|
nr. 113 jun 2003 |
Solidariteit
Anna Achmatova, 1889-1966Een niet gesmoorde stemKort voor en na de Russische revolutie was Anna Achmatova een baanbrekende en populaire dichteres die op een directe manier vanuit een 'vrouwelijke ik' over haar liefdeservaringen schreef. Met Osip Mandelstam (zie nummer 111 van Solidariteit) en Nikolaj Goemiljov, waarmee ze van 1910 tot 1918 getrouwd was, maakte ze deel uit van een nieuwe 'dichtersgilde' die koos voor een concrete taal en alledaagse beelden. Goemiljov werd in 1921 beschuldigd van deelname aan een antisovjet complot en kort daarna gefusilleerd. Achmatova werd hierdoor een verdacht persoon en kreeg steeds meer te horen dat haar werk te persoonlijk, mondain en verderfelijk was. In 1925 werd haar een publicatieverbod opgelegd. De arrestatie en verbanning in 1935 van haar zoon Lev Goemiljov die pas in 1956 uit Siberië terugkeerde, brachten Achmatova tot de gedichtencyclus Requiem. Van deze aanklacht tegen dwangarbeid en terreur bestaat geen officieel manuscript, de tekst ging jaren lang van mond tot mond en werd niet eerder dan 1987 in de Sovjet Unie gepubliceerd. In 1965, een jaar voor haar dood, kreeg Anna Achmatova een hernieuwde, publieke erkenning. De schrijversbond maakte een einde aan haar royement - 'volksvijand, half non, half hoer' - en in Oxford ontving ze een eredoctoraat. Inmiddels wordt ze vanwege haar eenvoud en virtuositeit wereldwijd beschouwd als de grootste Russische dichteres. Aan haar zijn meer gedichten gewijd en opgedragen dan zij zelf heeft geschreven. 's Avonds [1913]Er was muziek, een zoete wijsKlonk in de tuin, onzegbaar treurig. Een zilte zeelucht, fris en geurig, Van oesters op een schotel ijs.
"Ik ben een ware vriend", zei hij,
Zo aait men katten, zo aanschouwt
En een viool met droeve klank,
Uit: Het zesde zintuig, Leiden 1997. Russische aarde [1921]Verder leven is voor jou niet weggelegdJe zal niet opstaan uit de sneeuw. Achtentwintig bajonetten, Vijf schotwonden.
Wat een bitter heden
Uit: En de nacht belooft geen dageraad, Antwerpen/Amsterdam 1985. Laatste toast [1934]Op mijn bestaan vol nijd en spijt,Ons huis in stof en as, Ons samenzijn in eenzaamheid, Op jou hef ik het glas, En op die ogen, kil en dof, Die mond, die mij verried, En op de wereld, wreed en grof, Op God, die ons verliet.
Uit: Maar mijn liefde voor jou maakt me machteloos, Amsterdam 1999. Requiem [1935-1940]Ik weefde een kleed voor hem uit wat zij zelfin schuchtere zinnetjes hadden gezegd. Altijd, overal draag ik hem in mijn hart, ik blijf hem gedenken in komende smart. En als mijn gemartelde stem wordt gesnoerd die schreeuwend de honderd miljoen heeft verwoord, Dan moge ik evenzo worden herdacht door hen, op de avond van mijn dodenwacht. Uit: In andermans handen, Amsterdam, 1981. Verwarring [1940]De waarschuwing die ik u geef,Is dat ik voor het laatst nu leef. Niet als een zwaluw of het koren, Niet als een rietpluim of de zon, Niet als het water uit de bron, Niet als de klokken in de toren - Zaai ik verwarring overal, En mijn aanhoudend steunen zal Nooit iemands slaap verstoren. Uit: het zesde zintuig, Leiden 1997. Bij het niet versturen van mijn epos [1963]Het huis waar jij en ik niet wonen,De wind die opsteekt vanuit zee, Het raam waar wij ons niet vertonen, De ceder, luwte voor ons twee ... Ik had die regels willen sturen Aan hem - natuurlijk hij bestond! Hij zou het glimlachend verduren, Al was zijn hart opnieuw verwond.
Uit: Maar mijn liefde voor jou maakt me machteloos, Amsterdam 1999.
|