|
nr. 104 dec 2001 |
Solidariteit
Brussel - bijdrage aan Assemblee van UitgeslotenenEen beeld van de wegwerparbeid in NederlandWanneer vrijdag 14 december de d14 bussen uit Nederland in Brussel arriveren voor de demonstratie tegen het Europa van het neoliberalisme en tegen de nieuwe oorlog, dan ontmoeten zij delegaties van werklozenactivisten, vakbondskaderleden, migrantenorganisaties en vrouwengroepen. Vanuit heel Europa komen zij met enkele honderden op 11, 12 en 13 december in Brussel/Laken bijeen voor de Assemblee van Uitgeslotenen. Ooit begonnen met de roemruchte Euromarsen tegen armoede en sociale uitsluiting in 1997 en geïnspireerd door het veelvormige, militante en autonome werklozenverzet in Frankrijk, is deze jaarlijkse Assemblee een voorbeeld van een 'top van onderop' tegenover de Eurotop van regeringsleiders.De vorige Assemblee, december 2000 in Parijs, plaatste de problematiek van 'workfare' en 'precaire arbeid' op de agenda. Daarvoor waren twee aanleidingen. 1. De werkgelegenheidsprogramma's in Europa die op grote schaal werklozen tot arbeid dwongen tegen een loon op of onder het sociale minimum. 2. De selectieve toewijzing van werkvergunningen die een leger van geïllegaliseerde werkers vormde dat om te kunnen overleven geheel en al op de informele economie is aangewezen. Deze ontwikkelingen werden gezien als een verbreding van het strijdterrein van de Euromarsen en als een mogelijkheid de krachten te bundelen met de 'werkende armen'. Om tot een vergelijkende beoordeling in Europa te kunnen komen, werd de delegaties verzocht een eerste rapportage op te stellen over de situatie in hun land. Dit artikel vormt het raamwerk voor de bijdrage van de Nederlandse delegatie. Eerst worden de nodige kanttekeningen gemaakt bij het Nederlandse banenwonder, daarna wordt de paarse politiek kritisch beschouwd. HerverdelingHet polderlandse bestel van Nederland wordt in Europa gezien als een banenmachine. De banengroei betekent echter geen toename van de werkgelegenheid. Zij is voornamelijk het gevolg van een herverdeling van de reeds bestaande, betaalde werkgelegenheid over een groter aantal personen. Dit komt tot uitdrukking in de sterke toename van deeltijdbanen, die vooral door (herintredende) vrouwen worden bezet, en in de verdubbeling - van 5 naar 11 procent - van de flexibele banen. Het meest opvallend is de verhoogde participatie van (vooral getrouwde) vrouwen. Deze toename wordt meestal toegeschreven aan de emancipatie van vrouwen, hun individuele wens tot economische zelfstandigheid en maatschappelijke participatie. Veel minder aandacht krijgt het motief van de financieel economische noodzaak om het gezinsinkomen op peil te houden. Kijken we terug, dan werkte in 1976 één op de vijf vrouwen. Nu gaat het om bijna drie op de vijf. Het aandeel van vrouwen in de actieve beroepsbevolking steeg van 25 naar 40 procent. Niet alleen de actieve beroepsbevolking groeit, ook het aantal banen neemt toe. Tussen 1994 en 1999 met zo'n 900.000 stuks. Geschat wordt dat hiervan 160.000 banen (mede) door loonkostensubsidies zijn gecreëerd. Dit soort regelingen, die oplopen tot 75.000 gulden per baan, bereikt ongeveer 10 procent van de langdurig werklozen. Hoewel in sommige regelingen een inkomen tot 130 procent van het minimumloon mogelijk is, werkt het leeuwendeel 'met behoud van uitkering'. Een belangrijke reden daarvoor is dat door het deeltijdkarakter van de banen, een inkomen rond het sociaal minimum overblijft. DeeltijdbanenBij de genoemde stijging van de hoeveelheid banen, blijft het totale aantal jaarlijkse arbeidsuren ongeveer gelijk. Dat aantal wordt over anderhalf miljoen méér mensen verdeeld. Naast de algehele arbeidstijdverkorting (van 40 naar 38 en 36 uur) en een toename van vakantiedagen, is deze ontwikkeling slechts te verklaren uit het toegenomen aandeel van de deeltijdbanen en flexibele contracten. Tussen 1970 en 1996 is het aandeel van de deeltijdbanen verdubbeld naar 30 procent van het totaal aantal banen. In absolute cijfers is de toename van 600.000 naar 1,8 miljoen. En ruim driekwart (77%) van het