|
nr. 103 sep 2001 |
Solidariteit
Nieuwe werkgelegenheid en armoede - gesprek met Paul de Beer"Alleen duurzaam werk biedt ontsnapping uit armoede"Het poldermodel heeft faam verworven als een geoliede banenmachine. Met als opbrengst een daling van de werkeloosheid en een blozende economie. Vakbonden roepen om vier procent en topmanagers kennen zichzelf royaal twaalf tot achttien procent loonstijging toe. Maar volgens Paul de Beer helpt de paarse mantra "Werk, werk en nog eens werk" niet tegen de armoede in Nederland. "De sterke banengroei in de jaren negentig heeft de armoede niet verminderd, omdat de meeste nieuwe banen terecht zijn gekomen bij mensen die niet arm waren. Voor zover mensen die wel arm waren, werk hebben gevonden, zijn velen hun baan om allerlei redenen weer kwijtgeraakt en daarmee ook niet duurzaam uit de armoede ontsnapt.""Ofschoon de laatste tien tot vijftien jaar het aantal banen enorm gegroeid is, zie je dat het aantal armen niet of nauwelijks gedaald is. De belangrijkste reden hiervoor is dat het overgrote deel van de banen de afgelopen jaren aan de armen voorbij is gegaan", zegt Paul de Beer, tot afgelopen september onderzoeker bij het Sociaal Cultureel Planbureau. "In de jaren negentig zijn er 1,3 miljoen banen bij gekomen. Maar daarvan zijn er slechts een paar honderdduizend toebedeeld aan uitkeringsgerechtigden. Bovendien is maar de helft van de mensen die een uitkering hebben, arm. Dus van die 1,3 miljoen banen heeft uiteindelijk een heel klein deel van de mensen geprofiteerd die vóór die tijd al arm waren." ArmoedeWanneer ben je eigenlijk arm in Nederland? Armoede is een relatief begrip; arm zijn in een rijk land als Nederland is totaal iets anders als in een derde wereld land. Paul: "In Nederland hanteren we als armoedegrens het sociaal minimum van het jaar 1979. Iedereen die nu een lagere uitkering heeft dan de bijstand in 1979 beschouwen we als arm. Dat betekent dat iedereen die thans afhankelijk is van een bijstandsuitkering, als arm wordt gezien. Want het huidige niveau van de bijstand zit zo'n 10 tot 15 procent onder het niveau van 1979." Vooral mensen met een bijstandsuitkering zitten onder de armoedegrens. En dat zijn deels bijstandsmoeders en deels langdurig werklozen. De bijstand is per definitie al een minimumuitkering. De WAO heeft verhoudingsgewijs een veel kleiner armoedepercentage; de mensen in de VUT zijn bijna nooit arm; en bij de AOW'ers is de laatste jaren de armoede sterk gedaald. Paul: "Het overgrote deel van de nieuwe banen is ondergebracht bij nieuwkomers op de arbeidsmarkt. En dit zijn vooral herintredende vrouwen, dus huisvrouwen die een deeltijdbaan zijn gaan zoeken, plus daarnaast ook schoolverlaters, afgestudeerden, dus jongeren die nieuw op de arbeidsmarkt zijn gekomen." Er zijn in Nederland 1,6 miljoen uitkeringsgerechtigden onder de 65 jaar. Van de 1,3 miljoen nieuwe banen zijn minder dan 100.000 het resultaat van speciale maatregelen, zoals via Melkert, Instroom en Doorstroom (ID), banenpool, WIW en WSW. "Maar", benadrukt Paul, "alleen de Melkert- en WIW-banen, ongeveer 80.000, kwamen voornamelijk terecht bij uitkeringsgerechtigden die arm zijn. Dat is dus niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat." Een deel van de mensen dat aan het werk gaat, doet dat in banen die te weinig opleveren om boven de armoedegrens uit te komen. Daarnaast gaan mensen vaak vanuit een uitkering weer aan het werk, maar de helft daarvan zit binnen vijf tot zes jaar weer zonder werk. Working poorHet verschijnsel 'working poor' associeert men - overigens niet ten onrechte - met de Verenigde Staten. Daar, en in andere landen!, leven veel mensen met een baan in armoe. In Nederland kennen we een wettelijk minimumloon. In de meeste CAO's, met uitzondering van de Horeca en de detailhandel, zitten de laagst betalende lonen nog daarboven. Dus met een vaste baan, hoe laag ook betaald, zit je - in ieder geval formeel - nog altijd boven de armoedegrens. Maar de armoede in de huishoudens waarvan de kostwinner werkt, is gestegen van 5 procent in 1990 naar 7 procent op het ogenblik. Dus in Nederland is volgens de opgestelde regels één op de veertien werkenden arm en stijgt het percentage. Vooral alleenstaanden en alleenstaande moeders behoren tot deze groep van de 'working poor'. Zij zijn vaak aangewezen op een deeltijdbaan, waarmee ze niet boven de armoedegrens uitkomen. En veel banen in de nieuwe werkgelegenheid zijn nu eenmaal deeltijdbanen, waarmee dus te weinig verdiend wordt om uit de armoede te blijven. ArmoedebestrijdingEr zijn twee wegen waarlangs armoede bestreden kan worden, via werk en via een verhoging van de uitkeringen. Het beleid van de armoedebestrijding liep de afgelopen jaren vooral via werk. In zijn proefschrift "Over werken in de postindustriële samenleving", recentelijk verschenen bij