welkom
extra
Solidariteit

Serie "Alles over de oudedagsvoorziening" - deel 3

De tweede pijler van de oudedagsvoorziening

Sjarrel Massop

De vorige bijdrage van deze serie ging over de verhouding tussen de AOW en het aanvullende pensioen, dus tussen de eerste pijler van het stelsel, de AOW, en de tweede pijler, het aanvullende pensioen. Op de laatste gaan we in dit deel drie dieper in: de pijler waarover al lange tijd tot en met vandaag veel commotie bestaat. Het is een complete financiŽle industrie geworden, waarop het zicht geheel zoek is. Ook het beheer over de middelen laat veel te wensen over, evenals de bemoeienissen van de overheid.

Het aanvullend pensioen (gemakshalve: 'het pensioen') heeft met een wet in 1922 een lange geschiedenis. Toen werd een Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds opgericht, de voorloper van het huidige ABP, een fonds exclusief voor ambtenaren. Dit heeft redelijk lang stand gehouden. In 1966 kwam er een nieuwe pensioenwet die later twee keer is aangepast, in 1995 en in 2007.

Pensioenfonds

Het pensioen is een aanvulling op de AOW, het staatspensioen, en wordt tegelijk met de AOW uitgekeerd - dat was met 65 jaar. Het wordt door werknemers en werkneemsters tijdens hun werkzame leven opgebouwd, waarbij zij samen met werkgevers voor de premie zorgen. Het is dus een spaarsysteem. Het pensioen is een arbeidsvoorwaarde: uitgesteld loon.1 Het gespaarde geld wordt gestort in een fonds: een pensioenfonds dat let op de ingelegde premies en zorgt voor de uitkeringen wanneer de werknemers met pensioen gaan.
Het pensioen verschilt met de AOW, omdat het pensioen een systeem is van kapitaaldekking. De AOW functioneert volgens een omslagstelsel, omdat het direct in werking is gesteld.2 Er kon niet lang gespaard worden om een volwaardig inkomen bij elkaar te brengen. Dus is er voor directe invoering gekozen, zowel voor de premie heffing als voor de uitkering.

Foto van riante woontoren

De pensioenpremies worden arbeidsvoorwaardelijk contractueel vastgelegd en beheerd door de pensioenfondsen. In Nederland zijn er veel van dergelijke fondsen. Oorspronkelijk waren er meer dan 500, inmiddels teruggegaan naar zo'n 250. Dat heeft twee redenen.
Ten eerste, fondsen sterven een 'natuurlijk dood'. Een voorbeeld is het pensioenfonds van de mijnwerkers. Een beroepsgroep die in Nederland niet meer bestaat, het fonds eindigde op het moment dat de laatste deelnemer (met rechten) kwam te overlijden. Ten tweede, pensioenfondsen gaan over in grotere fondsen. Zo waren er in de staal- en metaalindustrie vele fondsen die later samen het Pensioenfonds Metaal en Techniek (PMT) vormden. Er zijn ook bedrijfsspecifieke pensioenfondsen, een voorbeeld is het nog altijd bestaande fonds van de Hoogovens dat niet overgegaan is naar het PMT.
Momenteel zijn er in Nederland drie grote pensioenfondsen: het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) voor ambtenaren, het Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW) voor alle mensen die in de zorg werken, en het al genoemde PMT. Bedrijven zijn vrij te kiezen bij welk pensioenfonds ze zich aansluiten.

Toezichthouder

De pensioenfondsen hebben drie taken: 1) de inning van de premies 2) het beheer van het vermogen, 3) de verzorging van de uitkeringen. De fondsen zijn een zelfstandige organisatie, vaak een stichting, die zorg draagt voor de uitvoering van de taken. Ze worden gecontroleerd door een zogenoemd verantwoordingsorgaan (VO), waarin vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers zitten. Gelijkelijk verdeeld, oftewel paritair.
Eigenlijk zouden de VO's nog over een vierde taak dienen te beschikken: de controle of iedereen zijn premie heeft afgedragen. Vooral ten opzichte van de werkgevers van belang, omdat niet inzichtelijk is of ze dat wel doen.

