|
nr. 108 juli 2002 |
Solidariteit
ABVAKABO FNV - congres 2002Het is wachten op de boemerangHet congres van ABVAKABO FNV, 28/30 mei 2002, zit er op. Het beleid voor de komende vier jaar is in grote lijnen vastgesteld. Een nieuwe voorzitter is gekozen, een nieuw verkozen bondsbestuur treedt aan. Na afloop tevredenheid alom, het congres is in alle sereniteit verlopen en de zes uitgezette thema's zijn door de afgevaardigden in afzonderlijke sessies besproken. Maar ondanks de geproclameerde tevredenheid - wie kan morren, wanneer alles naar wens schijnt te zijn verlopen? - is er reden voor een kritisch geluid!Voordat de nieuwe bondsvoorzitter, Guus van Huygevoort, zijn zetel kon beklimmen, werden de congresdeelnemers in negatieve zin onthaald op een door hem gegeven kranteninterview. Op de ochtend van de eerste dag lazen we: "Opmerkelijk voorstel van nieuwe voorzitter ABVAKABO", "ABVAKABO wil loonmatiging". De toon was gezet. MatigenDe scheidend voorzitter, Cees Vrins, nam de verdediging van zijn opvolger op zich en verklaarde dat de krantenkoppen niet de volle betekenis van het interview met zijn opvolger aangaven. Het artikel diende in zijn geheel beoordeeld te worden, niet op basis van de koppen. Desondanks logen die koppen er niet om. Zeker niet tegen de achtergrond van eerdere uitlatingen van de voorzitter in spe. In de Volkskrant van 13 april 2002 achtte hij de tijd rijp voor een nieuw akkoord van Wassenaar om "de concurrentiepositie van Nederland veilig te stellen". Wat dit akkoord van 1982 heeft gebracht, staat de werkers in Nederland nog helder voor ogen: op te volgen 'sociale vrede' en inleveren, opdat het grootkapitaal zijn winsten flink kan opdrijven. In datzelfde artikel neemt Van Huygevoort een voorschot op het overleg met het aanstaande rechtse kabinet: "Als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, moeten de vakbonden bereid zijn om in ruil daarvoor hun looneisen te matigen." En bij dat "daarvoor" wordt gedoeld op vergeten problemen als uitholling publieke dienstverlening, armoede en sociaal minimum. Eigen buidelOp het congres werd in zes verschillende groepen (sessies) gedebatteerd over zes vooraf uitgewerkte onderwerpen: * uitdagingen voor de publieke sector, * leuk werken in de publieke dienstverlening, * solidariteit tussen generaties, * arbeidsvoorwaarden nu en in de toekomst, * sociaal en zeker van werk, * arbeidsrelaties en zeggenschap. In de sessies werden uit de commentaren van de leden stellingen in discussie gebracht in de vorm van amendementen. Het congres kon dan knopen doorhakken. En, dat is gebeurd! De vraag is alleen of een aantal beslissingen niet als een boemerang op de hoofden van de vakbondsleden terecht zal komen, omdat belangrijke uitgangspunten voor de bescherming van de sociale zekerheid van de werkers werden aangevreten. En feitelijk met instemming van de congresgangers. Meer concreet bij het thema 'solidariteit tussen generaties' was dat het geval. Professor Schuyt - socioloog, en columnist van de Volkskrant - was de inleider. De tendens van zijn verhaal was op voorhand duidelijk. Nederland vergrijst en de AOW, de pensioenen, de gezondheidsvoorzieningen komen in het gedrang. De kleiner wordende, actieve jongere groep kan de kosten van de vergrijzende bevolking niet langer opbrengen. In de voorbereidende stukken was uit deze benadering al de conclusie getrokken dat een beroep gedaan zou moeten worden op de solidariteit tussen de generaties om de betaling van de oudedagsvoorzieningen te kunnen blijven bekostigen. Kortom: allemaal in de eigen buidel tasten, dat was de afgekondigde solidariteit. Welke solidariteitIn het licht van dit vraagstuk van de betaalbaarheid van de vergrijzing nam het congres enkele belangrijke besluiten, bijvoorbeeld over de fiscalisering van de AOW, dus belasting betalen