welkom
extra
Solidariteit

Onderzoek 'losse ploegen Zaanstreek' - deel 6

Wetgeving en mechanisering

Hans Boot

Na een bestaan dat teruggaat tot de tweede helft van de negentiende eeuw, maakte een dikke eeuw later wetgeving een einde aan de zelfstandige losse ploegen van de Zaanstreek. Aangejaagd door de mechanisering van het traditionele sjouwwerk, Weliswaar was die wetgeving niet direct gericht op deze ploegen en hun basis van zelforganisatie, maar een formele structuur bleek onontkoombaar. Deel 5 in deze veertiendaagse serie, kondigde 23 december 2018 deze overgang aan. Een proces dat bij de verschillende ploegen anders verliep. Van vereniging via uitzendbureau tot besloten vennootschap. Voorlopig echter gingen de gladoren van Wormerveer tot eind jaren negentig op de oude voet verder. De eerste man van die ploeg sneed dat aan in deel 5 en vervolgt zijn ervaringen in dit zesde deel.

Niet alle bedrijven stonden te trappelen de wetgeving in te voeren. De bedrijfsvoering bleef gericht op de inschakeling van ervaren en veelzijdige sjouwers op tijdelijke basis. Naar verhouding goedkoop en ook nog zeker. Liep dat in volle tevredenheid en zonder gedoe, kende een nieuwe regelgeving geen enkele prioriteit. Sterker nog, ze kwam niet ter sprake zoals bij de ploeg van Jan Aafjes.

Inleen van arbeid verandert

Van een wet die de losse arbeid regelde, heb ik nooit wat gemerkt. (…). De inleners hadden in ons geval, denk ik, nog geen enkele behoefte gehad aan een verandering. Bij Aafjes, wisten ze, was alles open en tot in de puntjes geregeld, geen gedoe met geld, afspraken kwamen we altijd na. Betrouwbaarheid, daar ging het om, dan kwam het werk terug. Geen oplichterij en andere rottigheid. Goed voor het werk, goed voor de mensen. De jongens zouden nooit naar een uitzendbureau willen, dat kostte loon voor een kantoor. Toen het in 1998 bij Gerkens, tien jaar eerder overgenomen door Cargill, vanwege de Flexwet die kant opging, kondigde ik aan het jaar daarop met de ploeg te stoppen. Van de nog ruim twintig man zijn er daarna drie naar de Koogse ploeg gegaan en een paar kwamen in vaste dienst bij Gerkens. 1

Foto twee collega’s in de haven met een boterhammetje
Foto - Piet den Blanken

Waar bij de andere ploegen die overgang naar een wettelijk erkende structuur plaatsvond, vergde dat heel wat. De eerste man, een aangetrokken werknemer of extern bureau diende zich met de bedrijfsvoering te belasten, zowel naar het inlenende bedrijf als de in dienst genomen 'losse' arbeider. De verhouding tussen de bedrijven en de ingeleende arbeidskracht veranderde, zo was bijvoorbeeld de tijdelijkheid scherper omschreven en diende de ingeleende arbeid een vervanging te zijn van wat gebruikelijk in het bedrijf gedaan werd. De voorwaarden om de (jaarlijkse) vergunning te verlenen en te verwerven werden al snel van uitzonderingen voorzien die uiteraard de nodige controle en inspanning kostten. Dit alles vroeg tijd.

Naar een onderneming

Behalve de spectaculaire groei van het aantal bonafide uitzendbureaus, brak in de jaren tachtig de finale fase aan van een lange, 'vrije en relatief wilde' geschiedenis van drie klassieke losse ploegen.2 Aangewakkerd door wetgeving in de jaren zeventig vormde Kappie in 1980 een vereniging en in 1987 een stichting met de status van uitzendbureau. Na de liquidatie in 1998 stapte een groep van zo'n dertig man over naar de Koogse Ploeg die in 1991 was overgegaan tot de verenigingsvorm en in 2006 verderging als een besloten vennootschap. De ploeg van Stam besloot in 1986 tot de oprichting van een uitzendbureau, eerst als VOF (Vennootschap onder firma) en in 1991 als Stacon BV, logistieke en industriële dienstverlening.3

Wij hadden veel werk van Croklaan dat in 1971 door Unilever was overgenomen en later samengevoegd met een Engels bedrijf tot Loders Croklaan. Unilever wilde af van de rompslomp en verantwoordelijkheid dat elk ploeglid in dienst was van dat bedrijf. Wij dreigden het werk kwijt te raken en gingen de weg op van een uitzendbureau. Daarmee kwam een einde aan de oude losse ploeg. Dat viel samen met de mechanisering van een groot deel van het sjouwwerk. Deze overgangstijd was moeilijk. Om aan de nieuwe eisen te voldoen, de wettelijke vergunning en allerlei regelgeving, bouwden we een organisatie op met een klein kantoor en halverwege de jaren negentig zo'n honderd man in dienst. Dat was heel wat anders dan de vroegere ploeg sjouwers.4

Dat lijkt inderdaad de gang van zaken geweest te zijn. De meeste inlenende bedrijven wilden geen 'gedoe' meer met sociale premies en individuele loonzakjes, ook omdat de uitbetaling steeds meer via de giro of bank plaatsvond. Een praktische vertaling van wat de wetgeving aangaf. Wel bleven de leiding en het toezicht over de 'ter beschikking gestelde' arbeidskracht bij de inlener: een gedelegeerde gezagsverhouding. Later, in 1991, werd deze verhouding bevestigd in een vernieuwde wetgeving om 'uitzenden' te onderscheiden van 'detacheren' waar die gezagsverhouding zelden gold.
Terecht noemde Willem Stam een andere ontwikkeling die de positie van de losse arbeid beïnvloedde. Namelijk de mechanisering van de traditionele fysieke arbeid, zoals het sjouwen van balen, die zowel minder (losse) arbeiders vroeg als anders gekwalificeerde. Een sprekend voorbeeld is de komst van de containers. Vanaf de tweede helft van de jaren zestig versnelden deze metalen laadkisten de goederenoverslag aanzienlijk. En bovendien met een kleiner aantal mensen en nieuwe beroepsvaardigheden, zoals bediening van transportmiddelen als de heftruck. Ook op een andere manier werkte deze verandering door in de ploegen. De ondersteunende scholing was na de nieuwe wetgeving een aangelegenheid voor de uitlener en niet meer zoals voorheen voor het inlenende bedrijf.


1 Jan Aafjes (1934), interviews 9 en 30 juni 2016. Zie noot 2 in deel vijf: http://www.solidariteit.nl/extra/2018/komst_uitzendbureaus.html (terug)
2 De uitzendarbeid. uitgedrukt in arbeidsjaren, steeg van ongeveer 40.000 naar 125.000 in de periode 1980-1990 (1970: ongeveer: 8.000). Ontleend aan: P. A. Donker van Heel, Inleenmotieven van werkgevers, in: Bedrijfskunde, tijdschrift voor modern management, 2000-4. (terug)
3 Willem Stam, (1949), interview 3 mei 2016. Willem begon op zestienjarige leeftijd bij de "Ploeg Stam", waar eerst zijn grootvader (Willem, 1897) en later zijn vader (Thomas, 1922) eerste man waren. In 1980 volgde hij zijn vader op. Met zijn broer Bert runt hij de BV Stacon ('Stam in containers'), Willems zoon Geoffrey is inmiddels begonnen als bedrijfsopvolger. (terug)
4 Aan het woord is Willem Stam. (terug)