|
nr. 108 juli 2002 |
Solidariteit
Boekbespreking - bonden in de meubel- en houtsectorKunstbroeders of meubelslaven"De geschiedenis van de vakbeweging in de meubel- en houtsector is een afspiegeling van het optreden van gewone mensen die naar voren treden en bewijzen, dat persoonlijke inzet, strijdvaardigheid, samenwerking en solidariteit de moeite waard zijn."Zo besluit Harry Peer op bladzijde 331 zijn omvangrijke boek "Kunstbroeders of meubelslaven". Wat aan die slotpassage voorafgaat, gunt ons inderdaad een blik op het leven en de strijd van zo'n vijf generaties vakbondsmensen uit de meubelmakerij. Heel degelijk door Harry onderzocht. Daardoor misschien af en toe een beetje saai. Met veel cijfertjes en namen. Als bij een naslagwerk. Maar tegelijk met zoveel mooie persoonlijke verhalen en anekdotes dat de lezer toch bij de les blijft. Daarbij zijn er honderd illustraties en foto's opgenomen en is het boek voorzien van veel toelichtende noten en een verzorgd register. Gevat in een stevige harde kaft zal het de komende 125 jaar ongetwijfeld trotseren. Van ziekenkas naar moderne bondHarry begint zijn boek in de oertijd van de vakbeweging. Hij laat zien hoe in 1864 Bernardus Heldt, meubelmaker, een organisatie opricht om vakgenoten bij ziekte te ondersteunen. Een ziekenkas dus. In de loop van de jaren beginnen dit soort clubs, die ook door andere groepen arbeiders worden opgericht, zich steeds meer met belangenstrijd bezig te houden. Daar was reden genoeg voor. De lonen waren karig en werkweken van 84 uur (6 dagen van 14 uur per dag!) geen uitzondering. Met het leven en welzijn van arbeiders werd totaal geen rekening gehouden. Minutieus beschrijft Harry hoe de vakbonden in die tijd vorm kregen. In stakingen. Door experimenten met coöperaties. Met discussies tussen gematigden en radicalen, tussen hervormers en revolutionairen. In het begin van de twintigste eeuw mondde dit uit in de wording van de Algemeene Meubelmakersbond tot een 'moderne' bond. Dat wil zeggen: met een gecentraliseerde organisatie, een betaald bestuurder, een weerstandskas, een ziekteverzekering en een steunuitkering bij werkloosheid. Het werd een bond die zich niet alleen met loonstrijd en werktijden zou bezighouden. Men sprak zich ook uit tegen drankmisbruik en voor de invoering van de wereldtaal Esperanto bijvoorbeeld. Want het ging om méér. "De arbeidersbeweging zooals wij die voorstaan, werkt in het teeken van de beschaving, van den vooruitgang, krachtige welbewuste mannen moeten er dus zijn om organisatorisch dat mooie werk te verrichten, een machtige hecht aaneengesloten massa, de massa van de onderdrukte arbeidersklasse, zal en moet er komen wil een heerlijk en vrij arbeidzaam leven voor ons aan de kimme gloren." Aldus de hoofdredacteur van het orgaan van de Nederlandschen Behangers-, Stoffeerders- en Beddenmakersbond die in 1908 met de Meubelmakersbond fuseerde. Groei en ingroeiDe nieuwe Meubelmakersbond groeide tussen 1908 en 1919 van duizend naar zesduizend leden. Voornamelijk mannen wel te verstaan. Het aantal vrouwen bleef beperkt tot enkele tientallen. Harry laat zien dat dit te merken was, bijvoorbeeld in het bondsorgaan Ons Vakblad (1909). "En nu als last but not least ('t laatste maar niet het slechtste) zorg voor een goede verstandige vrouw, een vrouw, die meeleeft in de moderne arbeidersbeweging, een die voelt dat ook zij, en zij wel in allereerste plaats achterstaat in het maatschappelijk leven, die dan ook mede den strijd der dagen strijdt, dat is de groote worsteling tussen kapitaal en arbeid, en dus ook u helpt ... en kom je dan 's avonds thuis vriend, dan pak je eerst je vrouw en kinderen en dan je boek van de plank en je geniet je kalme heerlijke leventje ..." Een verontwaardigde reactie bleef niet uit. "Laat de man vooral bedenken, dat, indien hij al 10 á 12 uur werkt bij zijn patroon, zijn vrouw thuis 16 á 17 uur werkt. Dat ze bij al hun getob, graag eens de steun en de troost van hun man hebben, als hij thuis komt van zijn werk, is wezenlijk geen wonder." Het zijn deze passages die het boek toch steeds weer spannend maken. Zo is er een heel hoofdstuk gewijd aan brieven van leden aan de Haagse afdelingssecretaris, onder andere met argumentaties waarom men zijn lidmaatschap opzegt. Een ander hoofdstuk gaat over het fenomeen van de bezoldigde bestuurders. Hun aantal in de Meubelmakersbond nam in tien jaar tijd toe van één naar zeven. En Harry beschrijft hoe de vakbeweging zich steeds minder tegenover de bestaande maatschappij opstelt. Niet in de laatste plaats door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Nederland bleef weliswaar neutraal, maar de crisissituatie leidde wel tot het opschorten van de klassenstrijd door de ingroei in de maatschappij. "De medewerking van de door de vakorganisaties ook zelf gewenste inschakeling bij de oplossing van de door de oorlog gecreëerde sociale noodsituatie bevorderde haar integratie