|
nr. 107 juni 2002 |
Solidariteit
Ondernemingsraad, verguisd en geprezen - alternatiefNieuw raamwerk voor democratisering van de ondernemingDit jaar vindt een evaluatie plaats van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR). Hoewel om de paar jaar wijzigingen zijn aangebracht, is de kern van deze wet in twee etappes ontstaan. In 1950 kwam er een door het personeel gekozen (advies)orgaan voor de zelfstandige onderneming (toen nog de meest voorkomende bedrijfsvorm). In 1979 kreeg de ondernemingsraad een zelfstandige positie met gedetailleerde regels om het zelfstandig functioneren te waarborgen, en bijzondere bevoegdheden, te weten het recht op advies en instemming.Het huidige raamwerk van de WOR heeft twee kanten. Een zelfstandige, gekozen ondernemingsraad waaraan rechten zijn toegekend en een bestuurder die verplicht is overleg te voeren en informatie te verschaffen. Het sluitstuk is een geschillenprocedure die het de ondernemingsraad mogelijk maakt tegen de eigen onderneming te procederen. Sinds 1979 heeft medezeggenschap een ingewikkelde dubbele doelstelling: in het belang van de onderneming is overleg nodig met een vertegenwoordiging van het personeel. Beperkingen en knelpuntenDeze WOR - een ingewikkeld en gedetailleerd compromis, totstandgekomen tijdens de regering Van Agt - is de afgelopen twintig jaar heel erg ingeburgerd. Aan het personeel en in de pers wordt steeds vaker de mening van de ondernemingsraad vermeld in de berichtgeving over een onderneming. Het werkingsgebied is vanuit de marktsector uitgebreid naar de 'non-profit' en later de overheidsinstellingen. Daar staat tegenover dat de feitelijke invloed op het ondernemingsbeleid zeer beperkt blijft. Ondanks enkele mooie voorbeelden van alternatief beleid, staat de raad meestal machteloos tegenover de grote beslissingen die bovendien steeds minder in de Nederlandse onderneming worden genomen. Ook het sterk verminderde animo om lid te worden, lijkt in tegenspraak met de brede acceptatie die de zelfstandige ondernemingsraad sinds 1979 heeft gekregen. Voor mij voldoende redenen om na te denken over een ander raamwerk voor de medezeggenschap dan het huidige. In het hier volgende zal ik eerst kort een aantal knelpunten bespreken. Daarna geef ik aan wat de drie pijlers kunnen zijn van een nieuw raamwerk voor democratisering. Tenslotte zal ik ingaan op het gebrek aan kandidaten en de verhouding tussen vakbond en ondernemingsraad, beide bezien vanuit dit voorgestelde raamwerk. WOR wringt aan alle kantenWat zijn zo enkele knelpunten in de huidige medezeggenschap? Allereerst de aangelegenheden die onder het advies- en instemmingsrecht vallen. De limitatieve opsomming daarvan is niet meer opgewassen tegen de aan de orde zijnde problemen. Het onderscheid tussen adviesplichtige en instemmingsplichtige onderwerpen is in de praktijk niet goed te maken en veel veranderingsprocessen hebben elementen van beide categorieën. De aangelegenheden waarover de ondernemingsraad geen bevoegdheden heeft, staan haaks op het gevoel van medezeggenschap (bijvoorbeeld: kwaliteitszorg, communicatie in de onderneming, openingstijden) en het aantal onderwerpen in de opsomming dijt maar uit. Verder komt het steeds vaker voor dat de ondernemingsraad ook zijn oordeel heeft over het ondernemingsbeleid en de bestuurder (opzeggen van vertrouwen), waarvoor de wet geen bevoegdheid biedt. Ten tweede is in de huidige wetgeving - ook al als uitkomst van een compromis - nauwkeurig afgebakend dat de vakorganisaties het eerste woord hebben over rechtspositie en arbeidsvoorwaarden en dat de politieke besluitvorming bij de overheid niet onder het adviesrecht valt. Dit primaat zorgt voor energieverslindende competentiegeschillen. Dergelijke geschillen komen ook voort uit een onduidelijke afstemming binnen concerns en divisies en uit de clausule die het adviesrecht beperkt tot besluiten voor verbonden ondernemingen die in het buitenland gevestigd zijn. Het derde knelpunt komt voort uit het ondernemingsbegrip. De meeste ondernemingen zijn geen zelfstandige eenheden meer. Steeds vaker berusten de toegeschreven verplichtingen op een fictieve bevoegdheid die de uitoefening van de rechten dubieus maakt. Ten vierde zijn er andere vormen van onderlinge afstemming, bijvoorbeeld door het werkoverleg en de teamvorming, waarmee de ondernemingsraad in concurrentie kan komen te staan. In steeds meer ondernemingen zijn teams de voornaamste werkeenheden geworden die, afhankelijk van het proces en het ondernemingsbeleid, zelfstandige regelbevoegdheden krijgen. Daar worden feitelijk veel zaken rondgemaakt over invulling van personeelsregelingen, werk- en pauzetijden enzovoort. Met deze vorm van directe zeggenschap - we praten even niet over de beperkingen - houdt de WOR geen rekening. De ondernemingsraad is immers het orgaan dat het personeel vertegenwoordigt en dus over al deze zaken op de werkvloer moet meebeslissen. Ten vijfde begrijpt de achterban nog minder dan de leden zelf wat nu de taken van de ondernemingsraad zijn (die er strikt genomen ook niet