welkom
extra
Solidariteit

Onderzoek 'losse ploegen Zaanstreek' eerste indruk

Niet van de discreetste en civielste

Hans Boot

Al jaren gepensioneerd, en toch de vraag 'wat doe je tegenwoordig, naast euh Solidariteit'. Leven en een beetje fietsen. Dat ik te onregelmatig met een onderzoek bezig ben, laat ik meestal rusten. Het gaat me inderdaad wat te langzaam en enige druk van buiten kan geen kwaad. Helemaal niet, als ik die mezelf kan opleggen. Voor de afronding is nog wel minstens een jaartje nodig, maar af en toe een indruk geven van de stand van zaken zou wel eens lezenswaardig kunnen zijn. Hier de binnenkomer van wat waarschijnlijk een serie wordt.

Bij de deuropening, ik stond op het punt om weg te gaan, zei oud-kappie Karel Spaander na een paar uur praten: Je moet bij de korendragers wezen. Hoezo, wie zijn dat en waar vind ik die? Het schiet me ineens te binnen, we hadden het over m'n oudere, overleden broer Bauke door wie ik als jongen bij Kappie ben gehaald, hij had het vroeger over de Zaanse zeedsjouwers, de zogeheten korendragers. Dat is alles, meer weet ik er niet van. Zie het maar als een tip. 1

D'CORENDRAGER

Foto gevelsteen D' Corendrager
Ouderkerk aan de Amstel.
In mijn zoektocht naar de geschiedenis van de Zaanse los- en laadploegen, en Kappie in het bijzonder, kwam het door Cor Bruijn in 1933 geschreven boek "De zaadsjouwers" al gauw op mijn leespad. Losse arbeiders die tijdens hun werk een 'kappie' op het hoofd droegen. 2 Het Zaans dialect 'zeedsjouwers' gebruikte Bruijn niet, dat deed hij wel bij een drukbezochte lezing een jaar later in Wormerveer: zeedsjouwers, hun leed en strijd, hun ruwe zwoegers- en drinkersbestaan, maar bovenal hun kameraadschap. 3

Helaas bij Bruijn geen woord over de korendragers. Dat was anders na de raadpleging van het gedigitaliseerde gemeentearchief van Zaanstad en de daar genoteerde beroepen. Al snel trof ik verschillende keren het beroep 'korendrager' aan, vanaf het begin van de negentiende eeuw en met name na 1850, soms in een rijtje broodbakker, winkelier en olieslager. Bovendien bleek op een deurkalf (een tussendorpel dat de deur scheidt van het bovenlicht) van een huis in Zaandam een 'manspersoon' de korendrager te staan, met als jaartal 1699. Vanaf een paar jaar eerder, tot 1801, bestond ook in Zaandam een papier- en pelmolen met die naam en in Koog aan de Zaan tot 1898 een tapperij.
Heel goed kende ik uit mijn vertrouwde fietsroute langs Ouderkerk aan de Amstel de gevelsteen D'CORENDRAGER van het zeventiende-eeuwse pakhuis in de Kerkstraat die ook nog eens een uitloper is van de Korendragerstraat. Een bezige man met een bollende, blauwe pofbroek, een rode kiel en een zak op zijn hoofd, zo gevuld dat die zich om zijn oren voegt. Na de terloopse opmerking van Karel Spaander was de oppervlakkige blik naar de markante gevelsteen op de muur van het witgepleisterde pand verleden tijd. Waren er nog meer te zien? Foto gevelsteen D' Corendrager

Vrije jongens

Zeker, als het ware om de hoek. In het oude centrum van Amsterdam. En wel in de Sint Luciënsteeg, D' CORENDRAGER 1626, afkomstig van de Palmgracht, onderdeel van een verzameling gevelstenen op een pleintje bij het Amsterdam Museum. Ook weer een pontificaal rechtopstaande man met een zak die zwaar om zijn hoofd valt. Wat verderop in de stad is een collega turfdrager te bewonderen, in de Kerkstraat IN-D'TURF-DRAGER 1689, één hand in de zij, de ander houdt de mand met stapels turf op het hoofd in evenwicht.

