welkom
extra
Solidariteit

Onderzoek 'losse ploegen Zaanstreek' - deel 35

Continuïteit zonder herhaling

Hans Boot

De conclusie in het vorige deel van deze serie was dat de werkverdeling bij de Zaanse losse ploegen,overeenkomsten vertoonde met de organisatie van de Amsterdamse korendragers. Beide groepen sjouwers hadden te maken met onregelmatig beschikbare arbeid en vingen dat op door in een vastgelegde volgorde aan het werk te gaan -- 'zonder aanzien des persoons'..Een vergelijkbare conclusie was al eerder getrokken bij de turfdragers in Amsterdam, de zakkendragers in Rotterdam en onder meer in Dordrecht. Aangevuld met de historische schetsen van de poldergasten en de trekarbeid nadert daarmee dit onderzoek naar de herkomst van de losse ploegen zijn afronding. Nog niet in dit deel 35. Daarin aandacht voor de maatschappelijke status van de korendragers en de 'vemen': waagdragers die zich zelfstandig organiseerden vanuit hun gilde.

Maar eerst een citaat uit een rapport uit 1842 over de organisatie van de korendragers dat evenals een in 1828 uitgekomen rapport de duurzaamheid van hun werkverdeling bevestigde (zie slot deel 34):
(…..) dat de koorndragers bij de factoors in ploegen zijn, waarvan diegenen welke het eerst op de lijst der ploegen staan, bij het werk dat er komt, het eerst geteld worden, komt er een tweede werk, dan worden de volgende manschappen van de lijst geteld, namelijk wanneer de manschappen van het eerste werk nog niet terug zijn, maar zijn die terug, dan worden die weder voor het werk geteld en de andere blijven van het werk verstoken, waaruit volgt, dat zij die het achterste van die lijsten gesteld zijn weinig of niets kunnen verdienen, omdat zij zelden aan de beurt komen om te werken.

Foto
Gevelsteen, Kerkstraat 45-46 Ouderkerk aan de Amstel.

De factor

De genoemde factor, bekend uit de geschiedenis van de losse ploegen, bemiddelde tussen de leden en de inlenende koopman of ondernemer. Hij werkte niet mee, nam het werk aan en betaalde de leden van de ploeg. Later maakte hij plaats voor de meewerkende 'eerste man'. De in het citaat geschetste situatie van (tijdelijk) onvoldoende werk kon de laagste nummers treffen of de mensen zonder nummer die slechts bij 'veel werk' ingeschakeld werden. De gilden kenden een strak gereguleerd aantal (numerus fixus) en maakten regelmatig gebruik van noodhulpen.

In de havens bestond tot ongeveer een eeuw geleden, maar steeds terugkerend, het onderscheid 'vast' (bij één ondernemer), 'los-vast' (los bij één ondernemer) en 'los' (wisselende ondernemers). De 'vasten' zijn te vergelijken met de hoogste nummers die altijd wel, via een factor, aan het werk komen. De 'los-vasten' met de lagere nummers en minder 'arbeidskansen'. De 'lossen' worden bij een onvoorziene piek ingeschakeld, zelden door een factor, de gelegenheidsarbeiders.

Aan de rand

De in 1898 gesloopte tapperij in Koog aan de Zaan de Korendrager was geen uitzonderlijke verwijzing naar deze gildebroeders en het café. Een 'uitleg' bood een in 1867 geschreven geschiedenis over de 'uithangtekens' bij onder andere pakhuizen en herbergen in Amsterdam:
Korendragers waren van ouds goede drinkers, en aan de herbergen, waar ze bijeen kwamen, hing ook altijd de Korendrager uit: wij zien er nog hier en daar eenigen op gevelsteenen. Een beroemde kroeg hadden wij in de 17de eeuw op de Kolk, waar de tapper op zijn deur twee Korendragers had laten schilderen.
Hoe neutraal hier ook geformuleerd, in interviews met leden van verschillende losse ploegen vertelden ze door de goegemeente soms als 'zuiplappen' weggezet te zijn – bedenkelijke types aan de randen van de arbeidsmarkt. Het zal de korendragers niet veel beter zijn gegaan. Weliswaar boven de straatventers, scharrelaars en allerarmsten stonden ze laag in de hiërarchie van de sociaaleconomische ongelijkheid. Met fysiek zware arbeid die 'ongeschoold' heette in een gilde zonder opleidingsperiode en meesters.

Foto
Naamloze Vennoot Purperhoedenveem, Oudezijds Achterburgwal 224 Amsterdam.

Tegelijkertijd droegen zij meerdere eeuwen de graaneconomie van Amsterdam. Loonarbeiders betaald door of via het stadsbestuur dat hen boven de directe arbeid belastte met een 'sociale functie' die zij dienden uit te oefenen bij alarm en onheil. Bestrijden van oproer tot blussen van branden, oppakken van 'deugnieten' tot optreden bij watersnood. Bij een verplicht deelname dienden zij zich bij een oproep te verzamelen bij het gildehuis aan de Nieuwezijds Kolk.
De vraag is, hing deze sociale taak van de korendragers samen met de loonafhankelijkheid ten opzichte van het stadsbestuur. Of zijn zij het, in fysieke kracht geschoolde, voetvolk dat in Amsterdam en zijn economie orde, bescherming en discipline diende te garanderen. Voor beide veronderstellingen is veel te zeggen. De weinige afbeeldingen die van hen bekend zijn, betaalden ze uit een schrale buidel en toonden daarom des te meer hun trotse ongebondenheid.

