welkom
extra
Solidariteit

Onderzoek 'losse ploegen Zaanstreek' - deel 26

Afscheid van de polderjongens

Hans Boot

Wormerveer Weleer, een uitgave van de Historische Vereniging Wormerveer die drie maal per jaar verschijnt. Het was een op het molenrijke dorp aan de Zaan - sinds 1974 opgenomen in Zaanstad - toegespitste selectie uit de voorgaande delen van deze serie over de losse ploegen. Dit deel 26 rondt de vergelijking met de poldergasten af door terug te komen op de aanleg van het Merwedekanaal (1887-1893) in deel 25. Groepen van de ruwe jongens daar waren afkomstig uit de directe omgeving en gingen aan het einde van de lange werkdag naar huis. Eén van de omstandigheden die er aan hebben bijdragen dat, voor zover bekend, stakingen vrijwel uitbleven, terwijl het werk even fysiek zwaar was en ook hier de macht van de putbazen niet alleen de lonen beknibbelden, maar tot in de kroeg heerste.

De arbeids- en leefomstandigheden rond het Merwedekanaal zijn in een ooggetuigenverslag indringend beschreven door een sociaal bewogen waterstaatkundig ingenieur die moest vaststellen dat de polderjongens slechts als levende werktuigen beschouwd werden. 1

Plicht der menschelijkheid

De schets van de ingenieur is ook indringend, omdat rond het jaar 1870 (twintig jaar eerder) de geneeskundig inspecteur voor Groningen en Friesland verontrust de minister van Landbouw, Nijverheid en Handel op de hoogte stelde van ernstige problemen bij de aanleg van openbare werken:het ontstaan van vele ziekten en [...] epidemieën, die zich snel over de gansche bevolking verbreiden en tal van slachtoffers eischen te meer daar de ongunstige omstandigheden waaronder de zieken verkeeren hunne herstelling zeer bemoeyelijkt.

Daarbij stelde de inspecteur voor om aan de aanbestedingsvoorwaarden een bepaling te verbinden die den aannemer verpligt, goede woningen of keeten te bouwen tot huisvesting der werklieden ingerigt naar een voor te schrijven model, waarin voor eene behoorlijke ruimte, doelmatige verlichting, luchtverversching, ligging en goed drinkwater, benevens voor afzonderlijk staande stookplaatsen en privaten behoort gezorgd te worden, terwijl op eene niet te ver verwijderde plaats eene loods of tent tot verpleging van zieken moet bestemd zijn.
Zijn conclusie was dat de voorgestelde verbeteringen te zien waren als de plicht der menschelijkheid die op ons rust. 2

Wetgeving

Deze aanklacht ging vervolgens een moeizame weg door de betrokken instanties van Waterstaat, geneeskundige inspectie, Commissarissen des Konings en ministeries. Om uiteindelijk in het begin van de twintigste eeuw uit te monden in algemene wetgeving over onder meer 'wonen' en 'gezondheid' (1901).

Foto bouwlocatie
Aanleg Merwedekanaal

Aannemelijk is dat al voor die wetgeving de leidinggevende ingenieurs, ambtenaren, aannemers en onderaannemers bij de aanleg van het Merwedekanaal kennis hadden genomen van de oproep tot medemenselijkheid. Het kan zijn dat zij die meer of minder ten gunste van de polderwerkers praktiseerden. Evenzeer kon de eerste sociale wetgeving die in deze periode tot stand kwam een dergelijke invloed hebben uitgeoefend. Het kan, maar in die richting wijzende informatie is niet aangetroffen, ook niet van een concrete bemoeienis van de zich vormende vakbeweging. Een wat cynische bijkomstigheid is dat dit 'publieke werk' één van de laatste grote polderwerken was die vrijwel geheel via handarbeid tot stand kwam.