Hier staat geen figurant, maar een persoonlijkheid. Een man met een gezicht, letterlijk en figuurlijk. Hij vertegenwoordigt een type beroepsbeoefenaar dat in het zeventiende-eeuwse stadsleven verre van zeldzaam en bovendien economisch en maatschappelijk onmisbaar was. 4

Behalve dat de losse ploegen in de Zaanstreek de baal met graan, meel, rijst, zout of cacao op hun hoofd droegen dat ze met een kap (een neklap, een 'losse capuchon') beschermden, toonden ze een, met de afgebeelde korendrager vergelijkbare, zelfverzekerde identiteit. Behendig en vaardig in fysiek zware arbeid vormden ook zij een wezenlijke schakel in de transporteconomie. Aangeduid als ongeschoold, levend en werkend aan de randen van de arbeidsmarkt met een lage maatschappelijke status, maar met een zelfbewuste eigenwaarde. De typering van hun voorvaderen door een Amsterdamse makelaar in 1696 als soms "niet van de discreetste en civielste", zal zeker ook wel eens op hen toegepast zijn. 5 'Vrije jongens', vrijbuiters die ongebonden hun gang gaan. 6
Een derde overeenkomst tussen de vroegere korendragers (vaak georganiseerd in gilden) en de Zaanse losse ploegen is te vinden in de onderlinge werkverdeling. Deze loopt veelal via een nummerstelsel, waarin het laagste nummer, degene die het langst bij de ploeg aangesloten is, als eerste het door de ploegbaas 'aangenomen' werk toebedeeld krijgt. 7

Foto gevelsteen D' Turfdrager

Kappie

Zoals gezegd, ik wil meer weten over de Zaanse losse ploegen die decennia lang zonder (vast) dienstverband, (tijdelijk) sjouwwerk verrichtten in deze vroeg geïndustrialiseerde streek. Soms in de fabriek, maar meestal in de vele transportvormen van lichter (platte schuit met weinig diepgang) of wagon naar pakhuis en productie- of distributieplaats en andersom, tot in de jaren veertig van de vorige eeuw met paard en wagen.
Aanleiding voor deze belangstelling was een eerder onderzoek naar de bijna een eeuw geschiedenis van de Amsterdamse havenpool (havenreserve) die in de jaren 1984-1995 gebruikmaakte van één van die ploegen, te weten Kappie. 8 Niet meer incidenteel zoals voor die tijd, maar in een bepaalde periode dagelijks in een wisselende omvang van twintig tot zestig man. Een door Amsterdamse havenarbeiders vaak genoemde groep. Aan de ene kant bewonderend: harde werkers en solidair, aan de andere kant kritisch: sjoemelaars met arbeidsvoorwaarden.

Die pool voorzag traditioneel de havenbedrijven in situaties van aanvullend personeel dat na de Tweede Wereldoorlog stapsgewijs over een regulier dienstverband beschikte. Dat gold niet voor de 'kappies' zoals ze in de haven heetten. Vanaf 1984 vingen zij als losse arbeiders de pieken op die de reorganiserende pool met steeds minder mensen 'te veel en te scherp' waren. Na reorganisaties, stakingen, ontslagen en faillissementen plus doorstart (de eerste in 1997, de laatste in 2013), resteert van de havenpool een uitzendbedrijf met een klein aantal werknemers. Kappie hield 1998 op te bestaan.
De terugkomst van losse havenarbeid - eerst de inschakeling van Kappie, daarna de uitzendconstructie en in nieuwe vormen als zelfstandige zonder personeel - stond niet op zich. Ze maakte deel uit van een brede beweging van flexibilisering en deregulering van de arbeidsverhoudingen sinds het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw. 9

Vragen

Na vastgesteld te hebben dat buiten het archief van de havenpool weinig schriftelijk informatie over de Zaanse losse ploegen beschikbaar was, nam mijn interesse toe door interviews met oud-kappies en Zaankanters die bij andere ploegen hun brood hadden verdiend. Tijdens de voorbereiding daarop en geïnspireerd door boeiende gesprekken, meestal bij mensen thuis van Assendelft tot Zaandam, van Heiloo tot Wormerveer, van Jisp tot Oost-Knollendam, stapelden de vragen zich op die een nadere studie waard zijn. Onder meer met gebruik van interviews van leden uit verschillende ploegen in de Zaanstreek probeer ik in ieder geval op de volgende vragen een antwoord te geven.

