welkom
extra
thema
Solidariteit

Thema "het Offensief van de FNV" - een impressie na de presentatie [8]

Het beeld, de wens en de werkelijkheid

Hans Boot

Al direct de zondag na de aftrap van het FNV Offensief in Utrecht vroeg Paul de Beer zich in het Financieele Dagblad af (14 januari 2018) wat in 'de media' de dominante aandacht zou krijgen: het Offensief, of het vertrek van dagelijks bestuurder Mariette Patijn. 1 Mijn indruk is: geen van beide. De eerdere publiciteit leek vooral gedreven door de conflictueuze stap van de als stoer en bekwaam geachte "dochter van oud-burgemeester Patijn".

Als gewoon vakbondslid duizelt het al gauw over wat er nou eigenlijk aan de hand is met de FVN. Zaterdags kon ik er in Tivoli niet bij zijn, mijn informatie is dus overwegend 'tweedehands'. Los van de opgedane ervaring en kennis en de vraag of iemand die af en toe wat over de vakbeweging schrijft een 'gewoon lid' is, de (digitale) media vormen een belangrijke bron. En dat valt niet mee.

Deuren en ramen dicht

Om te beginnen de 'eigen' Algemene Onderwijsbond. Een typische sectorbond met een onafhankelijke positie in de FNV. De AOb heeft de handen vol aan de al of niet voort te zetten acties, de komst van een nieuwe bond, de steigerende werkdruk, pesten in de klas en praten over seks. Landelijke activiteiten van de FNV zijn ver weg en daarmee het Offensief.
Dan de FNV zelf. Het wekelijkse overzicht dat ze op maandag uitbrengt over specifieke activiteiten als cao-onderhandelingen, acties en bijeenkomsten meldde 15 januari "geen agendapunten", het leek wel vakantie. Voor die tijd moet de bond in de bestuursrangen op tilt hebben gestaan, opgehangen aan de klassieke vraag: 'van onderop' of 'van bovenaf', zelforganisatie of centralisatie. De sectoren (basis) zouden gemarginaliseerd zijn door het centrale bestuur. Een belangrijk vraagstuk dat een prima voorafgaand debat waard is, vooral omdat de één niet zonder de andere kan. Verrassend is dat de site van de FNV kort na het weekeinde opende met de oproep "Vertel je verhaal": het is belangrijk dat we zoveel mogelijk verhalen van mensen gaan verzamelen om aan te tonen hoe wijdverbreid de problemen zijn. Ook horen we graag jouw oplossingen en ideeën. Beter laat dan nooit, het zal 'voortschrijdend inzicht' zijn.
Tot slot, een opmerking over het gekozen Ledenparlement. In de FNV-vereniging beleidsbepalend en het bestuur controlerend. Dus wat je noemt een hoogwaardig orgaan. Het verstrekte echter geen uitleg over de in de media als beslissend genoemde invloed op de allerlaatste koerswijziging (tijd en geld) van het Offensief. Sterker nog, het laatste openbare verslag (digitale 'headlines') dateert van 16/17 juni 2017.

Kortom, een schamel informatiebeeld. Wat is dat toch hinderlijk: een organisatie die bestaat en handelt louter op basis van haar leden krijgt, zodra de druk van binnen en buiten toeneemt, alle trekken van een bastion. De positieve gezamenlijkheid van de 'rijen sluiten' slaat om in 'deuren en ramen dicht'. Terwijl de vitaliteit en macht van de vakbeweging op het spel staan, misschien meer dan ooit, blijken openbaarheid en democratie geen richtsnoer maar een te besturen probleem te zijn.

Bericht uit De Burcht

Heb ik een vakbond nodig? Heb je een baas? Nog even terug naar Paul de Beer. Alleen al de moeite waard, omdat hij tot de dagelijkse bezoekers behoort van Neerlands oudste vakbondsgebouw De Burcht dat ook nog eens staat aan de Henri Polaklaan. Hij stelde zijn vraag over de selectieve aandacht voor de vakbeweging tegen de achtergrond van haar afnemende invloed en dalend aantal leden. Een neergang waarmee niet alleen de FNV kampt. Ook al was het maar een column, veel perspectief bood De Beer niet.
Eerst stelde hij het volgende vast. De cao's die voor ruim driekwart van de werkenden gesloten worden, het pensioenvermogen dat bijna het dubbele is van het bruto binnenlands product en de wel twintig keer genoemde samenwerkingswens door Rutte III in het regeerakkoord - dit alles is voor (aanstaande) vakbondsleden niet erg verlokkend bij een al zo'n veertig jaar durende loonstagnatie. De inflatie wordt niet opgevangen, de cao-lonen hangen steeds weer rond de nullijn, hetzelfde geldt voor de pensioenen, de flexibilisering van de arbeid dendert voort en de groeiende sociaaleconomische ongelijkheid en armoede weet de vakbeweging niet tegen te houden.

Dan de uitweg. Hoe nuchter die ook is, de voor de vakbeweging toonaangevende wetenschapper De Beer weet het ook niet. Wat troosteloos verwijst hij naar een groots opgezet internationaal onderzoek dat tot de conclusie komt dat de vakbonden de economische prestaties van het bedrijfsleven niet schaden. Ze helpen wel mee meer sociale gelijkheid tot stand te brengen. Dat is ook - of juist – in de 21e eeuw een bijdrage die van grote waarde is.

Een voorbeeld

In de commentaren op het programma van het Offensief, voor en na de presentatie, keert één kritiek terug: de eisen zijn onuitgewerkt en zullen moeizaam tot acties mobiliseren. Voor de centrale eis die rust op de "doorgeschoten flexibilisering" en de "race naar beneden" lijkt dat op het eerste gezicht niet te gelden: flex moet 40 procent duurder worden. Zonder de pretentie van een doorwrochte beoordeling, is hier meer sprake van abstractie dan de gesuggereerde concreetheid. De achterliggende gedachte is: de hogere 'arbeidskosten' bij 'flex' zullen ervoor zorgen dat de werkgevers eieren voor hun geld kiezen en meer mensen in vaste dienst nemen.

En dan komen veel vragen. Een eerste keuze. Worden de werkgevers overtuigd en/of gedwongen en hoe dan? Centraal, via de cao, per sector? Is het genoemde percentage een beeld, een onder- of bovengrens? Hoe is de verhouding met de alom bepleite reële loonstijging? Het gaat, kan aangenomen worden, om losse en/of tijdelijke arbeidscontracten, dus niet om de klassieke 'geflexibiliseerde arbeid' (intern, extern, uitbesteding)? Hoe wordt een onderscheid gemaakt tussen de flexarbeid(st)er die niets te kiezen heeft, behalve voor werkloosheid en uitkering, de ouderwetse 'freelancer' en de zzp'er die denkt en handelt als een ondernemer en hoe concreet is in die positie de 40 procent.
Vragen stellen is inderdaad gemakkelijker dan ze te beantwoorden. Laten we maar hopen dat de hier opgeworpen en andere vragen 'ergens' uitvoerig doordacht en strategisch uitgewerkt zijn, in ieder geval is de eerste indruk vooral een vraagteken.


1 Paul de Beer, bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen -Henri Polak-leerstoel, tevens verbonden aan De Burcht, Wetenschappelijk Bureau voor de Vakbeweging. (terug)