welkom
extra
Solidariteit

Onderzoek 'losse ploegen Zaanstreek' - deel 31

Van gildebroeders wordt gehoorzaamheid verwacht

Hans Boot

Dit deel 31 sluit aan op de kennismaking met de Rotterdamse zakkendragers in het vorige deel. Het ontbreken van de meesters - zo kenmerkend voor de transportgilden, waardoor ze een bijzondere, publieke positie innemen - wordt als het ware opgevangen door een gildebestuur dat uit ver-schillende lagen bestaat. De 'hoofdlieden' staan daarin centraal, voorzien van een sterke bemoeienis door het stadsbestuur die samenhangt met hun ordefunctie in 'ongewenste situaties'.. Ook in Rotterdam, dat nog een grote haven moet worden, is de zakkendrager te vergelijken met de (latere) havenarbeider. Onder meer door de onregelmatigheid van de hoeveelheid werk en de losse verhouding met meerdere kooplieden en de meer vaste relatie met één koopman. Daarin speelt de 'vrijman' een rol die een vergelijking oproept met de Zaanse losse ploegen en hun individuele leden.

De hoofdlieden, bij andere gilden ook wel voorlieden geheten, waren gildebroeders met bestuurlijke taken die evenals hun collega's burgers van de stad dienden te zijn en te beschikken over een door het stadsbestuur verstrekte 'aanstellingsakte'. Verder was kunnen lezen en schrijven een voldoende voorwaarde. Op voordracht van de gildebroeders lag de verkiezing bij een 'magistraat' namens het stadsbestuur. De hoofdlieden stonden onder controle van een college van 'patroons' dat de verschillende werkterreinen van de zakkendragers vertegenwoordigde: een bakker, brouwer, haringkoper, korenkoper en een korenmakelaar ('pondgaarder', voor elke last verkocht graan, een pond voor de armen). Behalve met de aanvoer van het werk, hield dit college zich bezig met conflicten over de lonen en de interpretatie van de opgestelde bepalingen over bijvoorbeeld het gewicht van de lading en de stort in de pakhuizen. Bij overtredingen kon het college boetes uitdelen.

Misbruijken

Foto smakbak
Smakbak, Museum Maassluis
In de loop der jaren werd de 'bedrijfsvoering' van het gilde complexer. Met de groei van het aantal inwoners in Rotterdam gedurende de achttiende eeuw nam de armoede toe en daarmee het beroep op de bussen van de gilden. Bij de zakkendragers betekende dat in 1749 de aanstelling van een betaalde commissaris voor het administratief en financieel beheer, waaronder de zorg voor de bus. De taak van de hoofdlieden werd teruggebracht tot de organisatie van het werk, terwijl de commissaris belast was met een beter beheering van het gilde en meerder gerustheijd van alle de gildebroeders, in communicatie en overleg (!) met de hoofdlieden. Zo ontstond een structuur, waarin de gildebroeders de rechtspraak en correcties van het gildebestuur dienden te eerbiedigen en te gehoorzamen (ampten erkennen ende obediëren).

De gildebroeders schikten zich niet gemakkelijk in dit bewind. De bestaande 'gedragsregels' - niet vloeken en vechten, geen messen trekken en wapens dragen - schoten in de ogen van het stadsbestuur tekort (1749): het is voorgekomen dat in de bestiering van het Sakkendragersgilde van tijd tot tijd verscheijde misbruijken zijn ingeslopen waar door het zelve gilde in verwering is gebracht en tot groot verval staat te geraken. Een jaar later klaagden kooplieden over het laat of helemaal niet komen opdagen door de zakkendragers nadat de klok geluid was. Dat was slecht voor de graannegotie aan welker behoud en aanqueeking deze stad en burgeren grootelijks verlegen is. Als deze klachten in 1773 samenvallen met een daling van de graanhandel en als gevolg daarvan gildebroeders werkloos worden, grijpt het stadsbestuur in. Als proef wordt bij de turfdragers de verdeling van het werk anders opgezet. Het smakken (dobbelen) bleek gemanipuleerd te kunnen worden en kende bovendien onhandige uitzonderingen. Loting werd de leidraad.

