nr. 101
mei 2001

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

NS, een rotzooi zonder dat er een feestje is geweest - krachtsverhoudingen

Bond rijp voor intensive care

Vlak voor dit nummer naar de drukker ging, werd bekend dat de leden van FNV Bondgenoten het onderhandelingsresultaat van 23 april hebben afgewezen. Bij een opkomst van zo'n 10 procent was het verschil tien stemmen. Verrassend is deze uitslag niet, al een tijdje was duidelijk dat het er om zou hangen, maar in combinatie met de schamele opkomst is de bond inmiddels rijp voor de intensive care. Beademing is nodig, een lange revalidatieperiode staat te wachten.

De vraag hoe het zo ver met een bond kan komen, is in Solidariteit vaak aan de orde geweest. Voor dit moment laten we die rusten.Wel zullen we trachten een balans op te maken van de krachtsverhoudingen waarin het rijdend personeel van NS zijn gevecht voert voor volwaardig en veilig werk en openbaar vervoer.

Akkoord zonder inhoud

Om te beginnen een enkele opmerking over het bewuste onderhandelingsresultaat. Er mag dan lang - en altijd maar weer nachtelijk - over onderhandeld zijn, het mag getypeerd zijn als een akkoord zonder winnaars en onder hevige druk tot stand gekomen, meer dan een rijtje beloften en voornemens en een bevestiging van bestaande rechten was het niet. En alsof dat niet pijnlijk genoeg was, bleef uitgerekend datgene waar het gevecht al tijden over ging, namelijk de invoering van een nieuw roostersysteem, onaangetast. Wel kon de ondernemingsraad, nadat dit systeem al enige tijd gedraaid zou hebben, met een alternatief komen. De essentie van de directieplannen moest echter gespaard blijven.
De reacties van de direct betrokkenen beloofden niet veel goeds. Bij de personeelscollectieven varieerden ze van "Het is helemaal niets" (Arnhem) tot "Wij zijn verraden" (Amsterdam). De voorzitter van de ondernemingsraad, Gerard Wold, was medeonderhandelaar en gaf voor alle zekerheid een diplomatiek commentaar: "Er is weer een balans gevonden tussen de bedrijfseconomische aspecten en de kwaliteit van de arbeid." De onderhandelaarster van NS maakte daarvan dat de kwaliteit van de arbeid al duidelijk verbeterd was. Voor haar partner van FNV Bondgenoten, Andries van den Berg, lag het allemaal wat moeilijker. Hij sprak van "een akkoord zonder inhoud", omdat het niet verder ging dan "richtlijnen voor de toekomst", was niet in een feeststemming, moest met NS verder en trok zijn handen af van de roosterplanning: "Eigenlijk is het raar dat we ons als bonden daarmee bemoeid hebben."

Gegeven deze commentaren is het de vraag waarom FNV Bondgenoten dit akkoord heeft afgesloten. Het antwoord van Van den Berg luidde: "We beseften allemaal dat we de bodem bereikt hadden met dit bedrijf. Dat het niet erger kon worden. Dan kan je je kapot staken, maar daar heeft niemand wat aan. Op zo'n moment kan je niet veel anders dan een akkoord met elkaar sluiten." (citaten ANP, 23 april 2001)

Sociale bewaking

Wel of geen vader van eigen gedachten, Van den Berg bewees het deel van de natie dat de sociale vrede bestuurt een belangrijke dienst. Het politieke krachtenveld stond al een tijdje onder stroom en een beheerste pacificatie was gewenst.
Stekelenburg en Blankert waren door NS-baas Huisinga genegeerd. Deze 'man van staal' zei behalve steeds "nee", ook niet te weten hoe hij uit het conflict moest komen. Netelenbos had de raad van commissarissen van NS niet in het gareel kunnen krijgen; een niet onbelangrijke machtsfactor en een zeer herkenbaar gezelschap met de oud-toplieden van Philips (Timmer), KLM (Bouw) en ABN Amro (Kalff). Volgens Kok vertoonde de situatie bij NS "bizarre trekken, de ene staking is nog niet afgelopen of de andere komt er weer aan. Dat is zo on-Nederlands. We zijn dat niet gewend en houden er ook niet van. Het geduld is niet eindeloos." (NRC Handelsblad, 13 april 2001) De Waal timmerde de sociale bewaking af en zei naar boven geruststellend en naar beneden waarschuwend: "Stakingen zijn slecht voor ons imago." (FNV e-Magazine, 11 april 2001)
Terwijl arbitrage, inperking van het stakingsrecht en andere ordemaatregelen hoog scoorden, kregen de strijdbare en inventieve machinisten en conducteurs, en hun personeelscollectieven, weinig steun. Met veel geduw en getrek hadden de leden in de sector personenvervoer van FNV Bondgenoten na een lange crisisvolle periode, scherpere onderhandelingen en uiteindelijk stakingen afgedwongen. De rest van de vakbeweging was helaas slechts toeschouwer. FNV Bondgenoten opende een klachtenlijn voor reizigers, verspreidde af en toe 'flyers' en dat was het. Initiatieven om één of andere vorm van solidariteit te organiseren, bleven uit. Zowel naar andere sectoren binnen de bond als naar andere bonden (AbvaKabo, gezondheidszorg!). Toegegeven, een dergelijke verbreding is de laatste jaren ongebruikelijk in de Nederlandse vakbeweging. Maar juist in deze publieke sector met directe en massale publieke effecten van acties zou een strategie van brede informatie en mobilisatie in het eerste hoofdstuk van het draaiboek moeten staan.

