nr. 111
feb 2003

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Wat is er aan de hand in pensioenland?

De schatkamers vertonen kieren en gaten

Er is de laatste tijd veel te doen over de pensioenen. Door de dalende aandelenkoersen dreigen de pensioenfondsen niet aan hun verplichtingen te kunnen voldoen. De politiek, de vakbonden en allerlei deskundigen zijn in het geweer gekomen. Een storm in een glas water of is er meer aan de hand?

In Nederland heeft iedereen, ouder dan vijfenzestig jaar, recht op een pensioen. Dit kan bestaan uit het staatspensioen, de AOW (Algemene Ouderdomswet) - dat is het minimum - plus een bedrijfspensioen, al dan niet aangevuld met wat tegenwoordig in zwang lijkt, een lijfrente uit koopsompolissen.

Opbouw

Eind jaren veertig, begin jaren vijftig werden bestaande, private pensioenregelingen aan wettelijke bepalingen onderworpen. Het ging meestal om een klein bedrag dat slechts voorkwàm dat arbeiders na hun werkzame leven zonder geld kwamen te zitten. De AOW bestond nog niet (kwam in 1957) en een pensioen was vaak het enige inkomen. Later, eind jaren vijftig, ontstond de grondgedachte dat mensen na hun pensionering op vijfenzestigjarige leeftijd ongeveer op de inkomensvoet konden doorleven die ze gewend waren. Onder de aanname dat in dat levensjaar de kinderen de deur uit zouden zijn en daardoor de kosten voor het levensonderhoud lager waren, werd 70 procent van het laatste bruto-inkomen voldoende geacht. In de praktijk komt dit neer op 80-85 procent netto. Het pensioen in de spreektaal bestaat dus uit de AOW en een bedrijfspensioen.

Om tot een volledig pensioen te komen, moet aan twee voorwaarden worden voldaan:

  1. Verzekerd zijn in Nederland in de levensperiode van 15 tot 65 jaar; een volledige AOW wordt via 2 procent per jaar opgebouwd.
  2. Deelname in een pensioenfonds gedurende veertig jaar; met werkweken van veertig uur.

Hoewel tegenwoordig 90 procent van de werkende bevolking aan een pensioenregeling deelneemt, halen grote groepen nooit die 70 procent van het bruto-inkomen. Bijvoorbeeld: deeltijdwerkers, uitzendkrachten (vooral jongeren), herintreders (vooral vrouwen) en werknemers die na hun vijftiende in Nederland zijn gaan wonen en werken (vooral migranten). Het lijkt vandaag de dag heel gewoon dat iedereen een pensioen opbouwt, maar nog geen tien jaar geleden hadden getrouwde vrouwen en deeltijdwerkers daar geen recht op.

Beleggingen

Het geld van de pensioenfondsen komt voor een deel uit de premieheffing van de deelnemers. Een ander deel komt uit de rendementen op het belegde vermogen. De totale pensioenfondsen beheren in Nederland ongeveer 385 miljard euro. De beleggingen in Nederland zijn aan strenge regels onderworpen. De dekking - de zekerheid dat de betalingsverplichting nagekomen kan worden - moet volledig zijn, de beleggingen mogen niet met een hoog risico worden uitgezet, enzovoort. Ieder jaar moet verantwoording afgelegd worden aan de toezichthouder, de Pensioen- en Verzekeringskamer. Sinds 1995 zijn echter onder druk van enkele grote 'marktpartijen' de regelingen versoepeld. Ook hier werd onder Paars de vrije markt verheerlijkt.

Tot dan toe waren de pensioenfondsen, de schatkamers van Nederland, niet echt bedrijven waar de status van afdroop. Het waren eerder stoffige instituten. Maar met de neoliberale koers veranderde de strategie van beleggingen en stegen in het kielzog daarvan de salarissen van de topbestuurders. Er vond een verschuiving plaats van 'behoedzaam, risicoloos' via 'beperkt risicovol' naar 'risicovol' beleggen. Een overgang van vastrentende waarden - de rente staat vast over een aantal jaren, zoals bij obligaties en renterekeningen - naar aandelen. Daar kwam nog eens bij dat een steeds groter deel van de beleggingen, op dit moment 40 procent, gedaan mocht worden in aandelen in binnen- en buitenland. Vooral in het begin van dit ruimere regime ging het de fondsen voorspoedig. Sinds 2000/2001 is daar een abrupt einde aan gekomen. De aandelenkoersen zijn fors gezakt en blijven zakken. De vermogens van de fondsen zijn verdampt - schattingen 100-150 miljard euro - en daarmee ook de rendementen. Als de thermometer van de beurs, de AEX, daalt met 50 punten, verdampt het totale vermogen met ongeveer 50 miljard euro. Als de AEX in de buurt komt van de 300 puntengrens (momenteel 350 en op het hoogtepunt in het jaar 2000 ongeveer 700) bedragen de tekorten van de pensioenfondsen zo'n 23 miljard euro.

Premies

De premie is een percentage van het brutosalaris min de zogeheten franchise, in dit geval de AOW, het inkomensdeel dat vrijgesteld is van belastingen. Afhankelijk van het pensioenfonds loopt de premie van 8 tot 14 procent. Dat zijn behoorlijke bedragen. Gangbaar is dat de premielast verdeeld is over de werkgever (meestal tweederde) en werknemer (meestal éénderde). Beiden hebben dus belang bij een zo laag mogelijke premie.

