welkom
extra
Solidariteit

Onderzoek 'losse ploegen Zaanstreek' - deel 34

Het gilde van de Amsterdamse korendragers

Hans Boot

De korendragers dus. Eindelijk, zou een trouwe lezer(es) kunnen zeggen. Want in deel 1 (oktober 2018) doken ze al op. In Zaandam als een inscriptie bij een raamkozijn in 1691 en de naam van een molen in de achttiende eeuw. Een tapperij in Koog aan de Zaan die in 1898 sloot en in het Zaanse bevolkingsregister als een erkend beroep in de negentiende eeuw. Dat laatste was bijzonder en verwees vrijwel zeker naar werk in de Amsterdamse haven, waar sjouwers als korendragers betiteld werden, terwijl ze boven het IJ zaadsjouwers heetten. Wat ze vervoerden, kwam voor een belangrijk deel overeen (onder andere graan, peulvruchten, rijst), waarbij in Amsterdam 'koren' domineerde en in de Zaanstreek 'zaad'. Overigens in Rotterdam gingen ze de geschiedenis in als zakkendragers (zie de delen 30 tot en met 32).

Foto
Negentiende eeuwse gevelsteen Brouwersgracht 173 Amsterdam. Korenmeter gebruikt zijn strekel (strijkstok) om koren af te strijken
De korendragers vormden een schakel in de vervoersketen waarmee Amsterdam vanaf de zestiende eeuw uitgroeide tot het centrum van de Europese graanhandel (tot ongeveer 1720). Zeeschepen uit de Baltische staten zorgden voor de aanvoer van het graan dat via omvangrijke opslagmogelijkheden in pakhuizen een lokale en internationale bestemming bereikte.
De oudste vermelding van de korendragers gaat terug tot 1461. Hun gilde kwam in 1551, samen met een andere beroepsgroep in de vervoersketen, de korenstorters. Vervolgens kort daarna (1558) het gilde van de korenmeters en korenzetters en bijna een eeuw later (1649) scheidden de mannen van de korenlichters zich af. Na 1798 volgde de omzetting in verenigingen die sociale ondersteuning en verzekeringen boden. In het oude centrum van Amsterdam, aan de Nieuwezijds Kolk, staat na een aantal verbouwingen nog steeds het gildehuis van de korenmeters; één van de weinige nog vrijstaande gebouwen in de oude binnenstad..

Zes beroepsgroepen

Dus drie gilden en vijf beroepsgroepen die nauw samenwerkten. De schepen die in Amsterdam voor anker lagen, waren te groot/diep om de pakhuizen van graan te voorzien. Dat was het werk van het korenlichtersmansgilde dat met kleine platte schuiten zonder diephang en mast (lichters) het graan naar onder andere de grachten transporteerde. De korendragers zorgden voor de overslag van het zeeschip naar de kade en de lichter, waarna de korenstorters de zakken vulden. Vervolgens waren de korenmeters aan zet, zij waren belast met de controle en meting van de volgestorte zak. De korenzetters steunden hen daarin door de 'korenmaen' recht te houden.
De laatste twee beroepsgroepen waren in hun werk nauw verbonden en vormden dan ook in 1654 een gezamenlijke gilde dat bij een telling in 1688 uit zestig leden bestond. Het korenlichtermansgilde kwam tot minstens het viervoudige en maakte gebruik van zo'n 250 lichters. Bij het sjouwen van de zakken werkten ze vaak samen met de korendragers die met de storters in 1688 zeshonderd gildebroeders telden. Een aantal dat rond 1700 enige tijd steeg tot zo'n duizend man.

In de marge van de geschiedschrijving komt een zesde beroepsgroep ter sprake: de verschieters die bederf voorkwamen door in de pakhuizen regelmatig het graan om te woelen. Zwaar en eentonig werk dat overwegend door vrouwen werd verricht. Geen lid van de gilden, hun aantallen zijn onbekend gebleven en hun bestaan zal ook in de toenmalige praktijk marginaal geweest zijn.

Foto beeldje
Korendrager, Hart Amsterdammuseum

Publiek belang

Behalve dat ook in Amsterdam deze transportgilden een onmisbare - publieke - schakel vormden in het levensonderhoud van de inwoners, droegen zij de internationale stapelmarkt. Het belang van het stadsbestuur bij deze gilden was dan ook groot. Ze stonden ingeschreven en waren formeel erkend, zij het dat het stadsbestuur besliste over de samenstelling van het gildebestuur dat uit vier overlieden bestond, waarvan de gildebroeders er elk jaar twee voordroegen.
De korendragers beschikten over een monopolie en waren door het stadsbestuur gerechtigd tot het vervoer van het graan (ook zout) dat een koopman inkocht. Tussen het gilde en de koopman trad vaak een 'bemiddelaar' op, de korenfactor, die verplicht was de te gebruiken loopplanken, trappen en zakken van het gilde te huren. Ook na de opheffing van het gilde beschikte de korendragers over het monopolie het graan te lossen, dat liep door tot 1890.
Dat hun werk fysiek zwaar was, bleek uit een aanscherping van het gildelidmaatschap. Aanleiding was dat de kosten van de financiële steun aan oudere en zieke collega's niet meer opgebracht konden worden. Om de kas te ontlasten, volgde een leeftijdsbegrenzing tussen 18 en 38 jaar.

