nr. 111
feb 2003

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Mondiale liberalisering - Europese Unie

De illusie van een sociaal Europa

Begin 2003 heeft Eurocommissaris Bolkestein 'tien jaar vrije markt in de Europese Unie' tot een groot succes verklaard. Het zou maar liefst 2,5 miljoen nieuwe banen hebben opgeleverd en 1,8 procent groei van het bruto nationaal product. Voor hem volop reden om op verdubbelde kracht door te gaan met een verdere liberalisering van de economie. Dat die markt ook veel problemen oplevert voor de publieke dienstverlening, voor wonen en werken langs de grenzen of voor het gedwongen afslachten van gezond vee als ziektebestrijdingsmiddel wordt er natuurlijk niet bij gezegd. En ook niet dat veel van die nieuwe banen bestaan uit tijdelijk werk tegen slechte arbeidsvoorwaarden.

In naam van de vrijheid wordt dwang uitgeoefend op de lidstaten, de lagere overheden en de vakbeweging om te privatiseren. Toch draagt dit soort succesberichten bij aan de al een halve eeuw bestaande verwarring binnen links èn de vakbeweging over de voor- en nadelen van de Europese Unie en haar voorlopers. Maar deze juichverhalen bevorderen ook de samenwerking tussen delen van links met delen van rechts.

Verdeeld Europa

Tussen de krachten die tegengestelde belangen verdedigen maar samen pleiten voor een verenigd Europa, bestond nooit overeenstemming over hoe zo'n Europa eruit moest zien en welk beleid nodig was.

De toppen van grote internationale ondernemingen wilden één markt met één munt. De rechtse partijen die dat ondersteunden, wensten tevens een militaire grootmacht die naast bondgenoot Verenigde Staten meetelde in de wereld. De stabiliteit binnen die grootmacht moest worden beschermd door lage overheidsuitgaven, loonmatiging, sterke veiligheidsdiensten, grote vrijheid voor ondernemingen, en vooral een ruime beschikbaarheid van 'risicodragend kapitaal'. Daarentegen zagen grote delen van links en de vakbeweging in een verenigd Europa de mogelijkheid om de overmacht van het internationale grootkapitaal aan banden te leggen. En daarmee de lonen, arbeidsomstandigheden, bedrijfsdemocratie en sociale zekerheid op te trekken naar het hoogste binnen Europa voorkomende niveau. Europese eenheid zou een belangrijke stap vooruit zijn naar internationale solidariteit, democratisering, mensenrechten en wereldvrede.

In de meeste Europese landen zijn meerderheden in de politiek, werkgevers en vakbeweging het sinds lang eens over de wenselijkheid van een verenigd Europa. Alleen Engeland en Scandinavië maken daarop een uitzondering, want daar woedt zowel links als rechts een permanent debat over het voor en tegen. In de later tot de Europese Unie toegetreden landen van Zuid Europa, en ook in de toekomstige nieuwe lidstaten in het oosten, vindt zo'n discussie nauwelijks plaats. Daar wordt de Europese Unie door links en rechts vooral gezien als de grote geldkraan die inkomsten overdraagt van de oude rijke lidstaten - vooral Nederland, België, Duitsland en Frankrijk - naar armere nieuwkomers. In de praktijk komt het erop neer dat de rijke lidstaten voor hun binnenlandse bedrijven met belastinggeld de markten van de armere lidstaten hebben opgekocht. Zodra de rijken niet langer betalen voor het overleven van arme regio's en kleine boeren, zoals in Nederland wordt voorgesteld door VVD en LPF, zal het snel gedaan zijn met de steun aan de Europese Unie van Europeanen in het zuiden en het oosten.

Meer Europa

Het bestaan van de Europese Unie en de internationale vervlechting van het kapitaal hebben de positie van de vakbeweging veranderd. De oude situatie was redelijk overzichtelijk. Je organiseert mensen die elkaar tegenkomen op de bedrijfsvloer en stelt samen eisen aan een bedrijf dat plaatselijk welvaart en welzijn moet garanderen. Nu krijg je echter te maken met buitenlandse collega's bij hetzelfde concern en een concernleiding die de productie desgewenst snel kan weghalen uit landen waar ze lonen en belastingen te hoog vindt of milieueisen te streng. Dat levert meer verdeeldheid op en legt meer beslissingsruimte bij die vakbondsbestuurders die zich bezighouden met de internationale coördinatie. De Europese Unie betekent kapitalistische globalisering in het klein, met alle daaraan verbonden nadelen. Toch is binnen de vakbeweging de illusie ontstaan dat die internationalisering van de economie nieuwe kansen zou bieden, vooral door middel van een verhevigde samenwerking tussen kapitaal en arbeid. Die samenwerking zou dan moeten leiden tot een steeds verdergaande economische groei, en daarmee tot bestaanszekerheid voor de grote massa zonder de pijnlijke noodzaak tot herverdeling. Bij de grote vakbondsbetoging tijdens de Eurotop in Brussel, op 13 december 2001, werd dan ook veelvuldig de leuze "Meer Europa" meegedragen naast "Een sociaal Europa". Dat optimisme wekt de indruk dat "meer" vanzelfsprekend leidt tot "sociaal". Betekent meer overlaten aan de Europese Unie dat we het allemaal beter krijgen?

