welkom
extra
Solidariteit

Onderzoek 'losse ploegen Zaanstreek' - deel 4

Ongebondenheid

Hans Boot

Zeker bij stakingen, bijvoorbeeld bij de aanleg van het Noord-Hollands Kanaal bijna een eeuw geleden, werden losse arbeiders betiteld als 'vagebonden', later positiever heetten ze wel 'cowboys'. Dat ze bepaald niet als lijdzaam bekend stonden, gold ook voor de mannen van de Zaanse losse ploegen. Wat chiquer gezegd: ze kenden geen 'patronale binding'. Daarover gaat dit vierde deel in de serie over de geschiedenis van deze Zaanse ploegen. Het eerste, 28 oktober 2018, was een verkenning via hun voorvaderen de 'zaadsjouwers'. Het tweede deel, 11 november 2018, toonde hun sjouwtechniek, 'eerste man', interne werkverdeling en nummersysteem. Die van 25 november 2018 ging over hun op flexibiliteit gebaseerde arbeid die, hoe wisselend ook, goed verdiende en naar verhouding veel 'eigen tijd' bood.

De onderlinge verhoudingen tussen de verschillende ploegen stonden zelden in het teken van de concurrentie om de inleen door een bedrijf. Hun aan een stad of dorp gebonden herkomst riep dat niet op. Ook later, toen de grenzen van de vestigingsplaats overschreden werden, bleef er een informele terreinafbakening. Zo kwam Kappie bijvoorbeeld in de Amsterdamse haven en bij Albert Heijn, de Koger bij Cacao de Zaan, de Wormer Ploeg bij Gerkens Cacao en die van Wormerveer bij Croklaan, productie van vetten.

Overlevers

Onderlinge uitleen kwam voor, vaak op aanvraag van Kappie dat het uitgangspunt van 'altijd leveren' praktiseerde, mede daardoor mensen aantrok. Kappie bood werk, ook al was het tijdelijk. Het was de bekendste losse ploeg in de Zaanstreek met een cacaogeschiedenis bij Controle- en Veembedrijf Cornelder In Amsterdam. Kappie had 'de naam', maar ook bij andere ploegen was het dragen van een kap gebruikelijk. Kappie betrof toch de mensen die een beetje met de duim achter de bretels liepen, Kappie was Kappie, dat zat er een beetje achter. 1

Foto schaftende arbeiders waarvan een zit te tukken
Foto Piet den Blanken

De ploegen verschilden niet veel in grootte, vijftien tot veertig man (Kappie groeide later korte tijd uit tot een bestand van ongeveer 150), met voor de meesten een leeftijd tussen de dertig en veertig jaar. De ouderen, sommigen werkten tot aan hun AOW bij een losse ploeg, zijn voorbeelden van een 'healthy worker'. In tegenstelling tot meerdere arbeidsongeschikt verklaarde collega's waren zij ware overlevers, geselecteerd door de praktijk van de arbeid. Fit en fysiek sterk, niet getroffen door chronische blessures of andere gezondheidsbeperkingen. Naar elkaar wilden ze dat ook wel tonen. Hele weddenschappen, met losse handjes laten zien hoe sterk je bent, met drie balen suiker op je kop, rechtop blijven, was levensgevaarlijk.2

Poen in vrijheid

Deze krachtpatserij raakt het beeld van de onverschillige, rauwe bonk dat aan de losse arbeider hangt: hij neemt het niet zo nauw met de regels, op het onaangepaste af, wil snel veel geld verdienen. Een ideologische typering van de geringe sociale status die aan de ongeschoolde, fysieke arbeid gegeven wordt. Graag gebruikt door de buitenwacht die zich beter en meer geslaagd acht en zich afgrenst van dit 'gemene volk'. Een afstand die terug te vinden is bij de geïnterviewde functionarissen van de bedrijven die contacten onderhielden met zowel de eerste man als de ploegleden. Met enige reserve spraken ze van altijd wel een paar mannen aan de onderkant van de samenleving. Hard werken, maar weinig geld opzij leggen. Een ander slag mensen. Niet geïnteresseerd in de regelmaat van een vaste baan en soms een liefhebber van het café.3

De losse arbeiders bevestigden dit beeld van afwijkend gedrag niet, eerder legden ze de nadruk op hun reële bestaan met onzekerheden, waarmee goed te leven viel. Enige trots is hun niet vreemd, noch opportunisme. Kappie was een bewuste keuze, maar om A, B en C de poen en D de vrijheid. We rommelden soms met een uitkering, met tijd en lading en waren niet kieskeurig. Ik heb ook wel hagelslag gedraaid. Even wennen en om je heen kijken, maar de besteking zorgde als het even kon voor werk en daar ging het tenslotte om.4 Of: Je kon op en aan. Niets en niemand stond vast. Je kon weken lang niks met Kappie te maken hebben en op zoek naar werk gaan, je kinderen moesten tenslotte eten. Een vaste baan is armoede, met het losse werk ben je je eigen baas en je vangt meer.5