Ook de korenmeters namen een bijzondere positie in. Door het stadsbestuur aangesteld als 'ambtenaar' waren ze belast met de controle van zowel de standaardmaten van het gewicht als de kwaliteit van de partijen graan. Bovendien bepaalden zij de te betalen accijnzen. Om de maat vast te stellen gebruikte ze een strekel, een strijkstok om de de ton of de zak 'af te strijken (en daaraan bleef wel eens wat hangen). De kwaliteit beoordeelden zij met behulp van een schaalvormige mand om 'het kaf van het koren te scheiden,' Hun gilde met de korenzetters bleef tot 1890 bestaan als gemeentelijk instelling voor het meten van graan.

Onderaanneming

Foto
Korenmeters Gildehuis. Nieuwezijds Kolk Amsterdam,
gebouwd in 1620
Het werk van de korendragers die de grootste beroepsgroep vormden, was nauw verwant aan dat van de havenarbeiders die de zeeschepen en diverse goederen losten en laadden. Havenarbeiders werden regelmatig ingezet ials deeltijd korendragers. Dat wil zeggen flexibel beschikbaar in de ongeregelde vraag naar arbeid. Ze waren goedkoper en kenden het werk, dus voor de kooplieden aantrekkelijk. Maar werden gilderegels geschonden, volgde een boete. Rond 1750 bestond ongeveer de helft van de korendragers uit deeltijders.
Halverwege de de achttiende eeuw bij een tijdelijke groei van het graantransport kregen de gildebroeders het recht enkele knechten in dienst te nemen, 'vreemde en onvrij' geheten sjouwers, dus geen gildelid, te vergelijken met de losse arbeid via een factor. Voor dat recht betaalde de inhurende gildebroeders een uitkoopsom aan het gilde. En daarmee was de onderaanneming ingevoerd. Volgens de kasboeken ging het eind achttiende eeuw om 610 ingeleenden ('uitkopers') waarvoor het gilde ongeveer 860 gulden inde.

Deze ontwikkelingen van tijdelijke inleen, losse arbeid, onderaanneming en een factor raken de arbeidsorganisatie van de losse ploegen. Een citaat uit een rapport van 1828 over de korendragers bevestigt dat:
De inrichting der korendragers is thans zoodanig, dat de meesten hunner, ja allen, die enkel korendrager zijn [voltijders] bijna altoos bij denzelfden factor werkzaam zijn (). Iedere factor heeft eene lijst, waarop hunne namen naar volgorde zijn uitgedrukt () diegenen van hen die boven op eene zoodanige lijst geplaatst zijn, kunnen steeds op werk rekenen, terwijl de anderen minder bezigheid vinden, en eindelijk degenen, die niet bepaald onder eenen factor werken, slechts dan gevraagd worden, wanneer alle manschappen reeds aan het werk zijn. Geen smakken om de verdeling van de arbeid zo rechtvaardig mogelijk te organiseren, maar een lijst van nummers, met hetzelfde doel, waarvan de volgorde bepaalde wie 'aan de beurt' was.

Deze verwantschap met de losse ploegen zal in het volgende deel terugkomen. Ook die van andere op zelforganisatie rustende groepen als de vemen. Aangevuld met meer wetenswaardigheden van de korendragers, bijvoorbeeld hun maatschappelijke positie waarin nauwelijks hun economische betekenis tot uitdrukking kwam en hun gedeeltelijke overgang naar de Amsterdamse haven.

Geraadpleegde literatuur

J. van Genabeek, De afschaffing van de gilden en de voortzetting en hun functies. In: Neha-Jaarboek voor economische, bedrijfs en techniekgeschiedenis, 57, 1994.
A. Knotter, Stedelijke economie en arbeidsmarkt. Amsterdam in de eerste helft van de negentiende eeuw. In: BMGN, 1986/4.
R. Paesie, Reekening bewija en reliqua. Het financiële beleid van het Amsterdamse Korendragersgilde. In: Tijdschrift voor zeegeschiedenis, jaargang 31, 2012/1.
M. van der Velden, Havenarbeiders en dragersgilden. Vergeten historie, Economisch- en Sociaal-Historisch Jaarboek, 's Gravenhage, 1982.
J. de Vries, A. van der Woude, Nederland 1500-1815, De eerste ronde van moderne economische groei. Amsterdam 1995