welkom
extra
Solidariteit

Onderzoek 'losse ploegen Zaanstreek' - deel 24

Poldergasten 'opstandige vagebonden'

Hans Boot

Het vorige deel was gewijd aan de polderjongens. Beschrijvingen over hun leven en werken in de zestiende en negentiende eeuw laten een verwantschap zien met 'onze' Zaanse losse ploegen. In 1578 typeert Andries Vierlingh, rentmeester van Steenbergen, de poldergasten als boeven en rabauwen. Onmisbaar voor de bedijking van de polders die tot vandaag in meerdere opzichten zo kenmerkend zijn voor het Lage Land,.Hij zette voor eeuwen de toon in de benadering van de 'vrije jongens' die slechts onder scherp toezicht nuttig waren. Hard werken op de momenten dat ze nodig zijn. Baggeren, droogleggen en dijken bouwen. Buffelen.
Een paar eeuwen later schetst Jacques Giele (1944-2012) het bestaan van zijn grootouders. Niet bepaald sociaal aanvaard, konden zij slechts met zwaar en smerig werk hun levensonderhoud veilig stellen. Nomaden. Heidenen. Paria's. Het lijken grote woorden, maar voor deze polderjongensfamilie uit de negentiende eeuw was het werkelijkheid.

In dit deel 24 komt de aanleg van het Noord-Hollands Kanaal terug, gevolgd door de drooglegging van de Zuidplas (tussen Gouda en Rotterdam) die in 1828 begon, vier jaar na de opening van de vaarroute voor zeeschepen van Den Helder naar Amsterdam. De door vervening ontstane plas bood een groot karwei van ongeveer 4.200 hectare. Het werk verliep stroef van deze kapitaal zoekende 'staatsonderneming'.

Tekening
Panorama Noordhollands Kanaal 1825. Collectie Stichting Provinciale Atlas Noord-Holland.

Ruwe en sterke werklieden

De werkgever Rijkswaterstaat, vertegenwoordigd door ingenieurs en ambtenaren, besteedde de te verrichten werkzaamheden via open inschrijvingen uit aan aannemers. Op de herhaald verlaagde financiering van deze publieke werken (na de Franse bezetting en een gekraakte economie) concurreerden aannemers om een zo laag mogelijke prijs. Een schraalheid die doorwerkte naar onderaannemers met vaak meerdere ploegen, de putbazen en uiteindelijk naar de polderjongens die als laatste schakel ook nog eens getroffen werden door de regelmatige vertragingen in de betalingsketting.
Waar de lonen de hoogste 'kostenpost' vormden, waren erbarmelijke arbeidsomstandigheden het gevolg. Versterkt door de ontbrekende 'patronale binding', de massaliteit van wonen en werken en een geïsoleerd bestaan van maanden gingen de poldergasten regelmatig over tot demonstraties en stakingen. Ook door botsingen over het slachten en stelen van vee en diefstallen van brandhout vielen deze acties samen met gewelddadigheden, vaak in hevige confrontaties met zowel de aannemers als het leger. Ongeregeldheden die de burgerij en de inwoners van omliggende dorpen beschouwden als onlusten door uitvaagsel en opstandige vagebonden: de maatschappelijk uitgestotenen. Ze werden in een brief aan de minister van Binnenlandse Zaken en Waterstaat als volgt beschreven:

Dewijl bij eene verzameling van zesduizend zeer ruwe klasse jonge en sterke werklieden, zoogenaamde schaftwerkers, vletters enz. met de onvermijdelijke nasleep vandien die tegenwoordig langs de linie van het Groot Kanaal door Noord Holland samengevloeid en arbeidende zijn, het in den aard zulker menschen en zaken opgesloten ligt, dat er van tijd tot tijd twisten onder dezelven moeten oprijzen en weerspannigheid plaatsgrijpe tegen de hun pligt doende opzichters en bazen.1

Juist omdat zij in grote groepen onder tamelijk anonieme arbeidsverhoudingen en in gemeenschappelijke omstandigheden werkten en leefden, kenden polderwerkers een krachtige onderlinge solidariteit. Versterkt door een steeds wisselende arbeidsplaats, een beroepstrots en een groot rechtvaardigheidsgevoel mondden die gezamenlijkheid vrij gemakkelijk uit tot stakingen.2 In optocht riepen de stakers hun collega's op mee te doen. Van het ene naar het andere perceel volgden ze traditionele rituelen: muziek van fluitisten en trommelaars, schreeuwend en dansend, de gezichten zwart onherkenbaar gemaakt, () twee lopen er krom met netten over het hoofd en wilgentakken om het lijf, ze worden met een stok voortgedreven door (.. x ..) die tegen ieder die het horen wil roept: ''Dit zijn mijn beren'', waarmee zij hun onderschikking belachelijk maakten.3 Geld om een staking lang vol te houden ontbrak, succes was bepaald niet verzekerd, mede daardoor kon het verloop heftig zijn en persoonlijk op bijvoorbeeld de aannemer gericht.