Foto fietser op koord

Sinds de pensioenwet van 2007 is er een formele toezichthouder op het reilen en zeilen van de fondsen. Deze is ondergebracht bij De Nederlandsche Bank (DNB) met een tweeledige taak: a) beoordeling of de mensen in de verantwoordingsorganen de capaciteiten hebben om de uitvoerders van de fondsen te controleren, b) vaststelling of het vermogen van de fondsen goed beheerd wordt. Daartoe beschikt de toezichthouder DNB over een instrumentarium: het beruchte Financieel Toetsingskader (FTK).3
De overheid heeft zo, sinds 2007 een reŽle positie ingenomen in de pensioenwereld. Het lijkt een 'technische' aangelegenheid, neutraal en objectief, maar dat is niet het geval. De overheid, waar het de wetgeving betreft, is een politiek orgaan dat afhankelijk is van politieke verhoudingen en kan dus de ontwikkelingen van de pensioenen sterk beÔnvloeden. De werkgevers zijn hiervan altijd een voorstander geweest, zeker vanwege de sympathie die ze voelen voor meer liberale regeringen. De werknemers waren altijd kritischer, helaas zijn de vakbonden ook hierin overstag gegaan. Met vele gevolgen van dien. Daarover meer in de volgende delen van deze serie.

Uitkeringen

De derde taak van de pensioenfondsen - verzorging van de uitkeringen aan de gepensioneerden - kent voor ieder gelijke regels die overigens niet wettelijk vastgelegd zijn. De hoogte van de uitkering is dat wel, oorspronkelijk 70 procent van het eindloon, het laatstverdiende loon, inclusief de AOW.
De deelnemers aan het pensioenfonds betaalden maandelijks 1,75 procent (opbouwpercentage) van hun inkomen aan pensioenpremie en begonnen daarmee op 25 jarige leeftijd, 40 jaar lang, tot hun 65-ste. Dat komt uit op 40 maal 1,75, dat is 70 procent van het laatst verdiende loon. Omdat het een aanvulling op de AOW is, gaat deze van de uitkering af. Dit heet de AOW franchise ('contract').

Omdat gepensioneerden geen sociale lasten en premies meer betalen, is deze 70 procent feitelijk gelijk aan het laatst verdiende loon. De prijsstijgingen die zich in de loop van de veertig jaar hebben voorgedaan, zijn door de aanpassingen van de lonen al verrekend in de uitkering, dus is er geen prijscompensatie (indexatie) meer nodig. Uiteraard wel na de pensionering, als er al sprake is van een aanvullende uitkering. Immers dan is er geen loon meer dat gecompenseerd wordt. Daarentegen is een voordeel dat de pensioenpremie betaald wordt over het brutosalaris, dus zonder belasting; bij pensionering uitbetaald als uitgesteld loon.

Aanpassingen

De overheid en de politiek verspreiden fanatiek de mythe dat door de vergrijzing (langer leven) en de ontgroening (minder geboorten) de aanvullende pensioenen niet meer betaalbaar zouden zijn, net als de AOW. En dat terwijl beide demografische gegevens slechts een beperkte invloed uitoefenen op zowel de AOW als het aanvullende pensioen. Dit is een belangrijk vraagstuk in de uitwerking van het pensioenenakkoord, waarop verder in de serie uitgebreid wordt teruggekomen.
Hier alvast aandacht aan een belangrijke aanpassing in het systeem: de overgang van een eindloon- naar een middelloonregeling. Dat betekent dat het loon gemiddeld wordt over de veertig jaar dat iemand deelneemt aan het pensioenfonds. Feitelijk komt een middelloon tot stand door elk jaar over het verdiende inkomen met behulp van het opbouwpercentage de pensioengrondslag te berekenen. Omdat gewoonlijk een loon in de jaren stijgt, houdt dit in dat de pensioengrondslag aanzienlijk lager wordt.4 Soms is afgesproken dat er daarom 80 procent wordt uitgekeerd.

