welkom
extra
Solidariteit

Onderzoek 'losse ploegen Zaanstreek' - deel 28

De Zaanstreek kende geen gilden

Hans Boot

Het vorige deel van deze serie, 5 januari 2020, kondigde de komst van de korendragers aan. Terecht en het werd tijd ook. Zij lijken immers de voorvaders te zijn van de Zaanse losse ploegen wier geschiedenis en bijzonderheden hier 'object' van onderzoek zijn. Al snel kwamen de zogenoemde korendragersgilden in beeld en daarmee deed zich direct een complicatie voor. Uitgerekend in de Zaanstreek ontbrak het gildenstelsel. Opvallend, omdat naast bijvoorbeeld Alkmaar, Amsterdam en Hoorn zich ambachtsgilden vormden in onder meer Enkhuizen, Medemblik, Monnickendam en Purmerend. Hoe zit dat?

Gegeven de sterke economische band tussen de Amsterdam en de Zaanstreek bood deel 27 een eerste aanzet om deze vraag te beantwoorden. Twee verklaringen werden geopperd die in dit deel nader bekeken worden: 1) het platteland kende geen gilden, 2) de gilden zouden de markante expansiebehoeften van de Zaanse kooplieden blokkeren.
Vervolgens sluit deel 28 af met een eerste schets van de functies van de gilden.

Zakkendragers lossen schip
Caspar Luyken, 1711 - ets - Rijksmuseum Amsterdam

Platteland als toevluchtsoord

De afwezigheid van de gilden in de Zaanstreek kent verschillende verklaringen. Zo zouden op het platteland de ambachtslieden onvoldoende en te verspreid gehuisvest zijn om zich in gilden te verenigen. Deze verklaring die inhoudt dat de gilden een exclusieve stedelijke aangelegenheid zouden zijn, wordt weerlegd in historisch onderzoek dat minimaal 66 plattelandsgilden noteerde. Weliswaar een kleine minderheid bij een aantal van een veelvoud, maar ze bestonden. 1
Een andere verklaring legt een direct verband tussen de afwezigheid van de gilden en de vroege, succesvolle industriële initiatieven in de Zaanstreek. Het ontbreken van gildebepalingen bijvoorbeeld uitsluiting van concurrentie en regulatie van productie en arbeidsmarkt zou de gewenste, technologische vernieuwingen alle ruimte geven. Een liberale benadering, waarin het kapitalisme kon gedijen en het gildesysteem als een remmende regulering beschouwd werd. 2 Resultaat: een gunstig ondernemingsklimaat, liberaal en modern, tevens een toevluchtsoord voor ondernemers die de gildebepalingen zochten te ontduiken. 3

Deze tweede verklaring is minder eenduidig dan het lijkt in een stad als Amsterdam, vanaf de zeventiende eeuw Europees centrum van het handelskapitalisme. Een drietal kanttekeningen. a) De gilden waren met instemming van het Amsterdams stadsbestuur van grote betekenis en stonden de economisch expansie niet in de weg. De veertig tot vijftig gilden in de zeventiende en achttiende eeuw bereikten een grote meerderheid van de mannelijke beroepsbevolking (zeker 70 procent). 4
b) Bovendien bleken de gilderegels aangepast te kunnen worden, zoals bij de houtzaagmolens, zie deel 27: de tijdelijke blokkade door Amsterdamse meesters van het houtzagersgilde van de komst van een productievere molen. En bijvoorbeeld ook na protesten van de beschuitbakkers van Jisp en Wormer die uitmondden in een veertiendaagse toegang tot de Amsterdamse markt.
c) Zowel de Amsterdamse als de Zaanse ondernemers profiteerden van de lage(re) lonen, huren, belastingen en in het algemeen goedkopere bestaansvoorwaarden in dit wingebied.

Goederentransport

Terug naar de korendragers als mogelijke inspiratiebron voor de Zaanse losse ploegen. Zoals gezegd (deel 27), in de geschiedenis van de Zaanstreek waren zij geen vreemde. Het soort werk dat de korendragers in Amsterdam in gildeverband verrichtten, vond ook rond de Zaan en omstreken plaats. Lossen, laden, dragen, verplaatsen en opslaan van goederen. Misschien juist door deze overeenkomst kunnen Zaanse sjouwers gehoord hebben van de werkwijze van het korendragersgilde. Het kan ook zijn dat ze via hun dorps- of streekgenoten weet hebben gekregen van de omzeiling, schending of aanpassingen van de gildebepalingen zoals bij de genoemde beschuitbakkers. Een direct contact door ontduiking van de gilderegels als 'beunhaas' is eveneens denkbaar
Het is moeilijk na te gaan of die mogelijke kennis zich uitstrekte tot de organisatie van het werk. Wel is de invloed aannemelijk van het nog jarenlang voortbestaan van met name de transportgilden na de uiteindelijke afschaffing van het gildesysteem in 1818. Zelfs tot in 1980 verstrekte het voormalige gildefonds uitkeringen aan nabestaanden. 5
Of in de begintijd van de gladoor Muus Zwart, 1913, over de vroegere gilden gesproken werd, is niet te achterhalen, maar de karakteristieke organisatie kan tot het ongeschreven erfgoed behoord hebben, mede door de eerdere ervaringen in de negentiende eeuw van Muus' vader waarmee hij samenwerkte. 6