De militaire maat

Vijf jaar na de staking bij het Noord-Hollands Kanaal van 1823 schreef tijdens de beginnende drooglegging van de Zuidplas de Procureur Generaal van het Hoog Gerechtshof te 's-Gravenhage aan de Rotterdamse Officier van Justitie, met een afschrift aan de minister van Justitie:

De ondervinding tijdens het oproer aan het Noord-Hollandsch kanaal heeft doen zien, welke treurige gevolgen er ontstaan, wanneer op de plaats zelve niet dadelijk aanwezig is de militaire maat, om onverwijld de rust te handhaven, en ontzag inboezemen.4
Gescande afdruk van tekening
Tekening (1903) van Theo van Doesburg (1883-1931). Richtte in 1917 het tijdschrift De Stijl op.

Dit citaat maakt deel uit van een intensieve correspondentie tussen de betrokken autoriteiten vanaf het voorjaar van 1828 over voorbereidende maatregelen tot waakzaamheid die ze vervolgens in de jaren daarna regelmatig in praktijk brachten.
De herhaling die de gezagsdragers verwachtten, betrof niet alleen de sedentieuse [oproerige] bewegingen. De realiteit van de twee grote polderwerken was vergelijkbaar. Na het koninklijk besluit van 1825 volgden drie jaar later in de streek rond Waddinxveen/Moordrecht de terreinwerkzaamheden, de drooglegging van een verveningsplas die ontstaan was na eeuwenlange turfwinning. Met als bijzonderheid dat voor het eerst bij de Nederlandse droogmaking een stoommachine gebruikt werd met twee stoomgemalen en dertig windmolens.

Koloniaal kapitaal

De inschrijvingen door de aannemers stagneerden regelmatig, omdat ze het financiële bod van de Commissie van Beheer en Toezigt (namens de minister van Waterstaat belast met de organisatie) te gering vonden voor de drooglegging van de arbeidsintensieve, slappe veenbodem. Bovendien lag tijdens de Belgische Opstand, wegens geldgebrek, het werk van de veenwerkers in 1830 stil. Hun aantal varieerde van zes- tot vijftienhonderd. In afwachting van de voortzetting van het werk bleef een deel van hen in de buurt van het omliggende gebied.
Pas toen de opbrengsten van het koloniale Cultuurstelsel na 1834 ingezet werden, kwam met de binnenkomende inschrijvingen het eerste stoomgemaal in functie. Bediend door een ploeg bestaande uit een machinist, een stoker en twee sjouwers. De laatsten verdienden bijna de helft minder dan de machinist, de meesten sliepen en woonden op de zolder of directe omgeving van het gemaal, terwijl de hoogst verdienende twintig opzichters over een eigen keet beschikten. Allen waren, in tegenstelling tot de polderwerkers, in dienst van de Commissie als werkgever.

Foto
De Hoeksteen, 1973, oorspronkelijk schoolgebouw Lelystraat
Nieuwerkerk aan den IJssel. In 2010 opgenomen
in de gemeente Zuidplas. Verdere gegevens onbekend.
De trage en wisselende inschrijvingen door de aannemers raakten nog sterker dan bij de aanleg van het Noord-Hollands Kanaal de uitbetaling van de lonen en leidden regelmatig tot fricties en acties, aangewakkerd door ontslagen op staande voet en onder surveillance van 'buitengewone rechtsdienaren'. Het 'werkvolk' verrichtte het klassieke polderwerk: egaliseren van de drooggelegde grond, graven van greppels. sloten en waterleidingen en aanleggen van wegen. Behalve uit de directe omgeving waren ze in grote meerderheid afkomstig uit Nederlandse provincies, met naar verhouding veel Brabanders, aangevuld met collega-trekarbeiders uit Oost-Friesland en Munsterland. Zwervende, behoeftige lieden die van het werk rond de Zuidplas een heel jaar moesten leven. Ze woonden en leefden in schamele rieten schuren en kenden de 'jeneververkoopster'. Door stilstaand water te drinken heerste zo vaak de 'polderkoorts' dat jarenlang twee ziekenzalen met veertig bedden waren ingericht in oude, omgebouwde turfschuren.

Deel 25 zal gaan over de afronding van het werk aan de Zuidplas en de meerdaagse stakingen door onruststokers. Daarna volgt de aanleg van het Merwedekanaal (1887-1920) die naar verhouding minder roerig was.


1 V. Vrooland, J. Sprenger. ''Dit zijn mijn beren!''. Een onderzoek naar de arbeidsverhoudingen bij de aanleg van het Noordhollands Kanaal, Amsterdam 1976. p. 44. Inspecteur-generaal van Waterstaat schrijft de minister van Binnenlandse Zaken en Waterstaat, 20 juli 1821. (terug)
2 Jacques Giele telt 56 stakingen van polderwerkers over de periode 1817-1849, W. de Kler komt op 87 stakingen van grondwerkers over 1817-1869. Bron: R. Burgler, Stakingen van polderwerkers in de 19e eeuw, Amsterdams Sociologisch Tijdschrift, 1979, nummer 1. Burgler noteert over de eerste vier jaar van de aanleg van het Noordzeekanaal (1865-1876) negen stakingen. (terug)
3 Zie noot 1, p. 50. (terug)
4 H. Metz, De drooglegging van de Zuidplas en de staking van 1840, Amsterdam 1975, p. 15. Ook informatie ontleend aan: C. Wiskerke, De droogmaking van den Zuidplas in Schieland, in: Z.W. Sneller, Economisch-historische opstellen, Amsterdam 1947, pp. 129-152. (terug)