Tegenover de inkomsten staan uitgaven, namelijk de pensioenen. De premies samen met de rendementen moeten jaarlijks de uitgaven kunnen dekken. Dit wordt bedoeld met een dekkingsgraad van 100 procent. Uiteraard zijn bij lage rendementen de premies hoog (en omgekeerd). Bovendien zijn grote schommelingen in de premies voor alle partijen ongewenst. Premies zijn kosten en als deze sterk fluctueren, komen ze onvermijdelijk op het bordje van de onderhandelaars bij de cao. Omdat de gemiddelde leeftijd en het aantal mensen ouder dan 65 jaar stijgen, gaan de uitgaven van de pensioenfondsen omhoog.

Over de pensioenen worden afspraken in de cao gemaakt, ze maken dus deel uit van de arbeidsvoorwaarden en van de onderhandelingen tussen werkgevers en vakbonden. Dalende rendementen werken daarin door en kunnen leiden tot aanzienlijke verhogingen van de premieafdracht. Maar ook de gepensioneerden worden door die daling geraakt. Weliswaar kunnen de pensioenrechten welvaartsvast zijn (stijgen met de loonsverhogingen) of waardevast (gekoppeld aan de prijzen), maar in bijna alle gevallen gebeurt dat pas als de rendementen van het fonds een aanpassing toelaten en het bestuur van het pensioenfonds daarmee akkoord gaat. Op dit moment worden niet alle pensioenen volledig aangepast aan de inflatie. Voor de toekomst wordt geen herstel gegarandeerd en gaat de discussie vooral over versobering van de regelingen, premieverhogingen en herstel van de buffer (hoe groot en hoe snel; de PVK eist binnen een jaar naar 140 procent).

Gegraai

Vanaf het begin van de jaren tachtig waren de rendementen van de fondsen groter dan de stijging van de kosten, de dekkingsgraad steeg dus. Loonsverhogingen waren niet aan de orde. De prijscompensatie werd verder uitgehold of zelfs afgeschaft en de reële lonen daalden of konden met moeite de inflatie bijhouden. De pensioenpremies werden niet aangepast en de pensioenen niet of nauwelijks verbeterd. Volgens de vakbonden was er weinig te halen bij de werkgevers, maar om toch nog iets te kunnen doen aan de nettolonen kwamen ze tot een bevriezing van de pensioenpremies. De werkgevers eisten ook hun deel op en mochten een greep doen in de goed gevulde potten. Zo kregen ze een aantal jaren een premievrijstelling en soms zelfs geld terug. Ook de werknemers profiteerden een enkele keer ter compensatie van de loonmatiging.

Deze ontwikkeling is de aanzet geweest tot het grote graaien in de jaren negentig, toen door de beleggingen in aandelen en de omhoog springende beurskoersen de buitensporige winststijgingen als vanzelfsprekend toekwamen aan de werkgevers. Vers in het geheugen ligt de plundering van de pensioenfondsen van DAF en Fokker en die van Enron en Rupert Murdoch waar de werknemers met lege handen achterbleven. Maar ook de overheid en bijvoorbeeld de toenmalige Vervoersbond FNV konden er wat van. Zo leende het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds 15 miljard aan de overheid en verzachtte de bond reorganisaties en arbeidsuitstoot via financiële regelingen uit het Pensioenfonds van de Haven en voorkwam daarmee arbeidsonrust.

Toch zijn de huidige problemen niet aan dit gegraai toe te schrijven. De euforie op de aandelenmarkt en de daarmee gepaarde gaande winsten stuwden de dekkingsgraad van de pensioenfondsen ongekend omhoog. Eind 1999 tot een gemiddelde van 150 procent. Er leek niets fout te kunnen gaan. Dat bleek een ernstige vergissing. Inmiddels zijn veel fondsen in de gevarenzone terechtgekomen en wordt de rekening neergelegd bij de gepensioneerden en werknemers. De fondsen willen de verliezen goedmaken door meer vrijheid en meer beleggingen in aandelen!

Europese pensioenhervorming

In de Europese Unie kennen alleen Groot-Brittannië, Denemarken en Ierland een pensioenstelsel dat vergelijkbaar is met het Nederlandse. Een voor iedereen gelijk, relatief laag, staatspensioen en een goed ontwikkeld systeem van aanvullende pensioenen. Anders is het in landen als Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië en Griekenland die een relatief hoog staatspensioen kennen dat betaald wordt via het omslagstelsel; zoals onze AOW, direct omgeslagen over de werkenden. Er wordt dus niet zelf gespaard voor een bedrijfspensioen, zoals in Nederland (het zogenaamde kapitaaldekkingsstelsel).

Problemen met de dekking van de pensioenverplichtingen komen overal voor. De vraag is of er straks vanwege de vergrijzing voldoende werkenden zijn die de premielast van het omslagstelsel kunnen dragen. Via de muntunie (euro) zullen ongedekte pensioenverplichtingen alle lidstaten raken. Daarom prest de Europese Unie de regeringen van de lidstaten tot hervorming van de pensioenen. Over de aanpak van het 'pensioenprobleem' bestaat inmiddels eensgezindheid. Meer mensen (jongeren en vrouwen) laten werken en betalen, langer werker en korter genieten. Dat heet: verhoging van de arbeidsparticipatie. Gezien de huidige economische neergang, waarin bezuinigingen vooropstaan, en tegen de achtergrond van de zegetocht van de vrije markt, is een sterkere individualisering van de pensioenen te verwachten. Banken en verzekeringsbedrijven zien hierin een nieuwe en grote markt met aantrekkelijke winsten. Hoe vakbonden en linkse politieke partijen deze ontwikkelingen in een andere richting kunnen duwen, is een onderwerp voor een volgend nummer van Solidariteit.

Herre de Vries/Ab de Wildt (met dank aan Michel Tilanus)