Loting

De gildebroeders waren in vier 'kwartieren' ingedeeld en ieder kreeg een nummer toebedeeld. Bij de loting kregen ze van één van de hoofdlieden te horen welk kwartier voor het werk ingeloot was en vervolgens welk nummer daarvan. Daarna, afhankelijk van de hoeveelheid werk, kwam het volgende nummer aan de beurt en eventueel het volgende kwartier en daarvan een nummer, enzovoort. De kwartieren en nummers werden willekeurig 'getrokken' uit een besloten kastje dat voor ieder zichtbaar was opgehangen. Wie tijdens het luiden van de klok afwezig was, kwam pas aan de beurt als elke op tijd aanwezige gildebroeder van werk voorzien was. Na een jaar proef gedraaid te hebben met de turfdragers bleek dit lotingssysteem niet te voldoen. Zo kwam bijvoorbeeld een deel van het jaar weinig of geen turf binnen en/of was er juist al of niet met spoed veel graan te lossen en te dragen.
Overigens gebruikten ongeveer in dezelfde tijd de Amsterdamse turfdragers een vergelijkbare loting. Met name in de wintermaanden kwamen regelmatig weinig schepen aan en werd het dobbelen als te willekeurig beschouwd en vervangen door op de pen te werken. Dat wil zeggen bij toerbeurt. Wie aan de beurt was, kreeg bij zijn naam die op een lijst stond, een pennetje gestoken en kon vervolgens aan het werk (''pennetje steken'' is een term die nog steeds verwijst naar 'taak' of 'werk' verdelen).

Terug naar Rotterdam. De loting was ook geen succes door een nog niet in beeld gebrachte 'stoorzender', de vrijman die in de verdeling van het werk voorrang kon krijgen, vrijgesteld was van het smakken of loten.

Vrijman

De vrijman, als groep: 'vrijlieden', wordt voor het eerst genoemd in een ordonnantie van 1627, tien jaar naar het waarschijnlijke begin van het zakkendragergilde. Zijn positie was bijzonder, gekozen uit de gildebroeders, daarna geen lid meer, wel er nauw aan verbonden, niet als een 'noodhulp' of beunhaas marginaal, maar bevoorrecht. Voorzien van een aanstellingsakte en de beëdiging door het stadsbestuur kon een koopman een vrijman tijdelijk in dienst nemen, brouwers en viskopers zelfs twee. Dat recht was ook een' gemeentelijke dienst of een kerkbestuur toegestaan.
Daar kwam nog eens bij dat een vrijman met toestemming van de hoofdlieden een tweede vrijman kon aanstellen of één of meer 'aangesmakte' zakkendragers. Hij kon dus een klus aannemen, te vergelijken met de Zaanse factor die leden van een losse ploeg 'inhuurde'. Daarmee doorkruiste of bedreigde de vrijman het monopolie en de karakteristieke werkverdeling van het zakkendragergilde die hem dan ook beperkingen oplegde. Bijvoorbeeld door de begrenzing van het aantal vrachten dat hij los van het gilde kon aannemen, of hem een specifieke belasting op te leggen of een deel van zijn inkomsten te moeten afstaan aan de gildekas. Zijn privilege om los of vrij van de gildeverordeningen te kunnen werken, bleef overeind en beschermd door de kooplieden.

Foto Glas-in-lood raam
Glas in lood. Zakkendragers met korenzakken uit een schip. Parklaan Rotterdam, voorheen Graan Elevator Maatschappij (GEM)

Niet alleen wanneer een vrijman optreedt als een factor - tussen koopman en gildebroeder - doet hij denken aan een Zaanse losse ploeg. Zijn positie onderscheidt zich door aan de ene kant vrij te staan ten opzichte van de gereguleerde gilde en aan de andere kant als beëdigde zakkendrager er nauw verbonden mee te zijn. Hij is niet in 'vaste dienst' van de koopman, maar verricht voor hem werk in een individuele, losse verhouding. Op het moment dat hij meerdere gildebroeders inschakelt, lijkt hij op de (meewerkend) voorman van een losse ploeg die met een ondernemer of diens vertegenwoordiger afspraken maakt. De onvermijdelijke fricties met de bepalingen van de gilde roepen het beeld op van 'vast' en 'los' zoals dat in de havenarbeid bestond en bestaat (zzp'ers).

Nadat in het volgende deel de Rotterdamse zakkendragers afrondend terugkeren, gaat de aandacht naar de gilden van de turfdragers en korendragers in Amsterdam. Naast hun organisatie van het werk, zal zowel hun relatie met de havenarbeid, onder meer de kwestie van vast/los, als hun positie in de randen van de arbeidsmarkt aan bod komen.

Geraadpleegde literatuur

A.J. Teychiné Stakenburg, Zakkendragers van Rotterdam. Rotterdam, 1975, tweede druk. Bron van citaten (cursief).
S. Bos, ''Uyt liefde tot malcander". Onderlinge hulpverlening binnen de Noord-Nederlandse gilden in internationaal perspectief (1570-1820). IISG Amsterdam, 1998.