|
nr. 103 sep 2001 |
Solidariteit
Verborgen en vergeten geschiedenis - Parlementaire enquête 1887 *)Oude werklieden als een afgesleten paardBegin januari 1887 deed zich de unieke situatie voor dat Bernardus Heldt als lid van de parlementaire enquêtecommissie in Amsterdam twee van zijn bondscollega's kon ondervragen over de arbeidsomstandigheden in de meubelsector. Dat waren Johan Casper Siebenlist (37 jaar, beeldhouwer), wonende op de Lindengracht 107 en Dirk Selling (60 jaar, meubelmaker), wonende op de Lindengracht 186. Heldt was op dat moment voorzitter van de Meubelmakersbond en van de vakcentrale Algemeen Nederlands Werklieden Verbond.Siebenlist en Selling hadden na bespreking met de andere bestuursleden van Amstels Eendracht in hun omgeving in de Jordaan een onderzoek uitgevoerd om de parlementsleden beter geïnformeerd van dienst te kunnen zijn. Ze waren tot de ontdekking gekomen dat het niet meeviel om een kijkje te nemen in de bedrijven. Siebenlist: "Het is alsof men in valschemunters werkplaatsen moet doordringen, zoo zorgvuldig houden de meubelmakers alles geheim. Soms komt men niet verder dan de woonkamer." Hij vermoedt dat zijn vakgenoten onwillig zijn om anderen door hun woning in de werkplaats toe te laten. We mogen wel veronderstellen dat de werkplaats deel uitmaakte van de woning en dat de huurder of eigenaar zich schaamde voor de armoede. Zonder licht en luchtWat Siebenlist heeft gezien, stemt niet vrolijk: "Over het algemeen zijn de werkplaatsen zeer slecht. In de groote fabrieken is ruimte genoeg om te werken, maar daar leveren de machinerieën gevaar op. Aan de reiniging wordt niets gedaan; daarvoor is veelal geen tijd. Dit geldt ook voor mijne werkplaats; niettegenstaande mijn vak veel stof geeft, wordt niets of weinig gedaan om die te reinigen. Dan zijn ook vele werkplaatsen klein, bedompt, zonder licht en lucht. Ook zijn in vele werkplaatsen de hijschtoestellen in slechten toestand." In het beeldhouwvak werken veel jongens, meestal tussen de veertien en zeventien jaar, die schuurwerk doen. Ze moeten het vak nog leren. Waar een jongen een maand over doet, kan een patroon in acht dagen verrichten, "maar bij vergelijking van de verdiensten, is men wel zedelijk verplicht een jongen te gebruiken". Er wordt Siebenlist ook een vraag gesteld over de arbeidstijden. "Moeten die jongens lang werken?" Het antwoord van Siebenlist luidt: "Dat verschilt nog al, maar in den regel niet meer dan 72 uren in de volle week." En dan te bedenken dat Siebenlist van mening is dat zijn vak niet het slechtste vak is voor jongens om uit te oefenen. ThuiswerkSellings onthullingen zijn schokkend. Hij vult zijn vriend Siebenlist aan over de reden van de weigering die zij vaak ondervonden bij hun bezoek aan werkplaatsen. Het gerucht was vooruitgegaan "dat door de Meubelmakersbond een onderzoek naar de werkplaatsen zou worden ingesteld, en dat dengenen, die wij noemen thuiswerkers, die op een zoldertje of in een woonvertrekje of in een kelder - soms wel in natte kelders - een werkplaatsje opgeslagen hebben, de vrees bekropen had, dat wij daarin zouden doordringen, om er hen daarna wellicht uit te verdrijven". Ook al was het de beide bestuursleden van de Meubelmakersbond niet gelukt om overal binnen te komen, Selling en Siebenlist hebben zeker wel een honderdtal werkplaatsen bezocht. Ze hebben dus recht van spreken. In die slechte vertrekken werkt een patroon soms met zes of acht man. Selling: "Ja, vertrekken die er erger uitzien dan stallen, want een stal kan droog zijn en licht, maar dat zijn die hokken niet. Om maar eens te gewagen van mijn naaste buren op de Lindengracht. De eene maakt uitsluitend tafels, in den zomerdag soms met 5 knechts. Dan is er gebrek aan ruimte en moet