nr. 109
sep 2002

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Rondvraag en andere berichten

Vijftien procent omhoog

Op 11 september jongstleden organiseerde het landelijk comité "Stop de armoede" in Amsterdam een picket line bij de presentatie van het wetenschappelijk onderzoek "Landschappen van armoede". Deelnemers vertegenwoordigden onder andere het comité uit Twente en Limburg en Amsterdam tegen Verarming en de Bijstandsbond. Ze grepen deze gelegenheid aan om een verhoging van 15 procent te eisen van de uitkeringen en het minimumloon.

Het onderzoek strekte zich uit over meerdere jaren en gebruikte volgens de traditie in de culturele antropologie de methode van 'participerende observatie'. Daarbij woont de onderzoeker geruime tijd bij een geïsoleerde stam die nog leeft in het stenen tijdperk of vestigt zich tijdelijk in een geïsoleerd getto. Het dagelijks leven in die gemeenschappen wordt nauwkeurig beschreven, zonder deel te nemen aan de emancipatiepogingen van de betrokken mensen, want dan zou de 'objectiviteit' van het onderzoek in gevaar komen.

De onderzoekers Erik Snel, Richard Staring en Annelou Ypeij spraken met ruim tweehonderd leden van arme huishoudens in enkele wijken in Amsterdam en Rotterdam met veel armoede en uitkeringsafhankelijkheid. En ze woonden daar enige tijd. De Rotterdamse socioloog Godfried Engbersen had de leiding.

Gedragsbeïnvloeding

Eén van de weinig verrassende conclusies uit het onderzoek was dat alleenstaande moeders, gehandicapten, mensen die ziek zijn, ouderen en mensen met jonge kinderen die moeten leven van een minimuminkomen, onvoldoende geld hebben om rond te komen. Ook andere onderzoeksconclusies worden al jaren door belangenorganisaties in klachtenboeken, zwartboeken, witboeken en interviews naar voren gebracht. Bijvoorbeeld dat de armoede niet teruggedrongen wordt door het op specifieke groepen en individuen gerichte, gedifferentieerde beleid, zoals via bijzondere bijstand, kwijtscheldingsregelingen, schuldhulpverlening en individuele eenmalige subsidies. En dat de bestaande regelingen ontoegankelijk zijn, ondoorzichtig en bureaucratisch en de instanties langs elkaar heen werken.

De praktijk leert dat mensen verschillende strategieën ontwikkelen om meer bestaanszekerheid te verwerven. Bijvoorbeeld door informeel werk en sociale ondersteuning van familie en buren; bij dat informele werk gaat het overigens om kleine bedragen, louter om te kunnen bestaan. Maar mensen kunnen een neerwaartse spiraal komen, omdat ze onvoldoende geld hebben om deel te nemen aan het sociale verkeer, omdat ze zich uit schaamte terugtrekken uit sociale netwerken of omdat ze worden gestigmatiseerd. Daarmee nemen de mogelijkheden om rond te komen weer af.

Een andere conclusie luidde dat criminalisering van overlevingsstrategieën niet constructief is. Formalisering van de informele arbeid zou een beter beleid zijn. Dat is een positief geluid, waarmee de belangenorganisaties die opkomen voor de rechten van mensen 'aan de onderkant' van de samenleving hun positie kunnen versterken. Aan de andere kant echter volgden de onderzoekers de wetenschappelijke traditie, waarin de oorzaken van armoede worden gehaald uit een nauwkeurige beschrijving van het gedrag van armen en hun dagelijks leven. De relaties met de rijkdom, kortom de wetmatigheden van het kapitalisme, blijven buiten beschouwing. Daarmee is de weg vrij voor een uitzichtloze discussie over hoe het gedrag van armen beïnvloed kan worden door hen een bepaalde moraal bij te brengen. Dan wel, hoe hun gedrag te beïnvloeden door regimes van schuldhulpverlening, door straffen en incidentele individuele beloningen. En zo dragen de 'objectieve' onderzoekers bij aan een verdere ontwikkeling van 'social engineering'. Dat wil zeggen, het doel is niet de armoede bestrijden, maar de armen beheersen.

Piet van der Lende