nr. 111
feb 2003

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Osip Mandelstam, 1891-1938

Alleen een gelijke zal mij doden

Op een avond in de herfst van 1933 las Osip Mandelstam een gedicht voor aan een paar vrienden. Zijn vrouw Nadjezjda was er ook. Gepubliceerd werd dit gedicht "De heerser" niet, toch was het aanleiding voor zijn arrestatie in 1934 in zijn huis in Moskou. Hij werd met Nadjezjda geïsoleerd naar de Zuid Russische provinciestad Voronezj. Zijn werk werd verboden. De drie jaar van armoede, ontbering en isolement die zij daar doorbrachten, waren tegelijkertijd de periode waarin één van de hoogtepunten in de Europese poëzie van de vorige eeuw tot stand kwam: "Schriften uit Voronezj".

Nadjezjda leerde de gedichten uit haar hoofd en vernietigde de manuscripten. Een veroordeling en verbanning volgden en in 1938 stierf Mandelstam in de Siberische kou. In zijn laatste brief, aan zijn broer, contact met zijn vrouw was onmogelijk, schreef hij: "Ik ben er fysiek heel slecht aan toe, ik ben totaal uitgeput en vermagerd, en bijna niet meer te herkennen (...)." Mandelstam leek uit de geschiedenis weggevaagd tot in de jaren zestig via zijn vrouw in Rusland zijn werk verspreid werd. Nadjezjda schreef haar "Memoires" die in 1971 bij Van Oorschot, Amsterdam uitkwamen. Zowel "De Heerser" als "De Wolf" zijn daarin opgenomen.

De heerser

Wij Leven zonder onder onze voeten ons land te voelen,
Onze woorden zijn niet verder dan op tien pas te horen,

Maar waar nog geen half gesprekje plaatsvindt,
Wordt de Kremlin-bewoner uit de bergen vermeld.

Zijn dikke vingers zijn vet als wormen
En zijn woorden zijn onwrikbaar als loden gewichten.

Zijn kakkerlakkensnor lacht
En zijn beenkappen glanzen.

Hij is omgeven door een bende slankhalzige leiders
En hij maakt gebruik van de slavendiensten van halfmensen.

Zij fluiten, miauwen of janken,
Alleen hij oreert en port met zijn vinger.

Hij smeedt series dekreten, als hoefijzers
Die hij mikt op je voorhoofd, je kruis of je oog.

En iedere terechtstelling is een traktatie
Voor de Osseet met de brede borstkas.

Van Stalin werd beweerd dat hij afkomstig was uit het oude Kaukasische bergvolk van de Osseten.

De Wolf

Terwille van de luidruchtige faam van toekomstige eeuwen,
Terwille van het verheven mensdom
Ben ik beroofd van mijn beker aan de dis der vaderen,
Van mijn levensvreugde en mijn eer.

Ik word besprongen door een wolfshond - mijn tijd,
Maar ik heb niet het bloed van een wolf;
Stop mij maar liever als een bontmuts in een mouw
Van de warme bontjas van de Siberische steppen,

Zodat ik geen lafaards hoef te zien, geen weke vuiligheid
En geen bloederige botten in het rad,
Maar lichtblauwe poolvossen, die de hele nacht
Schitteren in hun ongerepte schoonheid.

Voer mij weg naar de nacht waar de Enisej stroomt
En de sparren tot de sterren reiken,
Omdat ik niet het bloed van een wolf heb
En alleen een gelijke mij zal doden.

Het laatste gedicht uit de cyclus "De Wolf", 1931.

Leningrad

Terug in de stad mij tot tranen bekend,
In het merg, in het bloed tot het laatste bekend.

Je bent weer terug, dus je vreet je meteen
Door de levertraanmist van de avonden heen.

Zorg dat je de dag van december herkent,
Boosaardige teer is met eigeel gemengd.

Petersburg! En mijn sterven wordt uitgesteld:
Ik heb nog zovelen niet opgebeld.

Petersburg! Ik heb menig adres in mijn boek
Waarmee ik de stem der gestorvenen zoek.

Ik woon driehoog achter in kommer en kwel,
En schrik me te pletter bij iedere bel.
Terwijl ik mijn dierbaren verwacht,
Rammel ik aan mijn deurketting iedere nacht.

Uit: Het zesde zintuig. Uitgeverij Plantage, Leiden, 1997. Vertaald door de Vertaalgroep Leidse Slavisten. Geschreven in december 1930.

Kooi

Je gestalte, ijl en tergend,
onttrok zich in de nevel aan mijn greep.
'O God', riep ik onverhoeds,
niet beseffend wat ik zei.

Gods naam schoot als een grote vogel
uit mijn borst naar buiten ...
Vóór mij kolkende nevelslierten,
daarachter een lege kooi ...

Uit: Wie een hoefijzer vindt, Van Oorschot Amsterdam, 1974 - geschreven in 1912.

Eén van de muurgedichten ("Leningrad") in Leiden, Locatie: Haagweg 29