Prent: banken, steek ons geld niet in kernwapens

Een andere aanpassing is dat opbouwpercentage. Dat was dus 1,75 procent. Omdat veel mensen ook een premie voor vervroegde pensionering, bijvoorbeeld de VUT, betaalden, inmiddels afgeschaft, zijn deze al betaalde premies overgeheveld naar het aanvullende pensioen. Maar tegelijkertijd zijn de opbouwpercentages verhoogd en is dus ook de pensioenpremie hoger.
De pensioenfondsen zijn met de opbouwpercentages ook in staat te anticiperen op een dalende rente. Als de rente daalt, dan is er uiteraard minder opbrengst op het belegde vermogen. Door de verlaging van de opbouwpercentages gaan dus de pensioengrondslagen van de gepensioneerden en van de nog werkenden omlaag. In de populaire termen heet dit 'korting op de pensioenen'. Korten raakt dus niet alleen de al bestaande pensioenen, maar ook die pensioenen van de nog werkenden.

Pensioenfondsen en vermogen

Omdat het aanvullende pensioen een kapitaaldekkingssysteem is en de premies van de deelnemers gespaard worden, ontstaat er een buffer van vermogen. De pensioenfondsen gaan daarmee de financiŽle markt op om met het pensioenvermogen een rendement te halen. Daarin zijn de gezamenlijke pensioenfondsen goed geslaagd. Dit beleggen geschiedt onder het toezicht oog van DNB. Ook de verantwoordingsorganen van de fondsen kunnen hierin een sturende en controlerende rol spelen. De toezichthouder stelt dus in het FinanciŽle Toetsingskader vast wat de rente mag zijn waarmee de pensioenfondsen mogen rekenen, de veel besproken rekenrente.
Tot even na de financiŽle crisis was die rente redelijk, ongeveer 4 procent, en daarmee groeide het vermogen gestaag. Daarna is die rente in een rap tempo omlaag gegaan. Te verwachten was dat, gezien ook de toezichthouder de rekenrente heel erg laag houdt, het vermogen snel lager zou worden. Dat is zeker niet het geval. De pensioenfondsen mogen namelijk hun vermogen gespreid beleggen. Een deel gaat in obligaties met een lage rente, een deel in vastgoed met ook een lage rente, maar die is meestal wel hoger dan de rekenrente. Maar een groot deel wordt ook risicovol belegd waar grote rendementen gehaald worden. Een voorbeeld is de investering in staatsschulden van Zuid-Europese landen. Daar is de rente aanzienlijk hoger, waardoor pensioenfondsen over de hoofden heen van de belastingbetalers van deze landen mooie rendementen maken.

De twee grootste pensioenfondsen hebben aparte uitvoeringsorganen opgezet voor de uitkering en het beleg van hun vermogen die zich onttrekken aan het toezicht van de fondsen. Zowel aan De Nederlandsche Bank als aan de verantwoordingsorganen van de fondsen. Daardoor ontstaan ongewenste praktijken, omdat de twee uitvoeringsorganen in zee gaan met private bedrijven die met bedenkelijke praktijken erg grote rendementen maken. Daarvoor brengen ze wel 10 procent van het opgebracht rendement in rekening. Het geschatte rendement dat de gezamenlijke pensioenfondsen zo maken, wordt geschat op 60 tot 80 miljard euro per jaar, waarvan dus 6 tot 8 miljard euro in de zakken van die bedrijven gaat. De bijgevoegde grafiek laat zien hoe het vermogen van de Nederlandse pensioenfondsen door verschillende crises heen tot astronomische hoogte is gegroeid. Van enige openheid is echter geen sprake, dus alle reden om deze duistere praktijken aan de kaak te stellen.