De vemen

De korendragers stonden dicht bij de 'vemen'. Het Veem was een begrip in de Zaanstreek als goederenopslag voor andere bedrijven, met naast Unieveem en Bruins Veem als bekendste het Zaans Veem De geschiedenis van het Zaans Veem gaat terug naar 1820 om in 1964 overgenomen te worden door Blauwhoedenveem dat in Amsterdam een eerste vermelding krijgt van een groep samenwerkende dragers in 1616. De naam verwijst naar de blauwe hoeden waarmee een groep waagdragers die de goederen vervoerden van het schip naar de waag waar de officiële gewichtsmeting plaatsvond. Zij onderscheidden zich via de kleur van hun 'klapmuts' van andere groepen waagdragers (purper, rood en groen bijvoorbeeld) en werkten onvermijdelijk samen met de korendragers in Amsterdam (en de zakkendragers in Rotterdam).

Foto
De Waag (1617) Nieuwmarkt Amsterdam, oorspronkelijk 15e eeuwse Oostelijke toegangspoort
stadsommuring Amsterdam. Vandaag café restaurant.

Uit het gilde van de waagdragers, evenals de korendragers door hun specifieke taak van groot belang voor het stadsbestuur, ontwikkelde zich naar de wens van kooplieden groepen van vijf tot negen man die zich vemen noemden. Verenigingen (veemnote: vennoot), waarin de leden een gezamenlijk bestaansrisico namen om de goederen van de kooplieden te verplaatsen (schip, waag, pakhuis, zolder). Zo'n corporatie kende een vast aantal leden en leende regelmatig vrijlieden (vrij van een gilde) in. Stierf één van hen dan droegen ze drie geschikt geachte vrijlieden voor waaruit het stadsbestuur er één koos. De vrijlieden werden volgens een roulatiesysteem 'op de pen gezet' (zie deel 32). Een paar cijfers. In 1685 functioneerden in Amsterdam 22 vemen. Een telling in 1768 kwam uit op een waagdragergilde van 283 leden, waarvan 150 veemgasten en 133 vrijlieden.
Ook deze vemen en met name hun zelfstandigheid doen sterk denken een de opzet van de latere losse ploegen. Ten opzichte van de kooplieden traden ze als hun 'eigen' factor op, terwijl de vrijlieden te vergelijken zijn met de 'losse nummers'.

Zoals gezegd, nadert de afronding van het onderzoek naar de voorgeschiedenis van de Zaanse losse ploegen. Het slot vraagt nog een doorloop van de 35 delen om eventuele onduidelijkheden en hiaten weg te werken en aanvullingen aan te brengen. Een daarop volgende, concluderende samenvatting zal onvermijdelijk aandacht geven aan een specifiek verband met de vroege en later weer terugkerende industrialisatie van de Zaanstreek, waarin 'het transport' als bestaansgrond van de losse ploegen nog eens onder de loep wordt genomen.
Het zal echter nog minstens een maand duren eer in de laatste delen van deze serie de afronding een feit is. Tot dan!

Geraadpleegde literatuur

S. Bos, ''Uyt liefde tot malcander”. Onderlinge hulpverlening binnen de Noord-Nederlandse gilden in internationaal perspectief (1570-1820). IISG Amsterdam, 1998.
W. de Fremery, Moet de arbeidsbemiddeling in het havenbedrijf geregeld worden? Prae-advies voor de Jaarvergadering der Ver. Van Ned. Arbeidsbeurzen in mei 1914. IISG.
J. ter Gouw, J. van Lennep, De uithangteekens. In verband met geschiedenis en volksleven beschouwd. Vijfde boek, 1867-1869, De digitale bibliotheek van de Nederlandse letteren.
K.A. Knaap, Het Veem. Geschiedenis van en herinneringen aan een legendarisch bedrijf. Uitgeverij Lectori Salutem, 2004.
A. Knotter, Stedelijke economie en arbeidsmarkt. Amsterdam in de eerste helft van de negentiende eeuw. In: BMGN, 1986/4.
E. M. Meijer, Een bijdrage tot de geschiedenis van de arbeidersbeweging in het veembedrijf te Amsterdam. In: Vragen des tijds, oktober 1904.
A.J. Teychiné Stakenburg, Zakkendragers van Rotterdam. Rotterdam, 1975, tweede druk.
M. van der Velden, Havenarbeiders en dragersgilden. Vergeten historie. Economisch- en Sociaal-Historisch Jaarboek, 's Gravenhage, 1982.
J. de Vries, A. van der Woude, Nederland 1500-1815, De eerste ronde van moderne economische groei. Amsterdam 1995.