Minder trekarbeid

Waarschijnlijker als een mogelijke - aanvullende - verklaring voor de relatieve rust rond het Merwedekanaal lijkt een andere verhouding tussen wonen en werken van de polderwerkers in vergelijking met bijvoorbeeld hun collega's bij het Noord-Hollands Kanaal en de Zuidplas. Zo was bij een overeenkomstige fysieke zwaarte en lengte van de arbeidsdag in het gebied Amsterdam/Breukelen ongeveer de helft van de betrokken arbeiders afkomstig uit de omliggende dorpen. Een deel daarvan ging elke dag naar huis (soms met de trein, Breukelen kende vanaf 1869 een spoorwegstation), een ander deel alleen in het weekeinde en een derde deel bivakkeerde van keet naar keet, gebruikmakend van ongeveer de helft van de in totaal 57 keten. Hun putbaas kozen zij meestal uit eigen kring.

De 'klassieke' trekarbeiders woonden en leefden in de overige keten met een putbaas als onderaannemer. Van hen staan zo'n 150 poldergasten genoteerd in de gegevens van de Burgerlijke Stand van Breukelen. Hun samenstelling en de aanwezigheid van hun gezin wisselden. In meerderheid kwamen ze uit Zeeuws Vlaanderen, Noord-Brabant, en Sliedrecht; een zestal uit Duitsland. Bij de gezinnen woonden kostgangers/polderjongens, soms wel een tiental. Met name de specialisten als machinist, smid en timmerman vestigden zich langere tijd in de dorpen en richtten hun keet als woonhuis in. 3

Groep polderjongens verlaten werk
Polderjongens, schilderij Johan Hendrik van Mastenbroek (1875-1945)

Conclusie

De eerder genoemde andere verhouding tussen wonen en werken lijkt inderdaad bij te dragen aan een verklaring voor de minder sociaal onrustige aanleg van het Merwedekanaal. Een aanzienlijk deel van de kanaalgravers verkeerde niet in een geïsoleerde positie, woonde en werkte in een bekende en zelfs vertrouwde omgeving en minder in massaliteit. Er is minder sprake van een ontheemd en ontregeld arbeidersbestaan, waarin leven een groot deel van de tijd letterlijk samenvalt met werken. De onderlinge verhoudingen en samenwerking waren minder bepaald door kwalijke woon- en leefomstandigheden. Kort samengevat: ze waren minder vagebonden en meer cowboys. De andere tijden hielpen hen daarbij, evenals een incidentele actie.

Tot slot, concluderend. Een bepalend onderscheid in het bestaan van de polderjongens en dat van de Zaanse losse ploegen is de verhouding tussen werken en wonen en de daarmee samenhangende leefomstandigheden. In gemeenschappelijkheid trekken de polderjongens van perceel naar perceel en van keet tot keet, geïsoleerd van het alledaagse leven in steden en dorpen. In overeenkomstige posities en ongeregelde en zwaar belastende arbeidsvoorwaarden zijn ze sterk op elkaar aangewezen.
Deze onderlinge betrokkenheid is een basis voor actieve solidariteit die in acties en stakingen tot uiting komt en ook te zien was bij de baggelaars. Het ontbreken van deze tijdelijkheid van wonen en leven bij een deel van de gravers aan het Merwedekanaal kan als een bevestiging gezien worden van deze conclusie.
Ondanks dit onderscheid is de eerdere typering van de Zaanse ploegen als het 'ontbreken van lijdzaamheid' en het 'overleven met risico's' zeer verwant aan het arbeidersbestaan van de polderwerkers. Beide groepen erkennen hun 'maatschappelijke uitsluiting' en dragen die met zelfrespect.


1 R.P.J. Tutein Nothenius, Langs het Merwedekanaal, de Haardvriend 1890. Samengevat en aangevuld door: B. Barelds, De gravers van het Merwedekanaal, Tijdschrift Historische Kring Breukelen, 1993, nummer 3. (terug)
2 E. Berkers, De handen van het 'kleine genie'. Polderwerkers in de negentiende eeuw, Tijdschrift voor Waterschapsgeschiedenis, 1998, nummer 7. (terug)
3 H.J. van Es, Gravers, grondeigenaren en gevolgen van het Merwedekanaal bij Breukelen, Tijdschrift Historische Kring Breukelen, 1992, nummer 3. (terug)