welkom
extra
Solidariteit

Onderzoek 'losse ploegen Zaanstreek' - deel 25

Polderjongens - met geweld en strafrecht aangepakt

Hans Boot

Tekening
Polderjongen, tekening Theo van Doesburg (1883-1931) - richtte in 1917 het tijdschrift De Stijl op

De polderjongens, hun leven en werken in seizoensarbeid en vaak maanden van huis - als er al een thuis was - staan in een lange traditie van grondwerkers, turfgravers en veenarbeiders. Zwaar werk en een terugkerende strijd om de hoogte van het stukloon. Krachtmetingen die vaak gepaard gingen met kortdurende stakingen. De voorgaande delen 23 en 24 getuigen daarvan met de aanleg van het Noord-Hollands Kanaal (gereed: 1823/1824) en de drooglegging van de Zuidplas (1840). De staatsfinanciering van die plas tussen Rotterdam en Gouda verliep uiterst moeizaam en kwam na het Koninklijk Besluit van 1816 pas in 1834 goed op gang door het koloniaal kapitaal uit het Cultuurstelsel. Deze trekarbeid en de eerdere excursie in deze serie naar de losse arbeid in onder meer de havens en bij de boeren dreigen de Zaanse losse ploegen uit beeld te brengen. Maar de overeenkomsten zijn leerzaam en heus hun voorvaders, de korendragers, staan te popelen om over een paar delen het woord te nemen.

In dit deel 25 komen de polderwerkers van de Zuidplas terug, Opnieuw met raadpleging van de baanbrekende publicatie uit 1975 van Hans Metz. 1 Na de Zuidplas gaat de aandacht naar de ruwe jongens die het Merwedekanaal uit de grond trokken, in deel 26 gaan ze daarmee door. De voor Metz beschikbare archieven geven summier aandacht aan de herkomst, de reis en het leven van de poldergasten die in de streek van Waddinxveen bivakkeerden. Aangenomen kan worden dat ze in kleine groepen dorps- of buurtgenoten vertrokken na 'horen zeggen' over de plannen voor of tijdens de drooglegging. In de primitieve omstandigheden zullen samenwerking en solidariteit de toon hebben gezet in de tijdelijke groepen die door de lange onderbrekingen wisselend van samenstelling waren.

Stakingen

Van grote invloed zijn de herhaalde verwikkelingen rond de uitbesteding. Zo werden bijvoorbeeld onderhandse afspraken gemaakt met aannemers die de functionarissen van de Commissie van Beheer en Toezigt naar beneden corrigeerden tot lonen die zelfs de aannemers te laag vonden. Ook hierover was de informatie schaars, maar de uitvoerige aandacht aan het neerslaan van stakingen en het optreden van militairen tegenover kwaadwilligen en onruststokers gaven een scherp beeld van de arbeidsverhoudingen. Dat gold met name tijdens en na de meerdaagse stakingen in 1840 die op drie plaatsen tegelijk uitbraken. Een stoet van honderd man met stokken en een rode vlag trok door de polder, waarna zo'n twaalfhonderd revolterende werklieden het werk stillegden. Het waren heftige botsingen tussen de polderwerkers en legeronderdelen met kurassiers te paard die onder meer uitmondden in loonsverhogingen, ontslagen. arrestaties, rechtszaken en gevangenisstraffen. 2

Tekening kurassiers on de aanval
Kurassiers, basis van het leger in de periode van de zestiende tot in de negentiende eeuw

 

Evenals bij de trekarbeid aan Noord-Hollands Kanaal vormt de losse en tijdelijke arbeidsverhouding de overeenkomst met de Zaanse ploegen, zo ook de onderlinge samenwerking en het buffelen en sjouwen. Ook bij de drooglegging van de Zuidplas zal een zelf georganiseerde werkverdeling met een nummersysteem ontbroken hebben. Sterker dan in Noord-Holland is er in het Zuid-Hollandse veenwerk sprake van loonverschillen en de daarmee samenhangende hiërarchie. Bovendien zijn de financiering en voortgang van de werkzaamheden moeizamer en onzekerder.
De repressieve bejegening van de polderwerkers door de betrokken autoriteiten was scherper en al voor het begin van de werkzaamheden ingegeven door de opgedane ervaringen in Noord-Holland. De kwalificatie 'vagebond' doet nog denken aan de cowboy en vrijbuiter, waarmee de ongebondenheid van de losse arbeider is getypeerd. Anders wordt het met de aanduiding, beter gezegd verwensing, als regelloze oproerkraaier, raddraaier die met geweld en strafrecht aangepakt moet worden.

Merwedekanaal

Foto
Ploeg gravers, aanleg Merwedekanaal - jong, oud en wat hoger de putbaas

In de geschiedschrijving over de aanleg van het Merwedekanaal, 1887-1893, is de typering van de polderwerkers naar verhouding mild: ruwe jongens. Andere losse arbeiders in die tijd, zoals de houtvlotters op de Vecht, kregen een afwijzende, inmiddels bekende, omschrijving: rauwe klanten, niet zelden afkomstig van de zelfkant van de samenleving. 3

De vraag is of de gravers van het Merwedekanaal en hun omstandigheden zich onderscheiden van hun collega-grondwerkers bij het Noord-Hollands Kanaal en de Zuidplas. De afwezigheid van stakingen lijkt dat te bevestigen. 4 Bij de gebruikte informatie is echter de kanttekening 'voor zover bekend' niet overbodig. Want buiten de artikelen van de Historische Kring Breukelen bij de viering in 1992/1993 van een eeuw vaart van Amsterdam naar Vreeswijk, is weinig terug te vinden, ook niet over het vervolg tot Gorinchem. Wel over hun schop, kruiwagen en puthaak. Met de laatste, zo'n één meter dertig meter lang, verschoven ze de loopplanken aan een rond gat en maakten zo de bagger enigszins begaanbaar. Het spitten, kruien en storten werden er niet minder om.

