welkom
extra
Solidariteit

Onderzoek 'losse ploegen Zaanstreek' - deel 17

Geen plaats in de Zaanse haven

Hans Boot

Na in deel 16 de arbeid van de losse ploegen in de Zaanstreek vergeleken te hebben met de losse arbeid in de Amsterdamse haven, deze keer een blik op de havenarbeid in Zaandam. Was dat een werkterrein voor die ploegen?
In samenhang met het industriële bedrijf maakte de Zaanse haven gedurende laatste decennia van de negentiende eeuw een periode van grote groei door. Daarin gesteund door de traditionele band met de Amsterdamse haven die wat later, midden jaren negentig, uitgroeide tot aanvoerhaven, een handels- en distributiecentrum van koloniale producten.

In die jaren verdrongen in de Zaanstreek de fabrieken (stoom) de molens (wind) en boden de opening van het Noordzeekanaal (1871) en de Oude Zeehaven (1885) een verbinding met de zee. In 1884 werden 64 vaartuigen uit zee ingeklaard, waaronder 18 stoomschepen; in 1894 ging het om 173 zeeschepen, inclusief 133 stoomschepen.1 In de periode 1880-1900 was er een ruime verdubbeling van de tonnage van binnenschepen en na 1900 steeg het aantal aangevoerde balken en balen rijst; beide spectaculair.2

Vakbond Eensgezindheid

De Zaanse haven was primair een houthaven en verbonden met een al eeuwenlange houtindustrie. De aanvoer kwam uit plaatsen rond de Witte Zee en Oost Zee die gedurende de wintermaanden bevroren waren, met als gevolg dat het werk in de Zaanse haven grotendeels stillag. Deze periodieke werkloosheid was een onvoldoende voorwaarde voor vaste arbeid. De Zaanse bootwerkers waren dan ook allen losse arbeiders die naast het transport van de balken, de overslag voor hun rekening namen van cacao, granen, maïs, papier, rijst en zaden. Kenmerkende producten voor de veredelingsindustrie in de Zaanstreek, voor een deel ook seizoensgebonden. De besteking (werktoewijzing) was in handen van een aannemersbaas, soms tevens kroeghouder, die voor de bedrijven 'bemiddelde'. Tarief- of stukloon was gebruikelijk, evenals een arbeidsduur van 's morgens vier tot 's avonds acht uur (later vijf/zeven).3 Die tijd was rekbaar:
Men moet de touwen vastmaken; enzoovoorts. Voordat ik thuis ben is het dus 9,5 uur. In de zomer is het een slavenleven.4

Prent van Ons Huis in Zaandam
Links: gebouw “Ons Huis”, Bootwerkersvereniging Eensgezindheid , Gedempte Gracht Zaandam, Gemeentearchief Zaandam.
 

Na onvrede over voortdurend wisselende tarieven volgde in 1896 de oprichting van de Scheeps- en Bootwerkersvereniging Eensgezindheid die al snel met 77 leden drie arbeidersgroepen in één bond organiseerde: (rijst)sjouwers, (kolen)lossers en (balken)vlotters. Na het besluit dat de leden niet onder een bepaald tarief mochten werken en een succesvol verzet tegen niet meewerkende opzichters, wist Eensgezindheid in 1899 de besteking, met een eigen volgorde, naar zich toe te trekken. Leden kregen (via de houtfactoren) met voorrang toegang tot het werk en beloofden op hun beurt niet naar een andere baas over te stappen. Geordend via een systeem van roulatie, een wacht- en uitkeringslokaal en drie maal daags een schaft. Na de eerste loonovereenkomst met de werkgeversvereniging, kwam er vanaf 1901 een weerstandskas, twee jaar later uitgebreid met een ondersteuningsfonds bij ziekte en invaliditeit.5

Disciplinerend kaartensysteem

Een dergelijke door een vakbond geregelde besteking, overeengekomen met de ondernemers, bestond in de eerste jaren van de twintigste eeuw ook in Delfzijl en Harlingen (overigens ook, korter of langer, in bijvoorbeeld Duinkerken en Hamburg).6 Soepel ging het niet altijd in Zaandam, regelmatig waren er conflicten, bijvoorbeeld wanneer de bestekingslijst van de bond werd gepasseerd. En daar bleef het niet bij, het vaste loon dat houtwerkers verdienden, was een moeizame compensatie voor het zware en gespecialiseerde werk:
Balkenlossen bij nacht [is] een rot werk, vooral bij een paar snotlampen en kaarsen […], terwijl je door dat treurige licht niet eens behoorlijk kunt zien, waar je je poten neerzet. En dan nog die smerige walm van die lampen, je stikt er bijna van. Het is dat de centen goed zijn, anders zou je het vierkant verdommen. Een losser van een kolenboot sprak over: Blijde vooruitzichten met een zwart einde.7

Prent van Houthaven Zaandam
Houthaven Zaandam 1910 – Gemeentearchief Zaandam.
 