het Sociaal en Cultureel Planbureau, heeft Paul de Beer onder meer aan dit beleid aandacht besteed. "Ik heb laten zien dat werk veel minder bijdraagt aan de armoedebestrijding dan men had gehoopt. Maar als je zorgt dat de nieuwe banen vaker terechtkomen bij arme groepen, dan baat het wel degelijk. Dit kun je doen door de gesubsidieerde banen (Melkert- of ID-banen) uit te breiden. Maar het aantal mensen dat daarvoor in aanmerking komt, is zo klein dat het voorlopig niet veel zoden aan de dijk zet. Als je zorgt dat er meer uitkeringsgerechtigden op zo'n ID-baan komen en deze groep vervolgens daadwerkelijk kan doorstromen, dan is dat een goeie manier om armoede te bestrijden." Daarnaast zou het voor uitkeringsgerechtigden gemakkelijker gemaakt kunnen worden een deeltijdbaan te combineren met een gedeeltelijke uitkering. Nu is vaak het probleem dat mensen met een uitkering die alleen maar een deeltijdbaan kunnen aanvaarden, bijvoorbeeld bijstandsmoeders, er vaak niks of vrijwel niks op vooruit gaan. Want iedere gulden die verdiend wordt met de deeltijdbaan, wordt bijna onmiddellijk weer afgetrokken van de uitkering. Paul: "Mijn suggestie is daarom: Maak het aantrekkelijk om bijvoorbeeld twintig uur in de week te werken met daarnaast een gedeeltelijke uitkering; dan kun je misschien met zo'n deeltijdbaan boven de armoedegrens uitkomen. En juist omdat er zoveel van die banen bij komen, is dat met name voor bijstandsmoeders aantrekkelijk. Belangrijk hierbij is echter wel de prijs en beschikbaarheid van kinderopvang." De tweede weg om de armoede te bestrijden, loopt via een verhoging van de uitkeringen. Paul:"De afgelopen tien tot vijftien jaar hebben we zozeer de nadruk gelegd op 'werk werk werk' dat daardoor inkomensmaatregelen een beetje verwaarloosd zijn. Deze groep waarvan een flink deel arm is, kun je alleen helpen via inkomenspolitiek, door de uitkeringen te verhogen of door met belastingen of subsidies iets te doen." Het argument in de afgelopen jaren om dit niet of in beperkte mate te doen, was steeds dat mensen zo ontmoedigd zouden worden om te gaan werken. Bij een (relatief) hoge uitkering zou de prikkel ontbreken om aan de slag te gaan. Paul denkt daar als volgt over: "Dit is wel iets waarmee je serieus rekening moet houden, maar in elk geval niet, lijkt mij, voor de groep die toch al weinig kans heeft op een betaalde baan. Als je met mensen van bijvoorbeeld Sociale Diensten of uitkeringsinstanties spreekt, zeggen die tegenwoordig altijd: 'er is een flinke groep uitkeringsgerechtigden die niet meer aan het werk komt, ook als de bomen economisch tot in de hemel blijven doorgroeien'. Waarom zou je dan aan die groep, bijvoorbeeld de mensen die langer dan drie of vier jaar in de bijstand zitten, niet een extra toeslag geven?" Belastingtegemoetkoming"Ook voor de 'working poor' lijkt het me wenselijk te proberen een beleid te ontwikkelen. Dan kun je het beste denken aan de zogenaamde Earned Income Tax Credit (EITC). Dit is een belastingtegemoetkoming aan mensen met een betaalde baan. In de Verenigde Staten wordt deze 'tax' al een aantal jaren vrij succesvol toegepast. In Nederland is het bij voorstellen gebleven. Het komt er in feite op neer dat je voor iedere gulden die je zelf verdient met werk, een kwartje als een soort van toeslag van de belastingen krijgt uitbetaald. Dus in plaats van belasting betalen over het loon dat je verdient, krijg je juist meer geld. Dit gaat tot een bepaald loon, daarna gaat het weer dalen. Daarmee bouw je een extra prikkel in om bepaalde banen te aanvaarden." In de jaren negentig heerste bij velen in de politiek de overtuiging dat de 'fout' van de jaren zeventig en tachtig om de uitkeringen te verhogen niet herhaald moest worden. Werk scheppen moest de hoogste prioriteit krijgen. Paul: "Het is een politiek heel dominante opvatting geweest dat je alleen via werk sociale problemen kunt oplossen. En dat is nu nog steeds het belangrijke argument waarom een extra verhoging van de uitkeringen op veel politieke weerstanden stuit. Ik hoop dat nu geleidelijk aan het besef doordringt dat je niet met werk alleen voldoende aan het probleem van de armoede kunt doen." Het taboe over armoede is verdwenen. Tot het begin van de jaren negentig werd voortdurend ontkend dat er zoiets als armoede bestond. Daarin is verandering gekomen, het gesprek is gaande en een beleid wordt ontwikkeld. "In die zin, denk ik, dat er sprake is van vooruitgang. Maar betekent het nu dat daadwerkelijk zoveel aan het armoedeprobleem gedaan wordt? Ik heb mijn twijfels. Er is in ieder geval minder aan gedaan dan had gekund", concludeert Paul de Beer. Gerard Raemaekers Van het proefschrift "Over werken in de postindustriële samenleving" komt in oktober van dit jaar bij de SUN in Nijmegen een gepopulariseerde versie uit: "Werken, een uitgewerkt medicijn?" |