De positie van FNV Bondgenoten samengevat, zien we twee processen: aan de ene kant pogingen de oplopende strijdbaarheid via een akkoord binnen de grenzen van de sociale rust te brengen en aan de andere kant tot de sector van het spoor te beperken.

Categoraal

Dat de strijd binnen de grenzen van de sector bleef, heeft ook te maken met de categorale oriëntatie van machinisten en conducteurs die niet alleen heerst bij de VVMC, de vakbond voor rijdend personeel. Daarmee bedoelen we een belangenbehartiging gebaseerd op een sterke binding aan het beroep, het bedrijf en de sector. Een sociale identificatie die meer gericht is op de bedrijfstak dan de maatschappij, meer op de bond dan de vakbeweging, meer op de deelsector dan de collega-werknemers, meer op het vak dan de klant. Het bestaan van de VVMC, die evenals FNV Bondgenoten ongeveer de helft van het georganiseerde rijdend personeel vertegenwoordigt (elk 3.000 van de in het totaal 7.000), is grotendeels te herleiden tot een dergelijke 'smalle' opvatting van werknemersbelang en vakbond. De vraag 'wie is hier het beste in' wordt dan onvermijdelijk, en daarmee de rivaliteit tussen de twee bonden die met name tot openlijke ruzies tussen de bestuurders heeft geleid.
Toch is hiermee de positie van de VVMC slechts ten dele verklaard. Ze organiseert ook mensen die een radicalere koers dan die van FNV Bondgenoten voorstaan tegenover de serie reorganisaties van de NS-directie. Het is vooral deze groep die grote moeite heeft met het onderhandelingsresultaat dat vreemd genoeg het sterkst door de onderhandelaar van de VVMC verdedigd is.("We hebben 100 procent binnen wat we wilden, behalve de invoering van het dienstrooster.)" Wanneer, zoals de berichten luiden, de meerderheid van de leden met dit resultaat instemmen, komt ook deze bond in een penibele situatie terecht.

De vraag is of de personeelscollectieven die al zo'n unieke rol hebben gespeeld de crisis in beide bonden kunnen opvangen.

Alternatief

In de personeelscollectieven hebben leden van FNV Bondgenoten en VVMC plaatselijk samengewerkt en hun bonden opgestuwd naar acties en stakingen die "gansch het raderwerk" in verwarring brachten. Het leek er zelfs op dat de collectieven met hun slagvaardigheid, elektronische basisdemocratie en strijdbaarheid een alternatief voor de bonden vormden. Hoewel ze tot gemeenschappelijke initiatieven kwamen en momenten van een landelijke organisatievorm kenden, zijn de collectieven toch vooral groepen die op een kritische manier binnen de bonden opereren. Een illustratie daarvan is de (tijdelijke) opheffing om de bonden meer handelingsruimte te geven ten tijde van de bemiddelingspoging van Stekelenburg en Blankert. Bovendien worden er discussies gevoerd om op een ietsje langere termijn als waakhond binnen de bonden te functioneren en bijvoorbeeld op het terrein van de spoorwegveiligheid als klokkenluiders informatie te verzamelen en openbaar te maken.
Hun ongrijpbaarheid is tot nu toe een kracht gebleken die zowel voor de NS-directie als de bonden een steen des aanstoots was. Tegelijkertijd ligt daarin een kwetsbaarheid opgesloten. Deze werd merkbaar in hun afnemende activiteiten in de stilteperiode vlak voor het onderhandelingsresultaat van 23 april en de weken daarna. Nu een nieuwe fase is aangebroken, is het onzeker of zij zich kunnen herpakken, de opgelopen frustraties kunnen overwinnen en een gemeenschappelijke organisatievorm - en vooral strategie - ontwikkelen. Het is te hopen dat de collectieven de gelegenheid nemen en krijgen zich hierop te beraden en over de sores van beide bonden heen kunnen stappen. Dat betekent dat lidmaatschap, en verandering daarin, van de ene of de andere bond geen rol speelt, dat over de grenzen van het spoor gekeken wordt en plannen worden gemaakt om de sympathie van de reizigers te heroveren. Het vraagstuk van de onveiligheid kan daarbij, bijvoorbeeld in samenwerking met het reizigerscollectief, een uitstekend aangrijpingspunt zijn.

Met de personeelscollectieven kunnen de leden van FNV Bondgenoten ook nog met het volgende scenario geconfronteerd worden. Al of niet in strijd met het advies van de sectorraad kan besloten worden de afwijzing van het onderhandelingsresultaat te negeren. De instemming van VVMC en CNV Bedrijvenbond kan daarbij als schaamlap dienen. Niet ondenkbaar, wel zeer bedenkelijk. De revalidatie zal dan met veel pijn gepaard gaan.