deeltijdwerk wordt verricht door vrouwen. Hoewel vaste aanstellingen, ook in deeltijdwerk, vooralsnog een dominant verschijnsel blijven, groeit het aandeel van flexibele arbeidsovereenkomsten gestaag en ligt al op 12 procent. De helft daarvan wordt door vrouwen vervuld, waarmee zij als groep een dubbel zo grote kans lopen als mannen om in een flexibele arbeidsovereenkomst verzeild te raken. Voor jongeren is die kans overigens nog weer twee maal groter voor vrouwen. Op het gebied van deeltijdwerk en flexibele contracten loopt Nederland in Europa voorop. De genoemde banenexplosie, waarvoor veel politici zich graag op de borst slaan, is aan de langdurig werklozen voorbijgegaan. Het overgrote deel van de nieuwe en overwegend laag betaalde functies wordt door (herintredende en getrouwde) vrouwen vervuld. De werkloosheid onder migranten is ook gedaald, maar beduidend minder snel dan onder autochtonen. De kans op werkloosheid is voor migranten naar verhouding zelfs toegenomen. Grijs circuitMensen met weinig opleiding hebben momenteel nauwelijks kans op vast werk en inkomen. En onder deze categorie vallen steeds meer eerste en tweede generatie arbeidsmigranten. Zij maken naar verhouding vier tot vijf maal meer kans om werkloos te blijven dan autochtone werkzoekenden. Hun besteedbaar inkomen per huishouden ligt daarom ook beduidend onder het landelijk gemiddelde. Steeds vaker hebben zij meerdere baantjes nodig om een acceptabel inkomen te kunnen verwerven. Dit is vergelijkbaar met het gegeven dat menig huishouden tegenwoordig financieel slechts draaiende te houden is, als alle volwassen leden een inkomen inbrengen. Mensen die voor hun inkomen volledig zijn aangewezen op de zogenaamde illegale tewerkstelling - afgewezen vluchtelingen en geïllegaliseerde migranten - komen met name terecht in de land- en tuinbouw, de horeca, de bouw, het schoonmaakwerk en de stedelijke transport- en distributiesector. Deze werkgelegenheid concentreert zich voor een deel bij bedrijven van zogenaamde etnische ondernemers. Zij beschikken dan ook steeds vaker over een uitzendbureau of loonbedrijf dat de seizoengebonden bedrijvigheid van personeel voorziet; een bedrijvigheid die overwegend door autochtone ondernemers gerund wordt. Tenslotte groeit er in en rond de grote steden een grijs circuit van goedkope diensten en verzorging. Deze varieert van huishoudelijke hulp tot werkers in afhaalrestaurants, huiskappers en masseurs. Ondernemers profiteren van deze situatie door slechts de best geschoolde en meest gezonde en vitale mensen uit de bevolking aan zich te binden. Velen zijn in staat tot het betreffende werk, maar de geselecteerde groep doet het in een hoog tempo. Alle anderen, zo'n 30 procent van de beroepsbevolking, zijn wegwerparbeiders. Zij vervullen voor de ondernemer twee functies. Door hun aanwezigheid op de arbeidsmarkt oefenen ze een neerwaartse druk op de lonen uit en door hun inschakeling helpen ze de pieken van de seizoensarbeid op te vangen en maken zo periodes van economische groei mogelijk. SubsidiesHet beleid van de neoliberale coalitie van sociaal-democraten en (rechtse) liberalen op het terrein van werkloosheid en precaire arbeid had twee kenmerken. Ten eerste werden de uitkeringen bij werkloosheid laag gehouden en werd het de werklozen moeilijk gemaakt daar aanspraak op te maken. Ten tweede werd er voor gezorgd dat door generieke of specifieke maatregelen meer mensen in laagbetaalde functies tewerkgesteld werden. Generiek waren de loonkostensubsidies voor het scheppen of instandhouden van arbeidsplaatsen die rond het sociale minimum betalen. Specifiek was het beleid van volledig gesubsidieerde arbeidsplaatsen om jongeren en langdurig werklozen uit de werkloosheidsuitkering te halen of te houden. De effecten van deze maatregelen zijn nog nauwelijks geëvalueerd. In een studie komt Ive Marx tot de conclusie dat de werkelijke effecten er weinig toe lijken te doen. Zij verbaast zich erover dat de kosten van het beleid aanzienlijk zijn en soms per arbeidsplaats een veelvoud bedragen van de uitkering die de werkloze zou ontvangen. Welke