welkom
extra
Solidariteit

Onderzoek 'losse ploegen Zaanstreek' - deel 37, slot

Een eigen weg met een begin en einde

Hans Boot

Met de afronding van deze serie resteert een poging tot een antwoord op de in het eerste deel gestelde vraag naar een verband tussen de losse ploegen en de specifieke geschiedenis van de Zaanse industrialisatie. Dat gebeurt, zoals aangekondigd, door een samenvatting van enkele aanvullingen op wat hierover eerder, verspreid, besproken is. Achteraf een nogal argeloze vraag, omdat dit 'specifieke' 450 jaar bestrijkt. Voorafgegaan door een 'agrarische overbevolking' in een woest veengebied, waar bijna de helft van de bevolking een bestaan buiten de agrarische sector moest zoeken. Een stimulerende voorwaarde voor de latere internationaal unieke geschiedenis.

Tot vandaag is met een enkele oogopslag te zien hoe de technologisch geavanceerde multinationals samenwonen met het industrieel erfgoed - van cacao tot zeep, van hout tot tabak, van koren tot rijst, van linoleum tot zeilgoed, van margarine tot stijfsel. Een geschiedenis die een eerste bloeitijd kende gedurende de tweede helft van de zeventiende eeuw, met een landschap van molens, de fabrieken op windkracht. Gevolgd, zo'n twee eeuwen later, door een periode van industriële expansie met stoomkracht als baanbrekende productietechniek die ook de molens trof.

De Zaan

Het is ook een arbeidsgeschiedenis, zonder gilden en dus met veel 'losse arbeid' die echter nauwelijks geboekstaafd is. De Zaanse losse ploegen komen er niet beter vanaf. Ze worden meestal zijdelings genoemd en hebben bekendheid gekregen door de roman van Cor Bruijn De zaadsjouwers (1933) die de lotgevallen beschreef van en rond een losse ploeg in de laatste jaren van de negentiende eeuw. Dat was midden in de voor de Zaanse industrie bloeiende jaren met veel vraag naar tijdelijke arbeidskracht voor fysiek zwaar sjouwwerk. Om dat te kunnen begrijpen, is opnieuw enige aandacht gewenst voor de geografische omstandigheden van de streek, bijvoorbeeld de rivier De Zaan en de nabijheid van Amsterdam. Omstandigheden die slechts voorwaarden zijn voor de ontwikkeling van een maatschappelijk bestaan door menselijk handelen dat ook in de Zaanstreek getekend werd door sociaaleconomische tegenstellingen.

Foto
De Bleeke Dood, korenmolen Zaandijk, oorspronkelijk bouwjaar 1656
Vereniging De Zaansche Molen.

De markante rivier De Zaan heet wel de levensader van de Zaanstreek, zij het nauw verbonden met Amsterdam, de stad die al in de zeventiende eeuw diende als wereldcentrum van handel en nijverheid. De evenwijdigheid van De Zaan ten opzichte van de Noordzeekustlijn van waar de veel voorkomende westenwind vrij spel had, nodigde uit tot de vestiging van de zo bepalende molens. Met in 1321 de eerste korenmolen in Jisp die het begin was van een molenrijk dat in de periode 1575-1875 uitgroeide tot ongeveer duizend molens met een top van 583 in het jaar 1731. Om daarna geleidelijk, vooral in de laatste decennia van de negentiende eeuw, plaats te maken voor een industrie die draaide op stoomkracht. Het karakteristieke van deze overgang was dat de fabrieken zich dicht in de buurt van de (stoom)molens vestigden. En daarmee de bepalende positie van De Zaan voortzette, gesteund door een ruim 'waternetwerk'.

Toevluchtsoord

De ligging aan de Zaan riep onvermijdelijk veel transport op door lichters en andere schepen die meestal via pakhuizen de plaatsen van de productie, de handel en de consumptie bereikten. Een onmisbaar transport met arbeidershanden in een hoofdrol. Ook in de tijd, meerdere eeuwen lang, dat elders gilden vergelijkbaar werk organiseerden. Zo verrichtten bijvoorbeeld in Rotterdam de gilden van de zakkendragers en in Amsterdam die van de korendragers het goederentransport, daarin erkend en gesteund door de lokale overheid.
Dat de gilden in de Zaanstreek ontbraken, was geen toeval. Gesterkt door hun Amsterdamse collega's sloten Zaanse kooplieden het regulerende gildestelsel uit en ontwikkelde de Zaanstreek zich, in vergelijking met Amsterdam, via lagere lonen, huren en belastingen tot een toevluchtsoord, zo niet wingewest. Tot een 'vrij' ondernemersklimaat voor Amsterdams kapitaal dat in de hoofdstad aan de gilderegels gebonden was. Een verhouding die overigens ook voor de 'afhankelijke' Zaanse kooplieden lucratief uitpakte.

