welkom
extra
Solidariteit

Een tussenbalans van twee jaar Nieuwe FNV

Vakbond dóór de leden

Sjarrel Massop

De Nieuwe FNV en de fusie tussen de drie grootste bonden - AbvaKabo, Bondgenoten en Bouwbond - had de intentie om de vakbeweging weer een positie te geven in de politieke en economische arena. We zijn al weer bijna twee jaar verder in dat proces en de groeistuipen of de maagkrampjes waarmee de jonge vakbeweging worstelt, dienen zich aan.

De melktanden die nodig zijn voor een strijdbare vakbeweging en voor een flinke knauw in de polderbloemkolen willen nog niet echt doorbreken. Volgend jaar zijn de verkiezingen van het ledenparlement, Ton Heerts wil het stokje overgeven, tijd voor een tussenbalans en de hoop op veel discussie.

Nog steeds top-down

Prent top down gesprekVakbond van de leden, vakbondswerk aan de basis, dat waren de leuzen vóór de fusie. Het idee erachter was te breken met de ANWB functie en de leden meer vat te geven op hun eigen vakbond. De twijfels over de voortgang doen me denken aan een eerdere discussie met Ronald van Raak van de SP over Domela Nieuwenhuis (commentaar 218, 24 februari 2013). Van Raak dacht dat Domela had gekozen voor een sociale beweging voor en met de mensen, terwijl Domela toch bedoelde dat veranderingen vooral dóór de mensen zouden komen.
Deze discussie met een vrij grote invloed in de SP keert terug, maar ze helpt de vakbond niet verder met de voorgenomen koers. Aan de hand van drie belangrijke zaken zal ik deze stagnatie proberen te illustreren: de invoering van de sectoren, het functioneren van het 'organizen' en de loop van de gevoerde campagnes, met name "Red de zorg", maar ook een beetje "Behoud van Koopkracht en echte Banen".

Spotprent handen drukken stapel papierwerk opzijDe sectoren zouden opgebouwd worden. Met de bedoeling dat de leden en kaderleden elkaar vanuit een specifieke invalshoek treffen. Bijvoorbeeld de sector Zorg en Welzijn. Daarvoor geldt dat de medewerkers van de verpleeg- en verzorgingstehuizen elkaar kunnen vinden en samen hun strijd voor behoud van werkgelegenheid voeren. Zo ook met de thuiszorgmedewerkers, de welzijnswerkers, de mensen werkzaam in de geestelijke gezondheids-, gehandicapten- en jeugdzorg. In de praktijk is daar weinig van terecht gekomen. Alle strijd werd versnipperd aangepakt, de oorzaak daarvan is dat de sector niet de regie in handen had. De strijd werd niet dóór de mensen gevoerd maar voor en met de mensen.
Het organizen stond voor de uitwerking van het vakbondswerk aan de basis en de terugdringing van het ledenverlies. Het project werd echter top-down benaderd en uitgevoerd. Speerpuntbedrijven waarop de organizers zich concentreerden, werden aangewezen. De aandacht lag op een versterkte positie in het cao-overleg en de organisatie en mobilisatie van mensen waar zich problemen voordeden. Goed bedoeld, maar het ene bedrijf veranderde in het andere, zo werd bijvoorbeeld de zorginstelling Sensire snel ingewisseld voor de thuiszorgorganisatie TSN. De gedachte daar achter was dat op basis van de zorginhoud met en voor de mensen in de vele overleggen en in het parlement 'iets geregeld' kon worden. Dat bleek een illusie, slechts een klein aantal mensen ging daarin mee. De grote meerderheid echter zag niets in deze aanpak en verloor het vertrouwen in de Nieuwe Vakbeweging. De grote afstand tot hun werkelijkheid kon door de organizers niet overbrugd worden.
De campagnes werden vanuit de centrale vakbondsleiding bedacht en gedropt. Dat was nadrukkelijk het geval bij "Red de zorg". Deze is geheel buiten de sector om gelanceerd. Er werd een landelijke steunactie gehouden die bijna één miljoen handtekeningen opleverde, vorig jaar 12 september gevolgd door 15.000 demonstranten in Amsterdam. Na veel gehakketak en overleg met staatssecretaris Van Rijn is er per 1 januari 2017 voor de verpleging/verzorging 300 en voor de thuiszorg 200 miljoen losgepeuterd. Dat geld komt geheel ter beschikking van de gemeenten, maar staat in geen enkele verhouding tot de ingevoerde bezuinigingen. De gemeenten kunnen met dit zoethoudertje op geen enkele manier de problemen oplossen waarmee de regering Rutte de zorg opgezadeld heeft - financieel, noch organisatorisch. De vakbond presenteert het als een overwinning en zegt vervolgens dat het nu aan de lokale netwerken is om de gemeenten aan te jagen en goed in de gaten te houden. Ook hier geldt dat de gedachte 'voor en met de mensen' sterker was dan hen in strijd te brengen en het vakbondswerk zelf op te bouwen, dus aan de basis dóór de mensen.

Verlammende vanzelfsprekendheden

Een nieuwe strategie - de vakbond van de leden en vakbondswerk aan de basis - vergt ook aanpassing van het instrumentarium, waarmee de oude vakbeweging gewend was te werken. Het was te voorzien, en ook wel uitgekomen, dat dit onderhuids binnen de Nieuwe Vakbeweging tot spanningen zou leiden. Ook hier liggen drie pijnpunten: de werkorganisatie, het bestuur en de cao.

