Welkom
Ingezonden
Solidariteit "ingezonden"

Besluit Algemene Vergadering AOb - 15 juni 2012

Te vroeg voor een ja of nee over de Nieuwe Vakbeweging

Op maandag 10 juni 2012 presenteerden de kwartiermakers onder voorzitterschap van Jetta Klijnsma de definitieve versie van De ontwikkeling van de nieuwe vakbeweging. Het hoofdbestuur van de AOb vindt de nieuwe versie een verslechtering ten opzichte van het concept werkdocument, dat eerder al teleurstellend werd genoemd.

In Dalfsen sloten de negentien FNV-bonden een akkoord waar de AOb zich met enig enthousiasme achter schaarde: er moest een vernieuwingsoperatie komen die zou leiden tot meer autonomie van onderop. De kwartiermakers werd gevraagd dat voorstel uit te werken, zodat er niet alleen sprake zou zijn van vernieuwing, maar dat er een werkend perspectief zou zijn voor andere organisaties om zich aan te sluiten bij wat als werktitel had 'de nieuwe vakbeweging'.

Cruciale onduidelijkheden

Helaas is het tegendeel gebeurd. In plaats van vernieuwing leiden de voorstellen tot een afvalrace. Zoals het er nu uitziet, zullen niet alle negentien bonden meedoen. De AOb betreurt dat in hoge mate. Echte vernieuwing vanuit autonome sectoren zou kansen bieden op aantrekkelijker sectoren die dichter bij de leden staan, op ledengroei en samen tot een krachtiger vakcentrale op koepelorganisatie.

Helaas zien we dat voorstanders van de 'ongedeelde vakcentrale' - een centraal model met minder autonomie aan de basis - die koers als enig mogelijk toekomstmodel beschouwen en als voorwaarde voor vermeende vernieuwing. Iets wat naar de mening van het hoofdbestuur mogelijk nieuwe deelnemers van 'de nieuwe vakbeweging' eerder afschrikt dan aantrekt.

Omgekeerd verzet de AOb zich niet tegen bonden die wel voor zo'n model kiezen. Bonden die verregaande samenwerking zoeken - bestuurlijk, qua dienstverlening, werkorganisatie -- kunnen dat doen, wanneer hun leden dat een goed idee vinden. De AOb zou met zulke bonden in een centrale koepelorganisatie prima kunnen samenwerken op punten waar zij elkaar kunnen versterken. Dat kunnen gemeenschappelijke acties zijn, een gezamenlijk weerstandsfonds, vertegenwoordiging in de SER of lobby in Den Haag. Maar er kunnen ook momenten zijn waarop de AOb eigen accenten legt en andere keuzes maakt. Dat moet in een diverse en democratische vakbeweging allemaal kunnen.

De AOb moet op dit moment beslissen over deelname aan 'de nieuwe vakbeweging', terwijl er nog cruciale elementen onduidelijk zijn in het advies van de kwartiermakers:

  1. de voorwaarden voor een oprichtingsakte zijn onbekend,
  2. de nieuwe naam is onbekend,
  3. de beoogd voorzitter in het transitieproces is onbekend,
  4. de precieze verdeling van bevoegdheden tussen koepel en bonden is onbekend.
Daardoor is een keuze voor of tegen eigenlijk onmogelijk. Vooralsnog - zonder nieuwe spelregels - gaat het hoofdbestuur van de AOb daarom uit van de statuten van de FNV, met de daarin afgesproken regels.

Zes voorwaarden

Het hoofdbestuur vraagt aan de algemene vergadering machtiging deel te nemen aan vervolgstappen van het vernieuwingsproces, wanneer aan de volgende zes voorwaarden is voldaan:

  1. Autonomie betekent autonomie: het akkoord van Dalfsen was volkomen helder en stelde "de beroepsgerichte vakorganisaties zijn autonoom en opereren binnen de verbindende structuur van De Nieuwe Vakbeweging ". Dat betekent dat beroepsgerichte vakorganisaties een juridisch zelfstandige rechtspersoon (vereniging) zijn die zelf over hun financiën beslissen (contributiehoogte en bestemming), zelf eigenaar zijn van hun ledenbestand en zelf besluiten nemen over naam en huisstijl. Herverdeling van domeinen en opsplitsen van zeer grote bonden in kleinere, voor mensen op de werkvloer herkenbare eenheden, zoals voorgesteld in Dalfsen, maakt de vakbeweging weer aantrekkelijker.
  2. Van onderop betekent van onderop: die autonome vakverenigingen kunnen zich aansluiten bij een centrale/koepel en met de andere deelnemers daarvan afspraken maken over gemeenschappelijke kosten en gemeenschappelijke activiteiten. Vanzelfsprekend laat de vakorganisatie weten bij welke centrale deze hoort, zoals de AOb nu in publicaties vermeldt 'aangesloten bij de FNV'. Onderlinge solidariteit is daarbij vanzelfsprekend. Nu wordt die onder meer vormgegeven binnen het weerstandsfonds, waarin alle bonden, groot en klein, een vast bedrag per lid afgedragen. De AOb draagt al jaren (met uitzondering van 2012) meer af dan dat zij aan actiekosten declareert.
  3. Houd de structuur van de koepel simpel: leden voelen zich verbonden met hun bond, nauwelijks met de vakcentrale, zo blijkt uit een enquête onder leden. Houd daarom de structuur van de koepel simpel. Het ledenparlement en de bevoegdheden daarvan doorkruisen de autonomie van de aangesloten bonden. Maak van de ledenraad een controlerend orgaan en schrap de adviesraad of het auditcommittee. De interne machtsverhoudingen (één stem per bond, naar rato van het ledenaantal, al dan niet met maximum) moeten verder worden doordacht.
  4. De naam FNV is nog steeds een sterk merk: hoewel de huidige interne vertrouwenscrisis een terugslag betekent, is de FNV nog steeds een sterk merk. Zodra deze crisis voorbij is, kan gewerkt worden aan het terugwinnen van vertrouwen en kracht. Naamswijzigingen betekenen dat er lang aan herkenbaarheid van de nieuwe naam gewerkt moet worden.
  5. Wees zuinig met contributiegelden: AOb-leden vinden de huidige contributie redelijk, maar vinden niet dat deze hoger kan worden. De AOb wil dat de afdracht aan centrale organisatie en weerstandsfonds op het huidige niveau blijft. Werkgeversbijdragen zijn van de bonden en worden gebruikt voor dienstverlening aan de leden kunnen niet door het centrale ledenparlement voor andere zaken worden benut.
  6. Concentreer rol vakcentrale op kerntaken: leden verwachten dat de vakcentrale zich maar met een beperkt pakket bezighoudt, zoals vertegenwoordiging in Den Haag, bij werkgevers en in Brussel, met een klein expertisecentrum op het terrein van arbeidsrecht en sociale zekerheid. Excelleer in deze kerntaken als vertegenwoordiging, kennis en lobby en ga geen andere diensten aanbieden die interessant lijken, maar die aandacht, energie en middelen weghalen van de kerntaak of leiden tot contributieverhoging.