Foto
De eenzame sjouwer op weg, Gemeentearchief Zaanstad.

Wel of niet in gildeverband, de onregelmatigheid van het nationale en internationale transport door wisselende weersomstandigheden en afhankelijkheid van seizoenen zet zich in de arbeid voort en eist flexibiliteit. Wanneer zijn hoeveel mensen nodig. Daaraan kunnen zonder meer toegevoegd worden hun beschikbaarheid en geschiktheid voor bijvoorbeeld samenwerking. Of er sprake was van een beurs, een factoor, een werkverdeling, een ploegverband en een voorman is helaas niet te achterhalen. Aannemelijk lijkt het wel, gezien de aard van het werk en op de achtergrond het feit dat in de Zaanstreek 'de korendrager' een bekend beroep was dat (incidenteel) in Amsterdam uitgeoefend werd, bijvoorbeeld als noodhulp. Ook ongeschreven erfgoed is immers denkbaar.

Hun eigen baan

In de periode van de industriële expansie, de tweede helft van de negentiende eeuw, nam de afhankelijkheid van Amsterdam af en de flexibele behoefte aan arbeidskracht toe. In 1850 vond de verbinding plaats met het Noord-Hollands Kanaal, in 1869 voegde Wormerveer zich met een station op loopafstand van De Zaan bij het spoorwegnet, in 1876 kwam er met het Noordzeekanaal een directe toegang tot de Noordzee en in 1886 volgde de opening van de zeehaven in Zaandam. Met als gevolg sprongen in de economische cijfers. Een illustratie: van de 64 ingeklaarde vaartuigen in 1884 ging het om 18 stoomschepen, in 1894 werden er 173 schepen geteld, waarvan 133 st0omschepen. Met als logisch gevolg, meer transportarbeid.
Dat betekende dus meer sjouwen van zakken en balen. Van en naar wagons of over de loopplank van de dekschuit en de trap op naar de zolder van het pakhuis. En dat op de klassieke Zaanse manier: op de schouder en één hand in de zij voor het evenwicht en vaak een 'kappie' ter bescherming. In opjagend stukloon.

Foto
Korendrager, Anoniem Noordelijke Nederlanden,
1678, hout - Koninklijk Oudheidkundig Genootschap.

Het is in deze periode dat de Zaanse losse ploegen zich een 'vaste positie' verwerven. Rechteloos, zonder enige zekerheid en verzekering, maar onontbeerlijk. Met name in de eerste jaren via een factoor die het werk ophaalde, soms over pakhuizen beschikte, geen arbeiders in dienst had en op een bekende plaats via de ploegbaas het werk van de opdrachtgever uitbesteedde. Zo ontwikkelde zich een beurs waar het werk op een vastgelegde manier verdeeld werd. Terwijl het fysiek zwaar bleef, nauwelijks gemechaniseerd en vaak uit het zicht van de in de fabriek werkende arbeiders in 'vaste dienst', kwam er geleidelijk aan door arbeidswetgeving enige sociale bescherming.

Hun verdere geschiedenis, inclusief de opheffing van de losse ploegen en de historische verwantschap met andere losse arbeiders, is in de voorgaande 36 delen beschreven. In dit slotdeel zijn uit enkele kenmerken van de Zaanse industrie hun specifieke positie in en bijdrage aan het goederentransport en daarmee de economie beschreven. Voor overeenkomstige ontwikkelingen in andere regionale economieën zijn - nog - geen aanwijzingen gevonden.

Twee bijzonderheden zijn tekenend voor de Zaanse losse ploegen en hebben mij het meest getroffen. Allereerst hun zelforganisatie als 'maatschappelijk gemarginaliseerden' die zij praktiseerden met een 'geobjectiveerde' werkverdeling via een nummerstelsel. Daarmee zetten zij een traditioneel kenmerk van de transportgilden voort. En als tweede, uiteraard daarmee samenhangend, hun ongebondenheid, de kracht om de eigen baan te gaan, een trots die doet denken aan de afbeeldingen van hun voorganger, de korendrager.

Geraadpleegde literatuur

A. van Braam, Economische geschiedenis van de Zaanstreek. Stichting Behoud Zaans Streekeigen Zaandam, 1989.
J. Kingma, Vernuftelingen en kooplieden in een bijzonder landschap. 450 Jaar Zaanse industrie. Stichting uitgeverij Noord-Holland, in samenwerking met Vereniging Zaans Erfgoed, 2019.
M. Prak, Ambachtsgilden vroeger en nu. In: NEHA-Jaarboek voor economische, bedrijfs- en techniekgeschiedenis, deel 57, 1994.

S symbool