoolmeesters, postbodes (niet in uniform), rijkswerklieden, sigarenmakers, spoorwegpersoneel, steenhouwers, stukadoors, textielarbeiders, timmerlieden, transportarbeiders, houtbewerkers. We missen de Jantjes! De autoriteiten hadden de marinemensen ten strengste verboden om (in uniform) deel te nemen. Vrij vragen voor deze dag zou als een subversieve daad zijn opgevat. De aanwezigheid van deze militaire zeelieden bij andere gelegenheden, vol overgave achter hun vlaggen de Internationale zingend, enthousiasmeerde het hele publiek en versterkte de solidariteitsgevoelens en strijdbaarheid. Het riep daarentegen de grootste ergernis op van de legerleiding en de regering. Wel droeg iemand de banier van de Matrozenbond.

Opmerkelijk was dat koningin Wilhelmina de Troonrede niet voorlas. Zij wilde kennelijk niet in een politiek conflict betrokken raken. Haar demonstratieve afwezigheid herinnerde aan haar vader koning Willem III die in 1887 op dezelfde manier zijn afkeuring toonde over iets wat het volk beroerde. Koning Gorilla protesteerde tegen de nieuwe socialistische parlementariër Domela Nieuwenhuis, net uit de gevangenis ontslagen.

Minister-president Heemskerk weigerde overigens een delegatie van de demonstranten te woord te staan of zelfs maar de handtekeningenlijsten in ontvangst te nemen. De lijsten werden op de mat van het ministerie gedeponeerd.

Geen staking

Het jaar daarop gaf de Haagse burgemeester geen toestemming voor een optocht. Dat verhoogde de belangstelling voor de kiesrechtdemonstratie. Voor een gulden had je een retour vanuit Amsterdam met extra ingezette treinen. In afzonderlijke groepen werd opgetrokken naar het Binnenhof. Een gewelddadig treffen met de bereden politie kon nog maar net worden voorkomen. Troelstra: "Toen ik aan het hoofd van de massa den Vijverberg wou oprukken, bleek het mij, dat de gewapende macht niet van plan was, ons door te laten. Achter mij drong de menigte op (...), de arbeiders voelden hun kracht en waren niet van zins zich te laten tegenhouden. (...), dreigend zagen wij de sabels en de karabijnen tegenover ons. Wat ik pas later vernomen heb, is, dat op het ministerie van Oorlog, juist tegenover het punt, waar wij ons opdat oogenblik bevonden, machinegeweren stonden opgesteld."(4)

De schattingen van het aantal demonstranten liepen uiteen van 20.000 tot 30.000. De derde Roode Dinsdag is niet meer gekomen: "De kiesrechtbeweging van de SDAP had haar grenzen bereikt, zat muurvast geklemd tussen de sabels van de marechaussee en het veto op de politieke staking van de NVV-leiding."(5) Het Dagelijks Bestuur van het NVV voelde niets voor Troelstra's idee van een algemene werkstaking. Voorzitter Oudegeest, tevens een vooraanstaand SDAP-politicus, verwees naar de nasleep van de spoorwegstakingen van 1903. "Is het gewaagd voor de verkiezingen van 1913 een parallel te trekken met die van 1905? In 1903 had de anti-revolutionnaire minister-president Kuyper wreedelijk de stakers tot misdadigers verklaard. In 1905 werd dit ministerie door den uitslag der verkiezingen 'op de mat' gezet. In 1911 zette de anti-revolutionnaire minister-president Heemskerk S.D.A.P. en N.V.V. met het petitionnement 'op de mat' en bij de verkiezingen van 1913 werd dit ministerie 'op de mat' gezet en sprong het aantal sociaal-democraten in de Tweede Kamer van 7 op 18. Zoo komt boontje om z'n loontje."(6)

In de herinnering leven de Roode Dinsdagen voort. Ze passen in een traditie van een halve eeuw agitatie voor het algemeen kiesrecht dat in 1918 met een grondwetswijziging werd ingevoerd. Voor het districtenstelsel kwam het systeem van evenredige vertegenwoordiging in de plaats. De sociaal-democrate Suze Groeneweg deed in 1918 als eerste vrouw haar intrede in de Tweede Kamer; gekozen door mannen. Pas in 1922 beschikten ook de vrouwen over het actieve kiesrecht.

Harry Peer

(1) W.H. Vliegen, Die onze kracht ontwaken deed. Geschiedenis der Sociaal-Demokratische Arbeiders Partij in Nederland gedurende de eerste 25 jaren van haar bestaan. Tweede deel, p. 397. Amsterdam z.j.terug
(2) T. van der Meer, S. van Schuppen, S. Veen, De SDAP en de kiesrechtstrijd. De ontwikkeling van de Nederlandse sociaal-democratie 1894-1913, p. 137. Amsterdam 1981.terug
(3) P.J. Troelstra, Gedenkschriften. Deel III. Branding, p. 200. Amsterdam 1950.terug
(4) Idem, p. 207.terug
(5) T. van der Meer e.a., p. 159.terug
(6) J. Oudegeest, De geschiedenis der zelfstandige vakbeweging in Nederland. Deel II, p. 143. Amsterdam 1932. (Na herstemming werden de achttien Kamerzetels teruggebracht tot vijftien.)terug

Tweede Roode Dinsdag, 17 september 1912, Haagse Groenmarkt. (96 kb)