De werkorganisatie wordt gevormd door het bezoldigde gedeelte van de vakbond, de mensen die betaald in dienst zijn. Zij hebben in de oude vakbeweging een prominente rol vervuld en staan onder grote druk, ook omdat het ledenverlies onvermijdelijk leidt tot inkrimping van het apparaat. Het is voor deze functionarissen uitermate moeilijk om hun positie op te geven en in de eerste plaats faciliterend te worden aan de vakbond als een vereniging van leden. De werkorganisatie heeft nooit behoefte gehad aan vakbondswerk aan de basis, en heeft nu nog meer moeite om te schakelen en zich weg te cijferen.
Het bestuur ondergaat een vergelijkbaar proces, de kunst van het loslaten. Maar hier speelt ook de kwestie van de Macht. Het bestuur gaat over de te volgen strategie, zowel over de uitwerking als de beschikbare financiën. Macht geeft status en aanzien en staat minimaal op gespannen voet met een strijdbare achterban. Uitdragen van het uitgangspunt 'zelforganisatie' betekent prijsgeven van de positie waaraan de macht verbonden is. De macht van de vanzelfsprekendheid, de hegemoniale macht gaat dan een rol spelen. In de managementdiscussie over de invoering van zelfsturende teams duikt dit verschijnsel ook steeds op. Ook daar geldt het motto dat voor de uitvoerenden een geheel van regels en procedures nodig is. Niet zo zeer als een 'natuurlijke' omgangsvorm, maar als het argument voor machthebbers om hun positie te behouden. De Nieuwe Vakbeweging kan zich helaas niet van dit verschijnsel losmaken.
De cao staat symbool voor zo'n vanzelfsprekendheid. Het is een 'bloemkool', een ondoordringbare structuur die een beletsel is om tot de kern van de problematiek door te dringen (zie commentaar 279, 28 juni 2015). Er zijn meer van die vanzelfsprekendheden, bijvoorbeeld de overlegorganen als de Sociaal Economische Raad, de Stichting van de Arbeid en de vele politieke lobbies. Illustratief is de switch die in het comité voor de Thuiszorg plaatsvond. In het begin werden allerlei groepen op de werkvloer actief, maar dat ging de vakbondsleiding kennelijk te ver en de aandacht werd verlegd naar de cao. Terecht merkte toen een collega op: wat hebben we aan een cao als we straks geen baan meer hebben!

Onze opdracht is niet het geschetste, oude instrumentarium op de vuilnishoop van de geschiedenis te gooien. Een werkorganisatie, een bestuur en een cao zijn van betekenis. Het zijn echter instrumenten die bij de oude vakbeweging horen en voor de nieuwe aan een drastische herziening toe zijn. Het gevaar is dat de vanzelfsprekendheden een verlammende invloed uitoefenen op de intenties van een vakbond vóór de leden en het vakbondswerk aan de basis. De oude instellingen en instrumenten zouden oprecht bestaande en nieuwe leden de ruimte moeten geven om hun eigen vakbond vorm en inhoud te geven, een sociale beweging dóór de mensen.

Ledenparlement

Het instrument bij uitstek om de nieuwe koers van de vakbeweging te sturen en te bewaken, is het ledenparlement. En in het verlengde daarvan de sectorraden. Nu worden beide overspoeld met regels, procedures, schijndiscussies, kortom een papierberg die een dagtaak vergt om er doorheen te komen. De leden van dit vakbondsparlement worden zo door hun werk in beslag genomen dat ze niet meer in staat zijn om op democratische wijze met hun achterban in debat te gaan over het beleid en de strategie van de vakbond. Het ledenparlement behoort de geluiden uit de arbeidsorganisaties en de samenleving te verwoorden en het bestuur aan te zetten daarop beleid te ontwikkelen en dat vervolgens controleren. Nu dreigt het beslissende democratische orgaan van de FNV te verzanden in een naargeestige bureaucratie.

Foto standbeeld Ferdinand Domela Nieuwenhuis in AmsterdamDe samenleving is aan het veranderen, dat geldt in bijzondere mate voor de arbeidsverhoudingen en de organisatie van de arbeid. Dat betekent dat de belangen van werkenden, niet werkenden, jongeren, ouderen, vrouwen, migranten veranderen. Het maatschappelijk systeem is in oude en nieuwe vorm niet meer in staat het hoofd te bieden aan die veranderingen. Dat zien we ook aan de milieuschade, de absurd slechte verdeling van de welvaart, de willekeur van het kapitaal, het amorele gedrag van het topmanagement en de illusiepolitiek van de macht. Dit alles leidt tot sociale achterstelling en uitsluiting van grote groepen mensen die ook nog eens kwetsbaar zijn. Een grote kans voor de vakbeweging om voor hen op te komen. Of beter, ze moeten er zelf voor vechten en dat kan de vakbond dan faciliteren.
Uiteraard is een brede oriëntatie van de vakbeweging nodig, maar de sociale vredesverdragen bieden geen soelaas. De recente tussenoplossing in de vastgelopen TSN, te weten Buurtzorg, betekent ook dat 25 procent van de medewerkers in de problemen komt. Laten we de lijn van Domela Nieuwenhuis vasthouden, een vakbond georganiseerd dóór de mensen. Daar ligt de uitdaging voor de Nieuwe FNV. De tijd dringt, het precariaat groeit, laten we gezamenlijk aan zo'n vakbond gaan bouwen.