zijn), maar verwacht het personeel wel bemoeienis met kwesties waarvoor de WOR geen helder raamwerk biedt, bijvoorbeeld de behandeling van klachten. Het voornaamste probleem is volgens mij dat sinds 1979 de medezeggenschap als instituut een enorme vlucht heeft genomen, zonder dat deze ontwikkeling gepaard is gegaan met een evenredig toenemende inhoudelijke invloed. Het werk van ondernemingsraden wordt voor een groot deel bepaald door procedures met weinig invloed op beleid en weinig mogelijkheden tijdig in te springen op ontwikkelingen. Mijn voorstel voor een nieuw raamwerk is dan ook primair gericht op inhoudelijke invloed. Het kent drie pijlers. I. Taakstelling ondernemingsbestuurDe huidige WOR kent eigenlijk geen andere taak voor de ondernemer dan het bevorderen van de naleving van de wet en zorgen dat de ondernemingsraad zijn rechten kan uitoefenen. De eerste pijler van een nieuw raamwerk voor democratisering geeft de ondernemer naast taken betreffende de continuïteit van de onderneming (Burgerlijk Wetboek) en de doelen van de onderneming (statuten en instructies), ook taken die de verhoudingen en de communicatie in de onderneming op een doorzichtige manier vormgeven. Eerste taak - zorgen voor openbaarheid over verdeling van bevoegdheden, ook in concernverband.Tweede taak - instandhouden van ondernemingsraad en Wet op de Ondernemingsraden. Derde taak - afsluiten van ondernemingsovereenkomst. Een paar opmerkingen over die derde taak. Aan het begin van de zittingsperiode van de ondernemingsraad wordt een algemene ondernemingsovereenkomst afgesloten. Daarin worden afspraak vastgelegd over:
II. Sociale taakstelling ondernemingsraadDe tweede pijler van een nieuw raamwerk is de sociale taakstelling van de ondernemingsraad. Niet rechten, maar taken geven zin aan de ondernemingsraad. Ik noem:
III. Rechten personeelDe derde pijler wordt gevormd door de rechten van het personeel. Naast de waarborging van de individuele grondrechten, waaronder de individuele klachtenregeling, noem ik:
Motiverende factorenDe laatste jaren kampen ondernemingsraden met een tekort aan kandidaten en met onvervulde vacatures. Als verklaring wordt vaak gewezen op de toegenomen moeilijkheidsgraad van het werk in de ondernemingsraad en de veel tijd vergende voorbereiding. Binnen het raamwerk van de huidige WOR wordt dit probleem onder meer aangepakt door uitbreiding van faciliteiten, ambtelijke ondersteuning en betere bescherming tegen benadeling. Mijn voorstel bevat een andere benadering en reikt vier motiverende factoren aan.
Nieuwe taken vakbondenDe legitimiteit van de ondernemingsraad als vertegenwoordiging van het personeel kan niet meer serieus ter discussie staan. Belangrijker is dat de onderneming niet meer gezien kan worden als een strijdperk van twee partijen, waarbij voor alles de omgang tussen beide partijen gereglementeerd moet worden. Praktisch gezien is er sprake van een veelheid aan wisselende partijen bij werknemers en management. De huidige, op regulering gerichte benadering heeft bovendien drie fundamentele tekorten:
In mijn visie moet de rol van vakbonden vooral gezien worden vanuit de ideeën en activiteiten van individuele (kader)leden. Aansluitend daarop dient het begrip arbeidsverhoudingen gezien te worden vanuit - overigens snel veranderende - opvattingen over rechtvaardigheid, omgaan met veranderingen, waarde van werken, werkgelegenheid, kwaliteit van het werk en dergelijke. Met dat in het hoofd biedt het nieuwe raamwerk wel weer andere mogelijkheden voor overkoepelend vakbondswerk. Bij de eerste pijler valt te denken aan advisering over de uitwerking van een ondernemingsovereenkomst waarbij ervaringen binnen een bedrijfstak van belang kunnen zijn. Bij de tweede pijler is een voorlichtende en adviserende taak denkbaar, vooral op het gebied van sociaal beleid. Op verzoek van de ondernemingsraad kunnen vakbondsvertegenwoordigers als deskundigen voorlichting aan het hele personeel geven in de jaarlijkse personeelsvergadering. Voorlichten kan ook een taak zijn voor de bond bij de derde pijler, de rechten in de onderneming van individuen en groepen. Bij een dergelijke wijze van werken kan de bond in plaats van een steeds meer marginale 'regulator' een machtige 'zingever' worden van het handelen van (groepen) werknemers. KaderledenBelangrijker nog is de rol van individuele kaderleden. Organiseren op inhoud en niet op procedures, het voornaamste effect van het voorgestelde raamwerk, is een kunst die steeds weer opnieuw geleerd moet worden. Onderneming, werknemers en hun omgeving veranderen immers voortdurend, en daarmee verandert de inhoud van de belangenbehartiging. Daar staat tegenover dat het kaderlid dat deze kunst beheerst, veel meer betekenen kan voor de belangenbehartiging dan onder de huidige proceduregerichte WOR. Voorwaarden voor de vorming van (strijdbare) kaderleden zijn dan:
Kort samengevat, is mijn voorstel gericht op meer inhoudelijke invloed in de medezeggenschap, waarmee strijdbare vakbondsleden - wanneer zij dat wensen - hun extra waarde kunnen realiseren. Wim Schul |