over de AOW. Omdat men er van uitgaat dat de inkomenspositie van veel ouderen sterk is verbeterd, lijkt dit meebetalen aan de stijging van de kosten van de AOW een 'gewoon' beroep op de solidariteit. Hetzelfde geldt voor het doorwerken na de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar, ook al is dat nog op vrijwillige basis. En voor de vervanging van het eindloonstelsel bij de vaststelling van de pensioenen door het middelloonstelsel, zij het onder de voorwaarde dat eventuele gerealiseerde kostenbesparingen gebruikt blijven voor verbetering van de pensioenregeling. Maar het is solidariteit in de vorm van een verzoek aan de werkenden om in te leveren. Opvallend is dat geen woord gezegd of geschreven werd over de aanwending van het kapitaal dat die 'vergrijsden' tijdens het werkzame leven met elkaar gewonnen hebben. Immers alleen door hun arbeid kon het kapitaal zijn winsten opbouwen en vergroten. Geen aandacht dus voor solidariteit in de betekenis van samen eisen stellen aan het kapitaal om daaruit de oudedagsvoorzieningen te kunnen financieren. Nochtans is de vakbond op basis van die solidariteit, in de strijd tegen uitbuiting en voor sociale voorzieningen gegroeid. De vakbond is niet groot geworden door onder het mom van solidariteit onderling de armoede te verdelen. ConcurrentiepositieHet systeem om arbeid te belasten (verdelen van de bezittingen onder de werkenden) kan volgens Schuyt niet ingeruild worden tegen een systeem van, zoals hij het noemde, de belasting van het kapitaal. Dat laatste zou te moeilijk zijn en het schip kon om dat mogelijk te maken niet even worden stilgelegd. Met andere woorden: het kapitaal blijft buiten schot en mag zich verder vetmesten onder de vlag van de zo hoognodige versterking van de concurrentiepositie. Het klootjesvolk ziet maar dat het eruit komt en mag 'in solidariteit' de eigen inkomsten verdelen. Door de eeuwen heen heeft het grootkapitaal moord en brand geschreeuwd over zijn toekomst telkens wanneer de werkers hun rechtmatige eisen stelden. Nooit is er toegegeven zonder dat daar strijd voor werd geleverd, strijd gebaseerd op onderlinge solidariteit tussen de werkers. Zou de redenering van de bedreigde concurrentiepositie altijd geaccepteerd zijn geweest door de werkende mensen, dan hadden wij nu nog geen achturige werkdag gekend of was kinderarbeid gemeen goed. Juist onze verworvenheden tasten toch de concurrentiepositie aan? Hoe ver moet die bekommering over de concurrentiepositie van de Nederlandse bedrijven gaan? Veel bedrijven hebben de nationale grenzen al vaarwel gezegd en spreken in elk afzonderlijk land hun zorgen uit over de concurrentiepositie. De consequentie daarvan is toch uiteindelijk een loonpeil als in de lagelonenlanden? Jonge ledenEn wij ons gedurende het hele congres maar afvragen waarom de vakbond vergrijst, te weinig jongeren aantrekt. Behalve dat de bevolking vergrijst en daardoor ook haar organisaties, is de vraag gerechtvaardigd of het lidmaatschap van een vakbond nog wel loont. De individuele dienstverlening die door de bonden steeds meer wordt aangeprezen, is in de meeste gevallen ook buiten de vakbeweging te vinden - bijvoorbeeld bij verzekeringsbedrijven - en niet persé onder slechtere voorwaarden. Wanneer de bonden zich door individuele 'service' willen waarmaken, dan zullen zij zichzelf tegenkomen en de slag met andere meer gespecialiseerde commerciële dienstverleners verliezen. De kracht van de bond bestaat juist in de mogelijkheden van collectieve belangenbehartiging: in solidariteit een gezamenlijke strijd voor gezamenlijke belangen. Als dat zichtbaar wordt binnen de bedrijven, zullen jonge leden aangetrokken worden. En dat is heel wat anders dan een vals beroep doen op solidariteit om toegevingen aan het kapitaal aanvaardbaar te maken. Luk Brusselaers |