  • Hoe functioneren de Zaanse losse ploegen, wat is hun interne organisatie, wat is de maatschappelijke positie van de leden? Onder welke sociale wetgeving werkten zij?
  • Wat is hun herkomst, ook in verband met de unieke, ook Europees gezien, vroege industrialisatie in de zeventiende eeuw van de Zaanstreek en met de industriële sprong eind negentiende eeuw?
  • Onderscheiden de ploegen zich van andere vormen van losse arbeid in de periode na 1850, waarin zij expliciet genoemd worden?
  • Wat is de relatie met de gilden van koren-, turf- en zakkendragers die overigens in de Zaanstreek ontbraken? En die met de losse ploegen in de polder-, seizoens- en trekarbeid?
  • Hoe verhoudt de verdwijning van de losse ploegen zich met de actuele, precaire arbeid?

Foto gevelsteen D' Tvrfvvlster

1 Interview met Karel Spaander (1927), 18 juni 2014. Karel werkte een groot deel van zijn leven bij de Zaanse los- en laadploeg Kappie. Zijn broer Bauke, was, evenals hun vader, 'eerste man' (meewerkend voorman). (terug)
2 C. Bruijn, De zaadsjouwers, Bussum 1933 - onder meer pp. 37 en 49. (terug)
3 Wormer- en Jisper Advertentieblad, 1 maart 1934. De lezing was georganiseerd door de Zaansche Boekhandelsvereeniging en vond plaats in de Nieuwe Sociëteit. Ook P. Boorsma meldt in Oud-Zaansch Molenleven. Schetsen, Koog aan de Zaan, 1932 en 1948, dat 'korendragers' in de Zaanstreek 'zeedsjouwers' genoemd werden, p. 38, 1932. De verhalen van Boorsma zijn overigens in dialect. (terug)
4 A. de Vries, Ingelijst werk. De verbeelding van arbeid en beroep in de vroegmoderne Nederlanden. Zwolle, 2004, p. 140. In hoofdstuk 6 De Vracht van dit boeiende proefschrift komen onder de noemer "zakkendragers" naast de korendragers ook de bier-, turf- en waagdragers ter sprake. Tot de turfdragergilde behoorden ook de turfheffers, turfraapsters en turfvulsters. Van de laatsten is een unieke gevelsteen in Amsterdam te zien: DE TVRFVVLSTER, bij de Binnengasthuisstraat; één van de weinige afbeeldingen van een zeventiende-eeuws vrouwelijk beroep (datum onbekend). Ook al zijn er onder andere gevelstenen in Brugge, Delft, Franeker, Haarlem, Leiden en Veere, weinig zakkendragers haalden als individuele beroepsbeoefenaar een plaats in de beeldende kunst (het ontbrak aan financiën en maatschappelijke status). (terug)
5 A. de Vries, p. 139. (terug)
6 J. Kingma, oud-huisarts, amateur historicus, groot kenner van de Zaanstreek, betitelt de losse arbeiders die buiten de gereguleerde (fabrieks)arbeid een speciale plaats innemen in de Zaanse arbeidswereld, als "cowboys". In: Het Zaanspoor: een eeuw spoorweghaven van Wormerveer, Wormerveer Weleer, uitgave van Historische Vereniging Wormerveer, jaargang 7, nummer 1, 13 februari 2009. (terug)
7 De gilden van korendragers, zakkendragers en andere sjouwerlieden kenden naast de nummering een verdeling van het werk via dobbelstenen ('smakken'), al of niet geworpen via een trechter. Beide systemen kwamen ook in de havens voor, bij grotere als Amsterdam en Rotterdam, bij kleinere als Delfzijl en Zaandam. Zie: W.H.M. de Fremery, Moet de arbeidsbemiddeling in het havenbedrijf geregeld worden? In: Tijdschrift der Nationale Vereeniging tegen de werkloosheid, maart 1914. Zie voor korendragers: A. Knotter, Stedelijke economie en arbeidsmarkt. Amsterdam in de eerste helft van de negentiende eeuw BMGN, 101 1986 afl. 4 pp. 551-580 Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden (Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap). A.J. Teychiné Stakenburg, Zakkendragers van Rotterdam, Rotterdam 1984, p. 20. (terug)
8 H. Boot, Opstandig volk. Neergang en terugkeer van losse havenarbeid, Amsterdam 2011. Na de Tweede Wereldoorlog en ook in de periode dat een groot aantal kappies in de Amsterdamse haven werkten, droeg de havenpool de naam: Stichting Samenwerkende Havenbedrijven: SHB. (terug)
9 J. Atkinson, N. Meager, Changing Working Patterns. How companies achieve flexibility to meet new needs, Institute of Manpower, London, 1986. (terug)