nr. 106
maart 2002

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

'De nieuwe beweging' - zeven stellingen over de strijd tegen 'globalisering'

Internationale vakbeweging laat het grotendeels afweten

In de drie voorgaande nummers (september en december 2001 en februari 2002) deed Frans Geraedts verslag van een serie gesprekken over 'de nieuwe beweging'. Zijn gesprekspartners waren afkomstig van: ABVAKABO FNV, Anarchistische Groep Amsterdam, Autonoom Centrum, Eurodusnie, FNV Bondgenoten, Indymedia, Internationale Socialisten, Socialistische Arbeiders Partij, Socialistische Partij en XminY. Frans wilde vooral weten wat het 'nieuwe' aan de beweging is, wat de verschillende organisaties bond en onderscheidde. Wij hebben Marcel van der Linden, hoogleraar Sociale Bewegingen aan de Universiteit van Amsterdam, gevraagd de drie artikelen van Frans te lezen en zijn visie te geven op het wereldwijde verzet tegen de neoliberale globalisering. Hij doet dat in de vorm van een zevental stellingen.

Redactie

1. Sociale beweging

Het protest tegen de globalisering is een sociale beweging.

De laatste jaren zijn de protesten tegen de zogenaamde globalisering sterk toegenomen. Vormen deze protesten een sociale beweging? Ik denk het wel. Hoewel niemand precies weet wat sociale bewegingen zijn, is bijna iedereen het er wel over eens dat sociale bewegingen een paar kenmerken gemeenschappelijk hebben.

* De machtsbasis van sociale bewegingen is niet stevig. Ze hebben geen voorrechten of groot bezit. Ze moeten hun aanhangers steeds opnieuw mobiliseren en ervan overtuigen dat hun steun belangrijk is. De beweging is gedwongen 'in beweging' te blijven.

* Sociale bewegingen zijn geen eendagsvlinders. Zij bestaan op zijn minst een aantal maanden en soms vele jaren.

* In sociale bewegingen bestaat een duidelijk wijgevoel, een besef dat de beweging als groep van gelijkgezinden zichtbare tegenstanders kent.

* Mensen kunnen op velerlei manieren deelnemen aan sociale bewegingen; zij kunnen lid zijn van organisaties die bij de beweging betrokken zijn, spontaan meedoen aan acties en demonstraties, of op nog heel andere manier steun verlenen.

* Een sociale beweging is veelvormig. Zij omvat verschillende, soms ook onderling wedijverende, organisaties, en maakt gebruik van allerlei verschillende pressiemiddelen.

* Sociale bewegingen willen een belangrijk aspect van de maatschappij veranderen of zo'n verandering juist tegenhouden.

* Sociale bewegingen zijn vaak geen plaatselijke of regionale, maar nationale of zelfs internationale verschijnselen. Ze streven ernaar de autoriteiten (regeringen, multinationals, enzovoort) te beïnvloeden.

Wezenlijk voor een sociale beweging is het dynamische, veelvormige en vloeiende karakter ervan. Het feit dat niemand er volledig greep op heeft, terwijl er toch allerlei georganiseerde kernen in actief zijn. Al deze kenmerken zijn direct van toepassing op het protest tegen de globalisering.

2. Anders

De protestbeweging tegen globalisering is anders dan de meeste andere sociale bewegingen.

Het protest tegen globalisering is geen 'gewone' sociale beweging. Op de eerste plaats is de nieuwe beweging transnationaal. Misschien wel voor het eerst in de geschiedenis worden stelselmatig acties in verschillende werelddelen met elkaar in verband gebracht en, zoveel mogelijk, op elkaar afgestemd.

Op de tweede plaats is de beweging veel ongelijksoortiger dan eerdere bewegingen. Er zijn (vaak rechtse) activisten die tegen iedere globalisering zijn en er zijn (meestal linkse) activisten die een andere globalisering willen. Binnen de beweging komen organisaties voor zonder leden (de zogenaamde non-gouvernementele organisaties of NGO's) en organisaties met leden. Er zijn organisaties (met en zonder leden) die zich met het 'oude' protest bezighouden van de arbeidersbewegingen, en er zijn organisaties die meer belangstelling hebben voor het 'nieuwe' protest van vrouwenbevrijding, het milieu of de Derde Wereld.

