|
nr. 109 sep 2002 |
Solidariteit
StekeltjesMijn sieltje schreyt en suchtUit de parlementaire enquête heb ik maar een enkele uitspraak serieus genomen: "Een bouwondernemer is een man met niks tussen de oren en grote handen." Het was trouwens oud nieuws. Ik wist als kind al dat de heren van de bouw in de jaren van de wederopbouw eerst in de grote club op de Dam vergaderden om daarna naar hotel Suisse in de Kalverstraat te verdwijnen voor het aperitief en het middagbijslaapje. Nogal logisch ook, in de bouw staan ze vaak in de kou en vroeg op. Zelfs Van Agt gaf onlangs toe dat er in de discussie daaromtrent wel veel gelijkenis is met het indertijd door hem gelanceerde, maar veel mildere, 'ethische reveil'. Maar ook verschil. Hij herhaalde het nog eens in een nieuwsprogramma voor de uitzending van de Staatsloterij. Zijn pogingen eertijds 'om de wereld te verbeteren': het vurige protest tegen vloeken, abortus en pornografie. Ik persoonlijk herinner me die periode als de dag van gisteren, want wij liepen toen nog met spandoeken "USA uit Vietnam ", "Weg met Pinochet" , "Geen wapens voor Soeharto". Iedere brandhaard in de wereld was ons. En we vloekten wat weg als het striemde van de regen of de politie te paard met knuppel gewapend ons raakte. In die goeie ouwe rottijd. Vol met agteloze normen en waarden. Als we nu dus klagen over de onbeleefdheid van jongeren, ouderen en koetsiers zouden we beter de straat op kunnen gaan voor een reveil van laten we maar zeggen, de flower power tijd. Bijvoorbeeld om te protesteren tegen de tegenwoordige gevangenismethoden die gebruikt worden tegen verdachten en asielzoekers. De gedachte daaraan maakt mij niet gelukkig. Wel beschaamd. Nou ken ik persoonlijk zat mensen die verklaren nog nooit zo gelukkig te zijn geweest als in het heden. Of zoals iemand mij bekende "Vroeger mocht je zus niet zeggen en zo ook niet." Een ander vult ijverig aan dat tegenwoordig gelukkig alles mag. De persoon in kwestie was niet te stuiten in het geven van goeie raad en voorbeelden. "Ik zei het laatst nog tegen de baas van een grote bouvier die verhaal kwam halen, omdat ik z'n hond uitgescholden had voor 'zwarte rotzak'. Ik zeg nog 'man, maak van je hart geen moordkuil want er is toch geen plaats op de intensive care', maar ik voeg er abusievelijk 'zwarte klerelijer' aan toe, althans toen de drol die de hond gelegd had in mijn private perkje ter sprake kwam. Ik schrok er zelf van", aldus deze toevallige passant. Zo zie je maar. Als volk, als natie van één stam, gaan we vooruit. Niettemin, het besef van zonde blijkt toch diep te wortelen in het Nederlandse volkskarakter. Eén van de grote vaderlandse dichters, Bredero, gaf zich aan die zondeval over toen hij vier eeuwen geleden een gedicht schreef dat begon met de onvergetelijke woorden "Mijn sieltje schreyt, dat sucht en weent."*) Stekeltje PS - En nou maar afwachten of na het kwartje van Kok ook het centje van Drees voor verdwijning in aanmerking komt.
|