Langs deze wegen kan de voor de korendragergilde typerende werkverdeling bij de latere Zaanse ploegen meer of minder bekend zijn. Een verdeling die met een systeem van dobbelen, loten of nummering niet aan een persoonlijke voorkeur gebonden is (objectivering). Als het ware opgedrongen door de onvermijdelijke onregelmatigheid in het transport van goederen door de wisselende komst onder invloed van weersomstandigheden, oogsten, seizoenen en vraag. Om deze veronderstellingen en eerste conclusies te kunnen beoordelen, is een nadere blik gewenst op de (koren)dragersgilden in het algemeen en die van Amsterdam en Rotterdam in het bijzonder. Maar eerst een korte schets van de gilden en hun functies.

Foto gevelsteen Turfvulster
Gevelsteen Turfdraagsterpad Amsterdam - Vereniging Vrienden van Amsterdamse gevelstenen

Gilden

De oorsprong van het begrip gilde kent verwijzingen naar 'vereniging/broederschap' en 'geld/betaling/hulp' die uiteindelijk de functies van de gilden bevatten. Dat geldt zowel voor de kooplieden-, schutters- en buurtgilden als de ambachtsgilden waar het hier omgaat: organisaties die beroepsgenoten verenigen en met instemming van de plaatselijke overheid de economische belangen van de leden bevorderen, zodat zij verzekerd zijn van een leefbare bestaansbasis. De term 'broederschap' is letterlijk, de gilden waren op een enkele uitzondering na (bijvoorbeeld de turfdraagsters) een aangelegenheid van mannen. 7

De belangenbehartiging rustte op marktordening en betrof uitsluitend de betalende leden, de meesters/bazen. Uitgewerkt in de regulering van het inkomen, de prijs, de kwaliteit en kwantiteit van het product en de productie, de arbeidsvoorwaarden en de onderlinge steun bij ziekte, ouderdom en overlijden, dus ook aan nabestaanden. Via een verplicht lidmaatschap dienden de leden zich aan deze regelingen te houden, de zogenoemde gildedwang. De uitoefening van deze functies hield de bescherming in van het werkterrein van de ambachtsgilden, zowel binnen (meestal) de stad of van mogelijke concurrentie daar buiten, dus door monopolievorming.

In het volgende deel zal de bijzondere positie van de dragersgilden uitgewerkt worden. Zo kenden zij geen interne opleiding en 'dus' geen meesters en scoorde hun openbare zorg voor het transport hoog. Binnen de steden en als schippers er buiten. Dit ondanks de lage maatschappelijke status van hun ongeschoolde arbeid. Bovendien bleven hun organisaties en steunfondsen decennia lang voortbestaan na de formele opheffing van de gilden in 1818.


1 S. Bos, "Uyt liefde tot malcander". Onderlinge hulpverlening binnen de Noord-Nederlandse gilden in internationaal perspectief (1570-1820). IISG Amsterdam, 1998, pp. 33 en 260. (terug)
2 H. Roovers, P H. Zijl, Onvoltooid verleden. Geschiedenis van de Zaanstreek, Zaandijk, p. 1980, pp.28 en 37. J. de Vries, A. van der Woude, Nederland 1500-1815. De eerste ronde van moderne economische groei, Amsterdam 1995, p. 352. (terug)
3 M. Prak, Ambachtsgilden vroeger en nu, Neha-Jaarboek voor economische, bedrijfs- en techniekgeschiedenis, 57 1994, p. 13. (terug)
4 P. Lourens en J. Lucassen, Ambachtsgilden binnen een handelskapitalistische stad: aanzetten voor de analyse van Amsterdam circa 1700, Neha-Jaarboek 61 1998, pp. 154 en 145. (terug)
5 Zie noot 1, p. 133. (terug)
6 Zie onder meer: deel 12, 31 maart 2019 en deel 13, 14 april 2019. (terug)
7 Zie noot 1, pp. 33 en 24. (terug)