3. Overwegend defensief

De protestbeweging tegen globalisering is overwegend defensief.

Het is al vaak geconstateerd: we zijn wel tegen de Wereldhandelsorganisatie, het Internationaal Monetair Fonds, enzovoort, maar overtuigende alternatieven zijn er nauwelijks. Ook de door ATTAC voorgestelde Tobin Tax biedt geen oplossing, want een belasting op flitskapitaal breekt op geen enkele manier met de logica van de kapitalistische economie. Goede antwoorden op nationaal niveau zijn er evenmin. Toen ik medio vorig jaar in Brazilië het hoofdkwartier van de Arbeiderspartij (PT) bezocht, bleek me dat ook deze organisatie voornamelijk defensief denkt. Mij werd zelfs (inofficieel) gezegd dat velen op een krappe nederlaag hopen bij de komende presidentsverkiezingen. Want als de PT het in Brazilië voor het zeggen zou krijgen, dan zou ze niet weten wat ze zou moeten doen en waarschijnlijk door meningsverschillen uit elkaar vallen.

De experimenten met gedemocratiseerde begrotingspolitiek in Kerala (India) of Porto Alegre (Brazilië) zijn natuurlijk belangrijk, omdat ze de hele bevolking laten meepraten over financiële prioriteiten, maar een inhoudelijke uitweg uit de globalisering bieden ook zij beslist niet.

4. Transcontinentaal

De protestbeweging tegen globalisering kan alleen duurzaam iets bereiken als zij transcontinentale organisatie- en actievormen ontwikkelt en werkt aan alternatieve plannen op wereldschaal.

Wil de beweging een flinke sprong voorwaarts maken, dan zullen er minstens twee dingen moeten veranderen. Op de eerste plaats zullen er naast het 'top-hoppen' en de overwegend symbolische acties ook dingen gedaan moeten worden die het wereldkapitaal echt pijn doen. Ik denk daarbij aan niet-gewelddadige acties die de speelruimte van multinationals beperken, of die handelsblokken (EU, NAFTA, enzovoort) dwingen meer rekening te houden met het milieu, de armen in de wereld, enzovoort. Zulke zwaardere acties zijn alleen mogelijk als er een duurzame samenwerking tussen activisten uit landen in verschillende werelddelen tot stand komt, waar ook grote organisaties met veel leden (op de eerste plaats de vakbonden) nauw bij betrokken zijn.

Op de tweede plaats moeten we concrete alternatieven ontwikkelen, een soort wereldbeleidsplannen die gebaseerd zijn op degelijk onderzoek. Zulke beleidsplannen kunnen een positieve, constructieve wending geven aan het protest en aan een breed publiek duidelijk maken dat de huidige globalisering niet onvermijdelijk is. Natuurlijk is het opstellen van zulke plannen moeilijk, omdat er tal van tegenstrijdige belangen in het geding zijn en moeilijke afwegingen gemaakt moeten worden, bijvoorbeeld tussen de belangen van loontrekkenden in de rijke landen en armen in de Derde Wereld. Daarom zouden we kunnen overwegen tegelijkertijd meerdere scenario's te maken die elkaar kunnen beconcurreren.

5. Internationale vakbeweging

De internationale vakbeweging zou daarbij een sleutelrol kunnen spelen, maar zij laat het grotendeels afweten.

Het wereldkapitaal kan niet zonder werknemers die goederen bedenken, produceren, verdelen en transporteren. Als deze werknemers via hun vakorganisaties internationaal het globaliserende kapitaal zouden tegenwerken, dan zou dat meer effect hebben dan menige symbolische actie. Maar die vakorganisaties zijn internationaal nogal tam. De internationale vakbeweging van het moment is een papieren tijger. De twee belangrijkste organisaties zijn het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen (IVVV), waartoe ook de FNV behoort, en het christelijke Wereldverbond van Arbeid (WVA). Beide organisaties samen tellen zo'n 150 miljoen leden (IVVV: 125 miljoen, WVA 25 miljoen). Ze zijn vooral sterk in de rijke landen en financieel afhankelijk van de vakcentrales in West Europa en Noord-Amerika. Ze richten zich vooral op de traditionele werknemers, dat wil zeggen de loontrekkenden in de industrie, het transport, de bouw en in mindere mate de banken en de dienstverlening. Loonafhankelijken uit de landbouw en de zogenaamde informele sector worden meestal verwaarloosd.