Relatieve onafhankelijkheid

Dit opportunisme kan opgevat worden als de schaduwzijde van een mentaliteit van ongebondenheid die uitdrukking geeft aan de losse verhouding tot het bedrijf. Een onafhankelijkheid die de vrijheid biedt niet opgenomen te zijn in de gewoonten, de traditie, de cultuur, de vanzelfsprekendheden van een bedrijf. En bovendien door de ervaren bedrijfsverschillen een relativering mogelijk maakt. Weliswaar kon de bedrijfshiërarchie niet ontlopen worden, noch de druk van de winstdoelen en snel en efficiënt te moeten werken. Maar alleen al de keuze een dag niet te werken, een week of langer voor een vakantie uit te trekken, roept een vrije handelingsruimte op, een basis van autonomie.
Logischerwijs kon dit vrijheidsbesef sterker geuit worden bij een ruime werkgelegenheid en een vol loonzakje, maar één omstandigheid droeg steeds bij aan de ongebondenheid van de losse arbeiders, dat was hun organisatie. Een vorm van nauwelijks geregelde zelforganisatie. Niet alleen individueel 'je eigen baas', maar ook collectief. Dat laatste door vele onderlinge contacten en (minstens jaarlijkse) bijeenkomsten over de gang van zaken, bovendien gevoed door de regelmatig voorkomende persoonlijke/familiaire banden buiten het werk en een traditie van 'vader op zoon'. De typering van 'een gesloten wereld', kon dan ook zowel een verwijt als een waardering inhouden, afzondering van anderen of loyaliteit aan elkaar.

De twee kanten: overleven met risico's en ongebonden vrijheid, geven uitersten weer in de verhouding tot arbeid, bedrijf en loon. Beide zullen in een bepaalde mate aanwezig zijn. Opvallend is wel dat in vrijwel alle gesprekken de afwisseling en de relatieve onafhankelijkheid in het werk aan de orde kwamen in termen van avontuurlijkheid, vrijheidsdrang en zelfstandigheid.
Ik vond het prachtig, dat buitenwerk. Kappie was voor mij het vrije leven, los van een baas, in dienst van mezelf. Je kwam overal, was zelfstandig en ik kon een beetje blijven boeren op m'n eigen land. Het was een avontuurlijk bestaan. Geen vastigheid, daar kies je voor.6
Vroeger koos je voor het losse werk, omdat je vrijer was en het veel meer betaalde dan een vaste baan. Je kon je eigen keuzes maken, we waren een soort wilde ploeg, tot eind jaren zestig, weinig was vastgelegd en onderling waren we gelijk.7
Die vrijheid niet alledag te hoeven werken, was aanlokkelijk. Ook de kans op een langere vakantie, mijn vrouw werkt in het onderwijs, we konden dus wel een maand weg. En dat kon, omdat we harde werkers waren, met vrijheidszin. Maar je moest ook weer niet te lang weg, dan verviel je nummer.8
Hun vrijheid was van groot belang, ook al moesten ze soms letterlijk het vuile werk opknappen. Vrije jongens die voor de hoge verdiensten gingen. Na een paar dagen buffelen, konden ze wat anders doen, een beetje het vrije leven.9


1 Gerard Engel (1946), interview 27 augustus 2014. Na zich in 1975 bij de Wormer Ploeg te hebben aangesloten, werd Gerard later, tot 1987, assistent van eerste man Jan Aafjes. (terug)
2 Karel Spaander (1927), interview 18 juni 2014. Karel werkte een groot deel van zijn leven bij de Zaanse los- en laadploeg Kappie. Zijn broer Bauke, was evenals hun vader 'eerste man' (meewerkend voorman). (terug)
3 Respectievelijk Jan Kat en Fred Mulder. Kat, interview 13 juni 2013, ploegchef Cacaofabriek De Zaan, Koog aan de Zaan, in 1996 overgenomen door ADM Cocoa - onderhield contacten met de Koogse Ploeg, gepensioneerd. Mulder, interview 30 juli 2014, loonadministrateur bij Gerkens Cacao, Wormer, contact met de ploeg van Jan Aafjes; (terug)
4 Han de Graaf (1962), interview 7 juni 2013. Han werkte bij Kappie van 1984 tot 1998, daarna enige jaren bij de Koger. Zijn overgrootvader werkte het laatste kwart van de negentiende eeuw bij een losse ploeg, "of die Kappie heette, weet ik niet". De grootvader (1909) van Han sloot zich na de Tweede Wereldoorlog eerst bij de Koger daarna bij Kappie aan. (terug)
5 Karel Spaander, zie noot 2. (terug)
6 Nol Grootes (1943), interview 26 april 2013. Nol werkte van 1970 tot 1998 bij Kappie, daarna aansluitend negen jaar bij de Koogse Ploeg. (terug)
7 Gerard Stadt (1952), interview 17 oktober 2013. Als zeventienjarige bij de Koger gekomen, waar zijn vader (in 1948 begonnen) besteker was. Gerard werd dat ook. (terug)
8 Rob Buijs (1955), interview 24 juni 2015. Rob werkte van 1976 tot 1989 bij Kappie. Ook grootvader was eerste man. (terug)
9 Klaas Knaap, interview 13 augustus 2014. Werkte van 1963 tot 2004 van jongste bediende tot declarant bij Het Zaans Veem en leerde in die functies Kappie en de kappies kennen. Zowel zijn vader als grootvader stonden in het losse werk. In 2004 schreef hij Het Veem, Geschiedenis van en herinneringen aan een legendarisch bedrijf - uitgeverij Lectori Salutem Soest. (terug)