in de samenleving. Een voorbeeld daarvan is eveneens de voorbereiding op, het afsluiten van en de controle op de naleving van de collectieve arbeidsovereenkomst die op steeds groter schaal tot stand kwam." Katholieken en crisisEen organisatie die vanouds niet een echt andere maatschappelijke ordening voorstond, was de RK Bond van Meubelmakers Sint Antonius van Padua. Hoewel verreweg de meeste aandacht van de schrijver uitgaat naar de algemene NVV-bond, schenkt hij de katholieken ook flink wat pagina's. Veel meer dan de protestants-christelijke en de radicalere bonden. Het Nationaal Arbeids Secretariaat (NAS) en de latere EenheidsVakCentrale (EVC) komen er vrij bekaaid af. Overigens betekende het bepaald antirevolutionaire karakter van Sint Antonius niet dat de strijd geschuwd werd. In de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw gaf ze menigmaal meer stakingsuitkeringen dan de NVV-bond. Aanleiding zat! Het waren jaren van crisis, loonsverlagingen en werkloosheid. In 1936 was van alle meubelmakers 55,5 procent werkloos en van de houtbewerkers maar liefst 63,8 procent! Gemiddeld waren er zo'n vijf stakingen per jaar in die periode. Harry verhaalt er tot in detail over. Hij doet dat ook over de specifieke positie van de klompenmakers, de afdelingsbladen, de internationale contacten, de mechanisatie en nog wat zaken. Het maakt de beschrijving van het Interbellum, tussen de twee wereldoorlogen, wel wat rommelig. Maar ook hier zijn heerlijke kleinoden aan te treffen. Zoals het citaat uit het jaarverslag 1923/24 van de christelijke bond. Over het geringe organisatiebewustzijn van de klompenmakers. "Ja, dan is er nog, of liever, is er geweest een groep Klompenmakers. Die arbeiders hebben een onderdeel van hun werk, wat het noodzakelijk maakt, dat zij met hun achterste naar het licht moeten staan. Dit schijnt hun geheele wezen en gezichtskring doortrokken te hebben, want in figuurlijken zin staan zij altijd met hun rug naar het licht en daardoor is het bepaald ook slecht in hun bedrijf." De oorlogGedurende de Tweede Wereldoorlog blijven de NVV-bonden aanvankelijk gewoon functioneren. Een NSB'er wordt tot voorzitter van de Meubelbond gebombardeerd. Toch houdt deze bond tot 1941 90 procent van zijn leden. En twee leden van het dagelijks bestuur blijven zelfs tot april 1942 op hun post. Dan hebben de confessionele bonden, waaronder Sint Antonius van Padua, zich allang opgeheven en is hun boedel door het NVV overgenomen. Pas aan de vooravond van de opname van het NVV in het fascistische Nationaal Arbeids Front in 1942 geven nagenoeg alle overgebleven 'moderne' vakbondsbestuurders er de brui aan. Harry behandelt deze donkere episode enigszins ontwijkend. "Er zijn veel principiële vragen te stellen. Men koos voorlopig voor aanpassing, de kat uit de boom kijken, er het beste van maken onder de gegeven omstandigheden." Roel Wuite die de 125-jarige geschiedenis van de Haagse afdeling van de Meubelmakersbond beschreef, gaat wat dieper in op de dilemma's en discussies van die dagen en spreekt van "vakbondsburgemeesters in oorlogstijd" (Rechten naast Plichten, Den Haag 1992). Wederopbouw en fusiesOok de periode na 1945 behandelt Harry met veel geduld. De geschiedschrijving van de Meubelmakersbond zet hij voort. De bond gaat in 1971 op in de Bouwbond NVV die op 1 januari 1982 met de katholieken samengaat in de Bouw- en Houtbond FNV, die nu FNV Bouw heet. Hij verschaft ons zicht op regelingen die worden afgeschaft (de ziekte-uitkering waarmee het ooit begon!) of ingevoerd (de ondernemingsraad!). Hij verstrekt ledentallen van de bonden, aantallen werkers in de betrokken sectoren, gaat in op de internationale concurrentiepositie, en zo meer. Maar het meest boeiend wordt het toch wanneer hij verhaalt van bestuurders 'uit het vak' die door het hele land reizen en van wat zij deden en meemaakten bij de opbouw van hun bond. Tot slot nog een citaat dat laat zien waarom "Kunstbroeders of meubelslaven" het waard is om te lezen. Het gaat over het congres van Sint Antonius in 1948, alwaar de geestelijk adviseur, pastoor Gerritsen, waarschuwt tegen de EVC en de communisten. "Gerritsen is niet bevreesd om als martelaar zijn leven te offeren voor de goede zaak: 'Wanneer wij als dappere krijgers ons stellen tegenover de bende van goddelozen, dan zal een leger van strijdbare mannen steeds op de bres staan om zo nodig hun bloed, en hun leven te offeren voor Christus, onzen Koning!' De afgevaardigden van de afdelingen laten het berustend over zich heen komen. Nijmegen vraagt in overweging te willen nemen dat de behangers, die buiten de stad werken, koffiegeld in rekening mogen brengen." Zo wordt in slechts enkele zinnen een wereld (van verschil) gecomponeerd. Op 'n toon waar je met genoegen naar luistert. Rob Lubbersen Harry Peer - Kunstbroeders of meubelslaven. Uit de geschiedenis van de vakbeweging in de meubel- en houtsector. Amsterdam 2002. |