nr. 113
jun 2003

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Pensioenen staan op tilt

Pleidooi voor zelfstandige pensioenovereenkomst

De dalende koersen van de aandelen bedreigen de financiering van de Nederlandse pensioenregelingen. De media berichten al geruime tijd dat de pensioenlasten voor veel bedrijven bijna onbetaalbaar zijn geworden. Het fundament van het pensioengebouw is immers dat in de fondsen genoeg middelen aanwezig zijn om alle toekomstige aanspraken op opgebouwd pensioen te kunnen betalen. Dat is op dit moment niet het geval.

In totaal hebben de pensioenfondsen zo'n tien miljard euro te weinig in kas. De Pensioen- & Verzekeringskamer (PVK), de toezichthouder van de overheid op de pensioenfondsen, verwacht van 182 fondsen dit voorjaar een herstelplan om de tekorten aan te zuiveren; 284 pensioenfondsen dienen hun reserves binnen enkele jaren in overstemming te brengen met hun beleggingsmix. Hoe risicovoller belegd is, des groter dient de reserve te zijn. Minimaal dient er een reserve van 5 procent te zijn. Om die reden betalen werkgevers op dit moment grote bedragen aan de fondsen, oplopend tot 20-25 procent van de loonsom. Welk effect heeft dat op de cao-onderhandelingen?

Te grote voet

De werkgever betaalt voor de opbouw van het pensioen een premie aan het pensioenfonds. Tussen het fonds en de werkgever is daartoe een financieringsovereenkomst afgesloten. In de cao wordt vervolgens de premieverdeling tussen werkgever en werknemer bepaald. Gebruikelijk is de verhouding eenderde van de premie voor de werknemer en tweederde voor de werkgever, maar andere verdelingen komen ook voor. Soms is het pensioen premievrij, dat wil zeggen dat de werkgever de hele premielast voor zijn rekening neemt. In de jaren negentig, toen de beurskoersen de hemel in sprongen, werden op de premie aanzienlijke kortingen gegeven. Soms werd er zelfs helemaal geen premie betaald. De premiekorting was afkomstig uit de rendementen die het fonds behaalde op het belegd vermogen. De deelnemers profiteerden ook, doordat de opgebouwde en ingegane pensioenen beter werden geïndexeerd dan het pensioenreglement voorschreef. Ook werd de franchise (premievrij deel) verlaagd op kosten van het fonds, of werd de overgang van vut naar prepensioen gefinancierd.

De werknemers en de werkgevers betaalden dus aanzienlijk minder dan de werkelijke kosten bedroegen. Anders gezegd, de fondsen leefden op een te grote voet. Nu de beurzen zijn ingestort, moet daarvoor de rekening betaald worden.

Wie betaalt

De besturen van de pensioenfondsen zijn in het algemeen paritair samengesteld. Het is overigens best merkwaardig dat werkgevers zeggenschap hebben over de pensioenpot. Want hoe je het wendt of keert de premie komt altijd uit de onderhandelingsruimte en is dus werknemersgeld.

Bij de bedrijfstakpensioenfondsen zitten meestal de onderhandelaars van de vakbonden in het bestuur die bij de cao betrokken zijn. Deze fondsen beheren het pensioen van 80 procent van de Nederlandse werknemers. Bij de besturen van de ondernemingspensioenfondsen zijn dat vaak gekozen werknemers of vertegenwoordigers die via de ondernemingsraad benoemd zijn. Heel vaak worden deze besturen gedomineerd door de werkgever.

Toen de economie begon te kelderen, hebben de pensioenfondsbesturen adequaat gereageerd. De beleggingsmix werd bijgesteld naar de meer veiligere kant van obligaties en de werkgevers betaalden voorzichtig weer (meer) premie. Vervolgens kwam de klap van 11 september 2001. De relatief goede reserves bewezen hun diensten en er was nog geen reden voor paniek, wel verhoogde waakzaamheid. Bijna twee jaar later, nu verwacht wordt dat de beurzen zich niet zullen herstellen tot het oude (overspannen) niveau, begint de paniek toe te slaan. De toezichthouder PVK, geschrokken van de miljarden euro's die verdampt zijn door de beursval, stelt strengere eisen aan de reserves. De fondsbesturen dienen acuut bij te storten tot de vereiste reserve van 5 procent en de werkelijke premie moet betaald worden. Maar wie gaat deze rekening betalen?

Geen loonmatiging

De bestuurder van de vakbond heeft, heel vervelend, twee petten op. Hij of zij is zowel pensioenfondsbestuurder als cao-onderhandelaar. Hogere lonen betekenen een nog groter pensioenprobleem, 1 procent loonsverhoging leidt al gauw tot een premiestijging van 3 procent of meer.

De betreffende vakbondsbestuurders zijn daarom geneigd te schipperen. Ze kiezen voor een loonsverhoging die niet structureel is, een eenmalige uitkering bijvoorbeeld, die dus niet doorwerkt naar de pensioenopbouw, of ze beperken de loonsverhoging. Zo is dit jaar bij de Suikerunie en de Metaal (330.000 werknemers) een structurele loonsverhoging van 0 procent overeengekomen. Zij het met als voorwaarde dat de werknemers geen hogere pensioenpremie hoeven te betalen. Zijn de werknemers daar bij gebaat? Ik denk het niet. Er is ingeleverd op het structurele loon en dat heeft structurele gevolgen voor het huidige en het toekomstige loon. Dus ook al herstelt de situatie van het fonds zich, deze loonachterstand zal niet meer worden ingelopen.