Europa van de markt

Of er binnen het Europa van de markt ook nog een sociaal Europa mogelijk is, was de inzet van de top van Europese regeringsleiders in Lissabon in het voorjaar van 2000. Dit jarenlang weggeschoven onderwerp kwam eindelijk aan de orde op initiatief van de toenmalige Franse regering van sociaal-democraten, communisten en groenen. Met sociaal-democratische premiers in elf van de vijftien regeringen van de lidstaten mocht daarvan toch wel iets verwacht worden. Maar uiteindelijk gingen de afspraken niet over eerlijk delen van het beschikbare werk door algemene arbeidstijdverkorting tot 35 uur per week of pensioen met 60 jaar, zoals in Frankrijk. En ook niet over inkomensnivellering, bestaanszekerheid voor allen, beter minimumloon, sociale uitkeringen, uitbreiding van arbeidsongeschiktheidsregelingen of meer banen in de publieke dienstverlening. Integendeel, opnieuw was de terugtrekkende overheid troef. Economie en publieke voorzieningen moesten worden overgelaten aan het particuliere bedrijfsleven en overheidstaken op het gebied van post, telefoon, energie en openbaar vervoer afgestoten; lagere belastingen moesten de groei aanmoedigen. De conclusie was dat Europa de meest concurrerende economie ter wereld moest worden. Flauwekul natuurlijk, omdat ze in Amerika en Japan precies hetzelfde roepen. Dat concurrentie-idee is alleen maar een rechtvaardiging voor lage lonen, lage belastingen en soepele milieuvoorwaarden. Die top van Lissabon maakte opnieuw duidelijk dat we niet onderweg zijn naar een sociaal Europa maar naar een Europa van het kapitaal. De rechtse meerderheid in het Europees Parlement heeft die ontwikkeling toegejuicht en dringt aan op versnelling ervan.

Oppositie in Europa

Toch is het soms mogelijk om die versnelling stop te zetten, als zichtbaar wordt hoe negatief de gevolgen uitpakken.

Al jaren vóór Lissabon werd overal rondgebazuind dat de Europese Unie de 'vrije concurrentie' aan het openbaar vervoer zou opleggen. Er moest een einde komen aan overheidsmonopolies en grootscheepse bijdragen uit de belastingpot. Bedrijven in eigendom van een overheid werden weliswaar niet verboden, maar moesten mee concurreren met particuliere ondernemers voor het verwerven of verliezen van vervoersgebieden. Met als resultaat dat het Amsterdamse Gemeentelijk Vervoerbedrijf straks bijvoorbeeld mag rijden in Tampere (Finland), Messina (Italië) en Graz (Oostenrijk), maar niet in Amsterdam. Of de Nederlandse Spoorwegen in delen van Polen, Engeland en Spanje, maar niet of nauwelijks in Nederland. Ze kunnen dan dus niet meer voorzien in datgene waarvoor ze zijn opgericht, namelijk: duurzaam aanbieden van goed en betaalbaar vervoer in hun thuisbasis. Kort na de top van Lissabon legde de Europese Commissie aan het Europese Parlement een voor alle lidstaten rechtstreeks bindende wet voor ('Verordening') die gemeenten en provincies verplichtte het openbaar vervoer voor perioden van telkens vijf jaar aan te besteden. Het bedrijf dat met de laagste overheidssubsidie het beste kon voldoen aan de vooraf gestelde eisen zou het vervoersgebied winnen. In de praktijk zou dat waarschijnlijk neerkomen op een verdeling van de markt tussen de recent opgekomen concerns Arriva, Connex, Keolis, Stagecoach en eventueel een naar de beurs gebrachte Deutsche Bahn. Omdat zij voor het binnenhalen van nieuwe gebieden eenmalig onder de kostprijs zouden duiken, kon verwacht worden dat binnen twintig jaar vrijwel alle kleinere ondernemingen na het verlies van hun oude vervoergebied zouden uitsterven. Vanzelfsprekend leidde dit voorstel tot grote onzekerheid bij het personeel dat om de vijf jaar het risico zou lopen zijn baan te verliezen. Volgens de rechtse voorstanders in het Europees Parlement was dat ook precies de bedoeling. Zij vinden de lonen in die sector 30 tot 40 procent te hoog en willen deze terugschroeven naar het niveau van de taxi of touringcar. Maar bij de eindstemming in het parlement op 14 november 2001 kreeg ik in het Europees Parlement met een pakket van tegenvoorstellen een meerderheid mee van 317 tegen 224 stemmen. Daarin werden tram, metro en buslijnen onder vijftig kilometer uitgezonderd van de aanbestedingsplicht en naleving geëist van de in het betrokken vervoersgebied geldende cao. Niet alleen de gehele linkerzijde steunde me, maar ook die delen van rechts die de Europese betutteling zat zijn of kaalslag in hun regio verwachten.

Superstaat Europa

Op dit moment is de Europese Unie bezig pensioenreserves zo veel mogelijk om te zetten in risicodragend kapitaal, dus aandelen van ondernemingen. In de havens wil men het laden en lossen in handen spelen van veelal laagbetaalde zeevarenden uit de Derde Wereld. Het verstrekken van overheidssubsidies om nuttige diensten en bedrijven in stand te houden, wordt bestreden als 'concurrentievervalsing'. Bovendien zouden die subsidies leiden tot overheidstekorten die op hun beurt het Stabiliteitspact bedreigen dat de euro waardevast moet maken. Daarentegen worden problemen van grensarbeid of de verstoring van de Belgische en Duitse woningmarkt door de Nederlandse hypotheekrenteaftrek niet aangepakt.

Deze superstaat Europa staat ver van de mensen af en wordt geen sociaal Europa. Maar als de illusies voorbij zijn, levert die Europese Unie wel een permanente voedingsbodem voor strijd van onderop.

Erik Meijer
(lid Europees Parlement voor de SP)

In naam van de vrijheid wordt dwang uitgeoefend om te privatiseren.

De idee dat Europa concurreert met de VS en Japan is een rechtvaardiging voor lage lonen, lage belastingen en soepele milieuvoorwaarden.