Na de staking van 1929 die een half jaar duurde en de gehele houtindustrie trof (850 vaste arbeiders) en waaraan de ongeveer driehonderd bootwerkers deelnamen, kwamen de Zaanse havenondernemers met een centraal bestekingsbureau. Dat werkte via een opgelegd nummersysteem dat onder de bootwerkers geen grote belangstelling genoot, zij het nog steeds in de eerste plaats voor vakbondsleden. De Amsterdamse Scheepvaart Vereniging Noord trachtte tevergeefs dat bureau als filiaal in te lijven bij de Havenarbeidsreserve, het gevolg was wel dat Eensgezindheid – met soms vruchtbare tegenzin - haar voorkeurspositie verloor.
Zo kreeg ook Zaandam een instituut dat de mogelijkheid bood de minder gunstige elementen uit het bedrijf te weren. Dat gebeurde door de verstrekking van kaarten en een eventuele intrekking, zoals in Amsterdam het geval was. Een eis tijdens de staking voor een sociaal fonds (doorbetaling bij ziekte en een christelijke feestdag) was niet binnengehaald, wel slaagde Eensgezindheid er later in de bestekingslijsten uit te breiden en een regenverlet (kwetsbaarheid hout) vast te leggen.8

Kringetjesspugers

Wat leert deze vergelijking van de positie van losse ploegen met die van de Zaanse bootwerkers? Het gespecialiseerde 'balken vlotten' uitgezonderd, kwamen het sjouwen en lossen overeen. De bootwerkers moesten wel een stevig loon ontvangen om de onzekere en beperkte werkgelegenheid in de wintermaanden te kunnen overleven. Bovendien hadden zij zich met hun bond Eensgezindheid een relatief sterke positie verworven; hun bazen moesten het tenslotte van diezelfde 'zomermaanden' hebben en direct achter de haven stond de eisende industrie.
Bepalend is dat de losse ploegen buiten de Zaanse haven stonden. Slechts incidenteel bij veel werk konden individuele 'zaadsjouwers' tijdelijk in de haven aangenomen worden. Ook hier dus gelegenheidsarbeiders. Ze werden altijd uitgescholden voor kringetjesspugers. Ze hingen ook dikwijls over de sluis, da's waar, maar ze hadden niks te doen. Ze werden in het normale werk ook niet toegelaten. Zo typeerde Dirk Schilp de op werk wachtende zaadsjouwers begin twintigste eeuw. Het waren de eerste jaren van een door Eensgezindheid gecontroleerde besteking die de zaadsjouwers uitsloot.9 Ook later, vertelden de geïnterviewden, kwam het weinig voor dat andere losse arbeiders in de haven aangenomen werden.

Foto sjouwersgereedschap
Gereedschap stouwen en sjouwen van zakgoed.
 

Kortom, de fysieke zwaarte van de arbeid, de duur en de omstandigheden waren vergelijkbaar, de arbeidsvoorwaarden waren in de haven echter gunstiger en selectief. En beslist niet onbelangrijk, de burgerlijke buitenwereld beschouwde de Zaanse bootwerker als een erkende, geschoolde arbeider, met sedert 1904 een eigen gebouw “Ons Huis” en vele sociale activiteiten. Op afstand van de kringetjesspugers of Damlopers die zich in de wintermaanden op De Dam verzamelden in de hoop op los werk dat de havenarbeiders veelal te min vonden.

In het volgende deel van deze serie, nummer 18, keert de vergelijking Zaanse bootwerkers/losse ploegen samenvattend terug. Evenals de jaren van neergang na de Tweede Wereldoorlog van zowel de Zaanse haven als de bond Eensgezindheid. Daarna volgt een kort overzicht van de losse arbeid in andere sectoren over de eerste drie decennia van de twintigste eeuw. Ontleend aan enquêtes van politieke studieclubs en verslagen van vakbonden in de jaren 1905, 1909 en 1918/1932.


1 Kingma, De Zaandamse haven was het domein van de bootwerkers – http://www.zaans-industrieel-erfgoed.nl/pages_1/zaandamse%20zeehave.pdf – zonder jaartal. (terug)
2 A. van Braam, Economische geschiedenis van de Zaanstreek, Stichting Behoud Zaans Streekeigen Zaandam, 1989, p. 25. (terug)
3 C.C. Pottkamp, ''Mannen die het schootsvel dragen''. Honderd jaar Zaandamse Scheeps- en Bootweerkersvereniging Eensgezindheid 1896-1996. Vakbondshistorische Vereniging. Stichting Uitgeverij Noord-Holland, Wormerveer, 1996, pp. 10, 11. (terug)
4 Verslag omtrent het onderzoek ingesteld door de Derde Afdeeling der Staatscommissie van Arbeidsenquête, benoemd krachtens de wet van 19 januari 1890 (Staatsblad no 1). Zaankant, p. 143. (terug)
5 Zie noot 3, pp. 14 en 16. (terug)
6 W.H.M. De Fremery, Moet de arbeidsbemiddeling in het havenbedrijf geregeld worden? In: Tijdschrift der Nationale Vereeniging tegen de werkloosheid, maart 1914. (terug)
7 W. Maas, Schetsen uit het leven en werken van Zaanse havenarbeiders beslommeringen om het rijstlossen, Arbeidersgeneugten, 1948, pp. 172-177. Schetsen uit het leven en werken der Zaanse havenarbeiders 1917-1936-1947, pp. 33-43. (terug)
8 Zie noot 3, pp. 30-33. (terug)
9 D. Schilp, Dromen van de Revolutie. Een verzwegen hoofdstuk uit de sociale beweging, verteld aan Joop van Tijn, Amsterdam Antwerpen, 1967, p. 18. (terug)