beleidsdoelen ook worden beoogd, zo stelt zij, de betrokken werknemers gaan er zelden op vooruit. Een deel van hen raakt zelfs (negatief) gestigmatiseerd. (Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, 2001 - nummer 1) De generieke maatregelen (loonkostensubsidies) lijken zelden werkgelegenheid te scheppen en de extra middelen komen voornamelijk terecht bij grotere bedrijven en instellingen die de regelingen gebruiken als een uitbreiding van de proeftijd of om niet gesubsidieerde werknemers af te stoten. De kleinere bedrijven en instellingen die vanwege (vermeende) administratieve rompslomp geen gebruikmaken van de regelingen, verzwakken hun concurrentiepositie ten opzichte van de bedrijven die dat wel doen. Een belangrijk deel van de voor dit beleid aangewende financiële middelen komt overigens uit Europese sociale fondsen. OrganisatiesDe gevolgen van de neoliberale politiek van privatisering zijn ingrijpend. Collectieve diensten zijn in de uitverkoop gedaan en op voorzieningen als onderwijs en gezondheidszorg is bezuinigd. Dit beleid leidde tot een verdere inperking van de publieke ruimte en een ernstige verschraling van de publieke diensten ten gunste van de winsten van de aandeelhouders. De media en telecommunicatienetwerken komen geheel in handen van de commercie, het openbaar vervoer en de posterijen bestaan nog slechts voor de winst. In de (gezondheids)zorg en in het onderwijs zijn door jaren van bezuinigingen grote tekorten aan personeel ontstaan waardoor de kwaliteit danig achteruit is gegaan. De traditionele organisaties die zich sterk maakten voor werklozen en andere mensen in een kwetsbare positie, zoals de vakbeweging en de christen-democratische en sociaal-democratische politieke partijen, hebben zich bekeerd tot het neoliberalisme. Ze hangen een politiek aan die een grenzeloos vertrouwen heeft in de werking van 'de markt'; motor van economische groei en instrument van toedeling van rijkdom en welvaart. Het minimumloon, een laatste bastion van de zogenaamde verzorgingsstaat, staat onder vuur. Het wordt op indirecte wijze ondergraven door de gedwongen tewerkstellingprogramma's en de koppeling van legaal verblijf van vreemdelingen aan de exclusieve vraag van ondernemers. Hierdoor kunnen 'ongenode' arbeiders niet of moeilijk aanspraak maken op sociale rechten. Naast de vakbonden en politieke partijen tekent zich een bont geheel van kleine belangengroepen en strijdorganisaties af. Voor een deel zijn zij voortgekomen uit de mobilisatie van mensen die op de sociale wetgeving waren aangewezen en/of betrokken waren in sociale kwesties als de gelijkberechtiging van vrouwen en migranten. Daar tussendoor opereren onafhankelijke initiatieven en anarchistische groepen. Het Nederlands Comité Euromarsen is meer of minder een bundeling van deze groepen en probeert aansluiting te vinden bij maatschappelijke middengroepen en sympathisanten binnen de vakbeweging. Dominant is tot dusverre de stroming van mensen die de vakbeweging wil aanspreken op haar oorspronkelijke programma. Maar naarmate de maatschappelijke deling van 'kernarbeiders' en 'wegwerparbeiders' doorzet en bestendigt, kan verwacht worden dat sociale en culturele verbanden en initiatieven ontstaan die dit maatschappelijk verschil zowel zullen consolideren als betwisten. Jan Müter De Nederlandse banenmachine is voornamelijk een herverdeling van de bestaande werkgelegenheid over een groter aantal personen. Handvest voor eenheidHet Europese netwerk van de Euromarsen is de afgelopen vier jaar uitgegroeid tot een podium van discussie en ervaringsuitwisseling dat gemeenschappelijke politieke eisen formuleert in de richting van de Europese machthebbers. Een voorbeeld daarvan is de eis van Europees sociaal minimum inkomen. Daarnaast roepen de Euromarsen op tot een globalisering van onderop. Om daaraan gestalte te geven, is een groot aantal sociale bewegingen, vakbonden, organisaties en actiegroepen in Europa uitgenodigd om vrijdag 13 december in Brussel een gezamenlijk Handvest op te stellen dat een proces op gang brengt om 'naar elkaar toe groeien'. |