men een gat in het dak maken waar de werkbank wordt doorgestoken, om zich zoo op het zinken plat te behelpen. Bij den tegenwoordigen slechten toestand werken er minder menschen, maar alles moet toch op dien bekrompen zolder gedaan worden, wat met het oog op het stoken niet zonder gevaar is. Een andere buur moet het beste deel van zijn woning, een opkamer, voor werkplaats gebruiken en daardoor slapen, huizen en leven in een nattig vunzig vertrek. Men kan het den beiden bejaarden menschen aanzien, dat zij hun leven lang in zulk een gat hebben doorgebracht, terwijl het beste gedeelte van hunne woning ingericht is voor het werk" Veertien tot vijftien uurSiebenlist wordt door Heldt nog doorgevraagd over de arbeidstijden van de jongens. En dan blijkt dat die in de zomer net als de volwassen werklieden werken van zes uur 's morgens tot acht of negen uur 's avonds. Siebenlist noemt de naam van het bedrijf Wegener, producent van vierkante schuiftafels op de Lindengracht 184 waar geregeld tweemaal per week op donderdag en vrijdag 's nachts wordt doorgewerkt. Door die lange werktijden wordt het de jongens bovendien onmogelijk gemaakt om de tekenscholen te bezoeken. De werkloosheid dwingt de arbeiders vanuit de thuissituatie te proberen brood op de plank te krijgen. Siebenlist: "Vele werklieden zijn op dit oogenblik broodeloos. De nood dwingt dus om alles aan te vatten. Velen gaan in een kelder, op een zolder of in hunne eigene woning voor zich zelven werken met of zonder patent. Heeft hij op die wijze wat gereed gemaakt dan tracht hij zijn werk te verkoopen." Hoe lager de prijs hiervoor, des te meer kans de thuiswerker heeft om tegen die prijs voor de patroon te kunnen blijven werken. De werklieden waren gewoonlijk zelf eigenaar van het gereedschap. Dat verklaart ook het gewicht dat zij toekenden aan een goede verzekering daarvan. Wanneer de meubelmakers een werkbank in hun woning plaatsten, konden ze verder zonder veel kosten meteen aan de slag. Wanneer zo'n werkman er een jongen bijnam, kreeg hij ineens de status van patroon. Wanneer de noodgedwongen zelfstandig geworden ambachtsman hard werkte en geluk had, kon hij zijn bedrijfje uitbouwen. Zijn positie en inkomen waren in het algemeen echter zo laag en onzeker dat hij sociaal en financieel gezien eerder tussen wal en schip raakte. Om die reden kon een dergelijke 'patroon' lid van zijn vakbond blijven. BesjeshuisAlle generaties komen aan de orde. Siebenlist over de oudere arbeiders: "Het lot der oude werklieden is in den regel dat van een afgesleten paard; de patroon ziet er af te komen, en dan is het besjeshuis de toevlucht." De bond ondersteunt via zijn pensioenfonds de rechthebbende tot een bedrag van hoogstens twee gulden in de week. Siebenlist die met de administratie van het pensioenfonds is belast, deelt mee dat het fonds thans een bezitting heeft van drieduizend gulden en dat ieder lid daaraan wekelijks drie cent contribueert. Heldt die de situatie kent, voegt er aan toe: "Ik doe opmerken dat het fonds onvoldoende is om alle leden te ondersteunen; dat er jaarlijks slechts een zeker bedrag aan ondersteuning kan worden verstrekt, zoodat de oudsten eerst eene beurt krijgen en de anderen moeten wachten tot de oudsten sterven." De ondervraging eindigt met de trieste mededeling van Siebenlist dat een werkman die veertig jaar bij een patroon had gewerkt bij zijn pensioen zo nadelig was behandeld dat zijn dood daaraan was toe te schrijven. Harry Peer *) Een kwaad leven. De arbeidersenquête van 1887. Heruitgave van de Enquête betreffende werking en uitbreiding der wet van 19 september 1874 (Staatsblad No. 130) en naar den toestand van fabrieken en werkplaatsen (Sneek, 1887), bezorgd en ingeleid door J. Giele, Nijmegen, 1981. |