Wel gewoon de lonen verhogen, alsof er niets aan de hand, zal tot nog hogere pensioenlasten leiden. De werkgevers zullen dan aandringen op versobering van de regeling en dat heeft altijd negatieve consequenties voor de pensioenuitkomst. De pensioenleeftijd gaat omhoog en/of de pensioenuitkering wordt lager. Voor de werknemers is het meest gunstig te kiezen voor zowel behouden van de loonontwikkeling als afblijven van de pensioenen. Aan de onderhandelingstafel zal de werkgever dan ongetwijfeld een hogere bijdrage vragen aan de werknemers. Hoeveel dat wordt, is onder andere afhankelijk van de kracht van de vakbonden in het bedrijf of de bedrijfstak. Maar dat de werknemer meer gaat betalen voor zijn pensioen lijkt onvermijdelijk.

FNV: loonmatiging

Kitty Roozemond, vice-voorzitter van de vakcentrale FNV, pleit voor een algemene loonmatiging om de pensioenfondsen niet verder in de problemen te brengen. Wat betekent dat?

  • Macro-economisch gezien, leiden hogere premies en lagere indexaties van de ingegane pensioenen tot een dalende koopkracht.

  • Stijgende werknemerspremies versterken de druk op de cao-onderhandelingen in de richting van hogere looneisen, want de werknemers willen hun koopkracht minimaal behouden.

  • Hoge pensioenlasten voor de werkgevers, dalende koopkracht en hogere looneisen tasten de winsten aan en de gevolgen voor de beurs zijn dan voorspelbaar.

Los van het veel te globale karakter van Roozemonds pleidooi, lijkt me dat een doemscenario.

Een beperking van de verhoging van de cao-lonen zou kunnen, maar dan moet goed gekeken worden naar de specifieke situatie van een bedrijfstak of bedrijf. Hebben de werkgevers bijvoorbeeld een 'premievakantie' gehad? Hoe lang? Hebben de werkgevers de overwinsten van het fonds naar zich toe gehaald? De antwoorden op deze en andere vragen kunnen betekenen dat een loonmatiging voor dit bedrijf of deze bedrijfstak wellicht noodzakelijk is. Maar in algemene termen stellen dat loonmatiging noodzakelijk is om de pensioenen te redden, dat is te kort door de bocht.

Eerder zou verwachten mogen worden dat de FNV zich sterk maakte voor koopkrachtbehoud en achter het standpunt van de Vereniging van Bedrijfspensioenfondsen gaat staan. Deze vereniging heeft de regering gevraagd de strengere eisen die aan de reserves gesteld zijn, los te laten. Een tijdelijke onderdekking kan geen problemen geven, want de fondsen zijn bij lange na niet failliet. Zo'n langere hersteltijd voor de reserves heeft het voordeel dat de koopkracht voor de huidige gepensioneerden beter gehandhaafd kan blijven. Bovendien hoeft de werkgever niet direct aan te zuiveren, zodat de premie van de werknemers minder snel zal stijgen. En dat geeft meer ruimte aan de cao-onderhandelingstafel.

Glijdende lusten en lasten

Het uiteenspatten van de zeepbel van de hoge beurskoersen heeft de pensioenwereld behoorlijk aan het schrikken gemaakt. Volgens iedereen moet in de toekomst dit soort problemen voorkomen worden. Ik zie wel wat in pensioenovereenkomsten, een pensioen cao. In bijvoorbeeld de bedrijfspensioenfondsen Zorgverzekeraars en Metaal is zo'n overeenkomst gesloten. Daarin wordt van tevoren vastgelegd wat er gebeurt bij het bereiken van een bepaalde reservegrens.

Zo'n grens bepaalt het beleid ten aanzien van indexaties, premies en beleggingen. Bijvoorbeeld bij een reserve van 40 procent worden de pensioenen volledig geïndexeerd, er wordt geen premie betaald en de beleggingen in aandelen worden niet uitgebreid. Bij 5 procent reserve wordt laag geïndexeerd, betalen de werkgever en werknemers maximaal en wordt veel in obligaties belegd. Tussen 5 en 40 procent wordt een staffelmethode toegepast. Dat houdt in dat bij een stijging van de reserves afgesproken kan worden dat de te lage indexering ten tijde van de slechte jaren gerepareerd wordt. Stijgen de reserves nog meer, dan wordt de regeling verbeterd, bijvoorbeeld een verlaging van de franchise.

Een dergelijke pensioenovereenkomst maakt het voor een cao-onderhandelaar minder nodig zitting te nemen in het bestuur van een pensioenfonds. Dat zou tevens een verbetering zijn in het geval van de ondernemingspensioenfondsen, waar de bonden via het bestuur geen invloed hebben op het beleid. De meest wezenlijke beleidsonderdelen liggen dan immers vast.

Deze constructie van een pensioenovereenkomst lijkt me verre te verkiezen boven de verzelfstandiging en concurrentie van de pensioenfondsen. Een plan dat onlangs bijvoorbeeld door hoogleraar Verbon in het ledenblad Bondgenoten Magazine werd gelanceerd.

Volgens mij zit er toekomst in pensioenovereenkomsten met glijdende lusten en lasten. Betalen, als dat nodig is. Repareren en verbeteren van pensioenen op kosten van de rendementen, als dat mogelijk is. En daarnaast gewoon onderhandelen over de beschikbare loonruimte, zonder dat met een schuin oog naar de pensioenen gekeken hoeft te worden.

Aad in 't Veld
(bestuurder FNV Bondgenoten)

foto Chris Pennartsfoto Chris Pennarts (74 kb)