Internationale solidariteit bestaat tot nu toe overwegend uit mooie woorden, al is er één belangrijke uitzondering geweest, namelijk de internationale boycot van het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime in de jaren tachtig. Bovendien is de organisatievorm van de internationale vakbeweging dubbelop: naast de internationales van beroepsgroepen (bijvoorbeeld de Internationale Federatie van Transportarbeiders) zijn er de samenwerkingsverbanden van nationale vakcentrales.

IVVV en WVA denken nog steeds sterk vanuit de rijke landen. Als zij over hun achterban spreken, dan bedoelen ze gewoonlijk werknemers die a) één baas hebben, b) vrijelijk van baas kunnen veranderen als ze dat willen, en c) volledig bij de baas in loondienst zijn. Zulke werknemers komen in de wereld tamelijk weinig voor.

* Veel werknemers in de Derde Wereld en Rusland, maar ook migranten in West Europa hebben meerdere banen tegelijkertijd.

* Vooral in de Derde Wereld zijn veel arbeiders via financiële schulden of andere verplichtingen aan hun werkgever gebonden. De huisvesting van werknemers is regelmatig onderdeel van het arbeidscontract, enzovoort. Kortom: wat formeel een vrije arbeidsrelatie lijkt, is in de praktijk vaak aanzienlijk minder vrij.

* In veel gevallen brengt de werknemer een deel van de arbeidsmiddelen zelf in. Te denken valt bijvoorbeeld aan landarbeiders in India die hun gereedschappen (ploeg, en dergelijke) inbrengen en een stuk grond pachten. In arme landen (maar ook steeds vaker in rijke) komen talloze ZZP'ers voor (zelfstandigen zonder personeel), die officieel zelfstandige ondernemers zijn, maar die in feite flexibele arbeidskrachten voor bedrijven vormen.

Deze uitzonderingen op de regel zijn eigenlijk de regel. In India bijvoorbeeld bestaat de loonafhankelijke bevolking uit ongeveer 330 miljoen mensen. Van hen hebben ongeveer 25 miljoen een echte arbeidsovereenkomst. De met het IVVV verbonden vakbonden richten zich bijna uitsluitend op die laatste groep (en organiseren daarvan ongeveer een kwart). De vakbeweging laat dus meer dan negentig procent van zijn potentiële doelgroep buiten beschouwing.

Het is daarom niet gek dat IVVV en WVA samen slechts zo'n vijf tot tien procent van de loonafhankelijke wereldbevolking organiseren!

6. Fundamenteel hervormen

Als wij vinden dat de internationale vakbeweging alsnog een sleutelrol in het protest tegen globalisering zou moeten gaan spelen, dan dienen we haar fundamenteel te hervormen.

Het is de vraag of de huidige internationale vakbeweging de uitdaging van de globalisering aan zal kunnen. Op het eerste gezicht lijken er geweldige mogelijkheden te zijn. Het ligt voor de hand dat het totale aantal loonafhankelijken in de wereld ook de komende decennia zal toenemen, zeker absoluut en misschien ook relatief (als percentage van de wereldbevolking). Op de tweede plaats is de internationale vakbeweging minder verdeeld dan ooit tevoren. Zo is het Europees Vakverbond (EVV) sedert 1999 een koepel van iedereen, inclusief christenen en communisten! En op de derde plaats heeft de wereldwijde democratiseringsgolf van de jaren tachtig en negentig de speelruimte voor vakbonden vergroot, in elk geval voor de nabije toekomst.