Eén maal wordt melding gemaakt van ongeregeldheden. Ze doken op, toen in 1889 de werkzaamheden Breukelen hadden bereikt. Op het officiële aanlegbesluit van 1881 waren vertragende procedures gevolgd over grondonteigening en situering van bruggen en aanlegplaatsen. In 1888 kwam het werk goed op gang. Een jaar later berichtte de burgemeester van Breukelen-Nijenrode op 13 oktober de procureur-generaal te Amsterdam:

Op ergerlijke wijze is huisgehouden en mishandelingen, verwondingen en verwoestingen werden (...) toegebracht, waardoor alhier de dorpsbewoners dusdanig zijn verbitterd geraakt dat het hoogst raadzaam was onmiddellijk, ter voorkoming van meerdere treurige gevolgen het de burgemeester ter beschikking staande politiepersoneel aanmerkelijk te versterken. 5

Ooggetuigenverslag

Die versterking kwam er, in november 1889. Een paar weken later aangevuld met drie tijdelijk aangestelde rijksveldwachters die optraden bij een andersoortige 'sociale onrust'. Geen door drank getekende vechtpartijen, maar protesten toen door vorstverlet niet gewerkt kon worden en de loonbetaling uitbleef.
Het kan zijn dat het verrichte onderzoek rond Breukelen nauwelijks aandacht of prioriteit gaf aan stakingen en andere acties. Aannemelijk is dit niet. Om het verloop van de aanleg te reconstrueren, zijn bijvoorbeeld van het dorp Breukelen de gemeentearchieven en de notulenboeken van de raadsvergaderingen geraadpleegd.

Bovendien is er een zeer informatief ooggetuigenverslag van een waterstaatkundig ingenieur in 1890 dat zowel sociaal bewogen als gedetailleerd is. Zo noemde hij de polderjongens levende werktuigen en beschreef hij de inrichting van de keten aan de hand van een tekening met lengtematen. Men sliep op vochtige gronden en slechte bedden of bedorven stroo, te midden van allerlei uitwasemingen. Veertien mannen in een ruimte van 21 vierkante meter, een zolder op den vloer,een voorvertrek als woonkamer en tevens slaapkamer voor de putbaas en zijn gezin. De overigen sliepen in het achterdeel, met muizen en ander ongedierte als medebewoners. De tijdgenoot verwees ook naar een kongsi tussen politie en putbaas om de dorpskern rustig te houden. De politie kneep een oogje toe (...). Dan lokt de putbaas tot onmatig drinken uit, schrijft als de polderjongen dubbel ziet, met dubbel krijt op, zet hem aan door het verleenen van crediet en maakt hem zoo van lieverlede geheel afhankelijk.6


1 H. Metz, De drooglegging van de Zuidplas en de staking van 1840. In eigen beheer uitgegeven in 1975. (terug)
2 Idem, pp. 27, 28. Kurassiers: zwaar bewapende cavaleriesoldaten die een borstharnas droegen dat een kuras heette. (terug)
3 A. Manten, Keulse Vaart vervangen door het Merwedekanaal, Tijdschrift Historische Kring Breukelen, 1992 nummer 1. Oorspronkelijk diende het Merwedekanaal als vervanging van de al bestaande Keulse Vaart (1825) die via de Vecht liep. Het kanaal was in 1892 gereed van Amsterdam naar Vreeswijk (de Lek - 35 kilometer), in 1893 tot De Boven Merwede onder Gorinchem. Later opgenomen in het Amsterdam Rijnkanaal (1938 en 1952, in totaal 72 kilometer). (terug)
4 In het onderzoek van R. Burgler - Stakingen van polderjongens in de 19e eeuw, Amsterdams Sociologisch Tijdschrift juni 1979, nummer 1, pp. 51-78 - komt de aanleg van het Merwedekanaal ter sprake, hij maakt echter geen meldingen van een staking of andere actie. Hetzelfde geldt voor E. Berkers, De handen van het 'genie. Polderwerkers in de negentiende eeuw, Tijdschrift voor Waterschapsgeschiedenis, 1998, nummer 7. Ook de geraadpleegde publicaties van de Historische Kring Breukelen vermelden geen staking - historischekringbreukelen.nl (terug)
5 A. Manten, Keulse Vaart vervangen door het Merwedekanaal, Tijdschrift Historische Kring Breukelen, 1992 nummer 1. (terug)
6 R.P.J. Tutein Nothenius, Langs het Merwedekanaal, de Haardvriend 1890. Samengevat en aangevuld door: B. Barelds, De gravers van het Merwedekanaal, Tijdschrift Historische Kring Breukelen, 1993, nummer 3. (terug)