Grafiek over toenemend vermogen pensioenfondsen

1 Een arbeidsvoorwaarde is een regeling over de verrichting van de arbeid tussen werkgever en werknemer. Er zijn twee primaire arbeidsvoorwaarden: loon en arbeidstijd. Daarnaast zijn er zogenaamde secundaire arbeidsvoorwaarden, bijvoorbeeld vakantiedagen en reiskostenvergoeding, en dus ook pensioen. Die voorwaarden worden contractueel vastgelegd in bijvoorbeeld een cao. In principe heeft de overheid er dus niets mee te maken. Wat vastgelegd wordt, is de hoogte van de premie en vervolgens de hoogte van de uitkering. Uitgesteld loon betekent dat de premie een looncomponent is die pas uitgekeerd wordt, wanneer de werknemer met pensioen gaat.
(terug)
2 In een omslagstelsel betalen de werkenden de AOW voor de gepensioneerden. Feitelijk maakt dat niet zo veel uit. Elke Nederlander betaalt een AOW premie, en elke Nederlander krijgt AOW met 65 jaar. Het pensioen is een kapitaaldekkingssysteem. De ingelegde premies worden gespaard en beheerd in een apart fonds dat de overeengekomen uitkering betaalt aan de gepensioneerde, al naar gelang hij of zij er recht op heeft.
(terug)
3 Het Financieel Toetsingskader beoordeelt (toetst) of er voldoende dekking is voor de aangegane verplichtingen. Met andere woorden: er zijn door de fondsen toezeggingen gedaan voor een bepaald pensi-oen. Die uitkering is meestal hoger dan de optelsom van de ingelegde premie. Dat komt, doordat de mensen langer leven en de uitkeringen hoger zijn dan de inkomens waarover premie geheven is. Die dekking wordt uitgedrukt in de dekkingsgraad. Dat is het vermogen dat een pensioenfonds in kas moet hebben om de ver-plichtingen na te kunnen komen. Die dekkingsgraad wordt altijd wettelijk vastgelegd. De verplichtingen zijn vaak wel duidelijk. Wat in kas moet zijn, is dat echter niet. Dit wordt vastgesteld door de zogenaamde con-tante waarde. Daarin zitten twee bepalende factoren: 1) het aantal jaren waarover deze waarde berekend is, 2). de rente. Omdat de pensioenfondsen met de ingelegde premies beleggen, ontstaat er een rendement, dat afhankelijk is van de rente op de financiŽle markt. Nu wordt de rente waarmee pensioenfondsen mogen rekenen, rekenrente, wettelijk vastgelegd door de overheid. Als die rekenrente laag is dan moet het ver-mogen hoger zijn, ongeacht welke werkelijke rendementen de pensioenfondsen maken.
(terug)
4 De pensioengrondslag is een belangrijk gegeven geworden en berekent het inkomen op basis waarvan het pensioen vastgesteld wordt. Daarmee weten de pensioenfondsen dus redelijk snel wat ze aan uitkering moeten betalen. De overheid levert daarvoor twee cijfers aan: namelijk de AOW franchise en het maximum pensioenbedrag. Dat maximum was voor 2021 ongeveer 112.000 euro. Daarboven wordt geen pensioen uitgekeerd. De AOW franchise voor 2021 is 14.544 euro.
Stel iemand heeft een middelloon van 34.544 euro per jaar, daarvan wordt 14.544 euro afgetrokken (tot 20.000) en dus heeft de persoon recht op een aanvullend pensioen van 70 procent van 20.000 euro gedeeld door twaalf. Dat is 1.167 euro per maand. Let op, bij de verhoging van de AOW wordt de pensioengrondslag verlaagd en daarmee het pensioen.
(terug)
S symbool