Of de internationale vakbeweging deze kans tot groei effectief kan benutten, hangt sterk af van de manier waarop zij een aantal uitdagingen zal aanpakken. De arbeidersklasse van de nieuwe eeuw zal in toenemende mate te vinden zijn buiten de rijke landen. Het is dan ook van het allergrootste belang dat de werknemers in de Derde Wereld veel serieuzer worden genomen. Bovendien zal men moeten inzien dat de traditionele doelgroepen (werknemers uit de industrie, de publieke sector, enzovoort) op wereldschaal een tamelijk kleine minderheid van de beroepsbevolking vormen. Een meerderheid werkt in de landbouw en/of de informele sector. Traditioneel heeft de internationale vakbeweging zich, zoals gezegd, weinig met deze meerderheid bemoeid. Maar wil de beweging werkelijk invloed krijgen in de armere landen, dan zal zij voor deze sectoren nieuwe strategieën moeten ontwikkelen. En deze nieuwe strategieën zouden dan ook weer voor de rijke landen van belang kunnen zijn, omdat ook daar ZZP'ers en dergelijke groepen snel in aantal groeien. Tenslotte ondergaan ook de arbeidsverhoudingen in de meer traditionele vakbondsarena's (de publieke sector en industriële, bouw- en transportfirma's) grote veranderingen, die ik hier kort door de bocht samenvat als flexibilisering en informalisering.

Al deze ontwikkelingen zullen ertoe leiden dat de wereldvakbeweging in de 21ste eeuw ernaar zal moeten streven een andere achterban te krijgen dan ze had in de twintigste eeuw. De afgelopen tientallen jaren werd de beweging gedomineerd door witte mannelijke arbeiders uit westerse landen; maar het groeiende economische belang van nieuwe industrialiserende landen en de flexibilisering en informalisering van arbeidsverhoudingen zullen vermoedelijk de invloed van vrouwen en 'zwarten' in de mondiale arbeidersbeweging aanzienlijk vergroten. Tegelijkertijd zal de intensivering van globale connecties, onder meer door de voortgaande groei van transnationale bedrijven en de opkomst van het internet, aan het arbeidersinternationalisme een heel nieuwe inhoud kunnen geven.

De taken voor de internationale vakbeweging zijn al met al immens. De internationale vakbeweging van de 21ste eeuw zal:

* aantrekkelijk moeten zijn voor vrouwen en 'zwarten';

* zich thuis moeten voelen in de informele sector;

* niet hiërarchisch of bureaucratisch moeten zijn;

* bereid moeten zijn allerlei vormen van transnationale actie te ondersteunen en te bevorderen.

Waarschijnlijk zal de opbouw van een nieuw internationalisme heel moeizaam verlopen, met mislukte experimenten en tijden van diepe crisis. Organisatorische structuren en gedragspatronen die een eeuw lang hebben bestaan, kunnen niet gemakkelijk worden veranderd. En het is bovendien hoogst onwaarschijnlijk dat deze structuren en patronen tot stand zullen komen door hervormingen van bovenaf, via de centrale leidingen. Als er één ding is dat de geschiedenis ons leert, dan is het wel dat vakbondsstructuren zich bijna nooit geleidelijk en stap voor stap ontwikkelen. Over het algemeen zijn zij het resultaat van conflicten en riskante beslissingen. Druk van onderaf (via alternatieve netwerken en actiemodellen) zal van groot belang zijn bij deze ontwikkeling. Hoe deze druk er precies uit zal zien en of zij in staat zal zijn op tijd grote veranderingen te bevorderen, dat weet niemand. Maar we kunnen er natuurlijk wel toe bijdragen.

7. Andere organisaties

Bij de hervorming van de internationale vakbeweging kunnen andere organisaties uit de protestbeweging een belangrijke rol vervullen.

Sociale bewegingen hebben in het verleden een grote invloed gehad op vakbonden. Denk bijvoorbeeld aan de vrouwenbeweging die sedert de jaren zeventig veel organisaties heeft veranderd. Zo'n beïnvloeding is opnieuw mogelijk in de komende jaren. Maar dat vereist wel dat de tegenstanders van de huidige globalisering stelselmatig proberen de leidingen en achterbannen van de internationale vakbeweging te beïnvloeden. IVVV en WVA lopen gevaar achterhaalde organisaties te worden. En het wordt tijd dat iedereen daarvan doordrongen raakt.

Marcel van der Linden
(ABVAKABO FNV)