nr. 114
jul 2003

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Stelsel sociale zekerheid - inventarisatie

Op weg naar een ministelsel

In de vorige eeuw is het grootste deel van het sociale zekerheidsstelsel opgebouwd. De sociale voorzieningen en verzekeringen werden ontworpen en tot een staatsaangelegenheid gemaakt. Hoe zit dat stelsel in elkaar en welke hervormingen zijn bedacht?

* Sociale voorzieningen kennen een uitkering op basis van gebleken behoeften. Bijvoorbeeld via de Algemene Bijstandswet of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Getoetst wordt of eigen middelen ontoereikend zijn. Betaling is uit algemene middelen.

* Sociale verzekeringen bieden een uitkering in bepaalde situaties. Via volksverzekeringen als de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of de Algemene Ouderdomswet. Via werknemersverzekeringen als de Werkloosheidswet of de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering. In de regel geen middelentoets. Betaald uit premies op het inkomen. Deelname is verplicht.

* Tenslotte de Kinderbijslagwet, ook wel een demogrant (volksgift) genoemd. Betaald uit algemene middelen.

Pensioenen en particuliere (levens)verzekeringen zijn strikt genomen geen sociale voorzieningen. Het stelsel bevat, voor de volledigheid, ook fiscale regelingen: aftrekmogelijkheden voor hypotheek- en rentelasten, reiskosten, beroepskosten voor individuen en bedrijven. Daarnaast zijn er bedrijfsgebonden regelingen: al dan niet via de cao geregelde kinderopvang, auto's en telefoons van de zaak. Ook wel getypeerd als 'rijke' sociale zekerheid.

Onder druk

Financieel rust het sociale zekerheidsstelsel op de algemene middelen, afkomstig uit belastingen, en op premies op het inkomen, afkomstig uit loonarbeid. In de premies, verreweg de grootste bron, blijven belangrijke welvaartscomponenten als de winsten buiten beschouwing.

De belastingen en premies maken de kosten van de loonarbeid voor de ondernemers relatief hoog. Via de markt treden mechanismen op waarmee zij de risico's en de kosten van de sociale zekerheid verhalen op een kleiner wordende groep van loonarbeiders. De snel groeiende groep zelfstandigen zonder personeel maakt dat duidelijk (zie het artikel "Concurreren om te eten".).

Deze en andere flexibele arbeidsrelaties zetten het stelsel van sociale zekerheid onder druk. Dat heeft twee gevolgen. Ten eerste kunnen de laagstbetaalden nooit serieus aanspraak maken op de verplichte verzekeringen. Ten tweede komt het stelsel op de schouders van een relatief kleiner wordend aantal premiebetalers te rusten. Deze gevolgen worden nu opgevangen door de toegang tot de voorzieningen te beperken, de uitkeringen te verlagen en de particuliere voorzieningen uit te breiden. Dus door de sociale zekerheid af te breken.

De hoge premielasten van de kleinere groep premiebetalers maken de meer arbeidsintensieve activiteiten - zorg, onderwijs, onderzoek, dienstverlening, enzovoort - onevenredig duur ten opzichte van de meer kapitaalintensieve activiteiten.

Bescherming

In de discussies over een ander sociaal zekerheidsstelsel spelen twee opvattingen een hoofdrol. Het ministelsel en het basisinkomen.

Het eerste, waarin alle bovenminimale uitkeringen zijn gekapt, wordt gepropageerd door de VVD. Na twintig jaar snijden in het bestel is dat inmiddels goeddeels gerealiseerd. Balkenende gaat de laatste bovenminimale uitkeringen, WAO en WW, aanpakken. En opnieuw is daar een minister voor beschikbaar die van het CNV afkomstig is. Daarna is het een kleine stap naar een algemeen en verplicht ministelsel. Wie hecht aan inkomenszekerheid en de benodigde premie kan betalen, kan een particuliere bijverzekering sluiten. Dit basisstelsel zal net als de tegenwoordige bijstand uitgaan van gebleken behoeften. Dus moeten eerst het eventuele spaargeld en de eigen woning worden 'opgegeten'.

De tweede opvatting, het basisinkomen, lijkt niet van de grond te komen. Tenzij genoegen wordt genomen met een uitkering als in het ministelsel. Dan ziet ook de VVD er wel wat in.

Een kritiek op het ministelsel is dat het de brede vorm van sociale zekerheid ondergraaft die gebaseerd zou zijn op een coalitie tussen de arbeidersklasse en de middengroepen. Het Nederlandse bestel wordt in deze opvatting gezien als een combinatie van het Duitse model (Bismarck) van verplichte werknemersverzekeringen en het Engelse model (Beveridge) van algemene volksverzekeringen, waaraan later de Bijstandswet is toegevoegd. Dit duale stelsel, onder de hoede van de overheid, zou als brede sociale zekerheid bescherming bieden tegen armoede en inkomensonderbreking.

Als een meer gematigde voorstander van een ministelsel pleit de hoogleraar Schuyt voor de keuze van één type sociale zekerheid. Ofwel het huidige model met ruime toegang en steeds lagere uitkeringsniveaus, ofwel een stelsel met een strenge toelating en controle en met 'fatsoenlijke' uitkeringsnormen. Hij kiest voor het laatste en komt zo op een stelsel uit voor de 'echte' armen. Anderen (onder meer Krätke) gaan uit van het concept van verworven sociale rechten die niet alleen voor de sociaal zwakkeren gelden, maar voor iedereen die zich geconfronteerd weet met de nieuwe sociale risico's van het huidige bestel.

Piet van der Lende, Jan Müter

De toenemende flexibele arbeidsrelaties zetten het stelsel van sociale zekerheid onder druk.

Foto Chris Pennarts (80 kb)