welkom
extra
Solidariteit

Kan de waarheid over de oorlogsmisdaden in Indonesië nog langer verzwegen worden?

Bloedbad Rengat, Midden-Sumatra. 5 januari 1949

Maurice Ferares

Regelmatig verschijnen nog berichten over oorlogsmisdaden die Nederlandse militairen in de jaren 1945-1950 in Indonesië pleegden. Zo schreef Anne-Lot Hoek over de wandaden in Rengat, Midden Sumatra, door het Korps Speciale Troepen (NRC, 13-02-2016). Een politierapport over de gebeurtenissen zou al decennia lang in het Nationaal Archief in Den Haag liggen, zonder dat er iets mee is gedaan.

Anne-Lot Hoeke: "Volgens een bericht uit een officieel rapport zouden op 5 januari 1949 in die plaats 270 doden zijn gevallen. Indonesische bronnen spreken echter van 1.500 tot 2.000 slachtoffers. De Nederlandse resident M.D. Voors maakte melding van 400 slachtoffers. Op die vijfde januari om elf uur 's ochtends landden 180 parachutisten onder commando van luitenant R.F. de Mey (een vertrouweling van kapitein Westerling) in de kampong Skip en richtten daar een bloedbad aan onder vrouwen, mannen en kinderen na eerst een aantal vrouwen verkracht te hebben. Hun lijken werden in de rivier de Indragiri gegooid."

Foto's van Nederlandse soldaten in 'actie'

Korps Speciale Troepen

Degenen die het wilden weten, wisten al heel lang dat er oorlogsmisdaden in Indonesië zijn gepleegd. Die van kapitein Westerling en de manschappen van het Korps Speciale Troepen in Zuid-Celebes waren bekend, nadat het Engels dagblad The Daily Worker er op 7 juni 1947 over had geschreven. Tien- tot twintigduizend mensen zouden zijn vermoord. Niemand is voor de rechter gebracht, terwijl de wet toch duidelijk genoeg was:
"Met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaar of een geldboete van de 5e categorie worden gestraft de militairen die in tijd van oorlog met vereende krachten geweld tegen een of meer personen plegen en bij het plegen van het feit misbruik maken of dreigen te maken van macht, gelegenheid of middel hem als militair gegeven." (artikel 142 wetboek van Militair Strafrecht)

Excessennota

In december 1968 verklaarde Joop Hueting, als soldaat naar Indonesië gestuurd, tijdens een televisie uitzending van "Achter het Nieuws" dat hij en andere Nederlandse militairen oorlogsmisdaden in Indonesië hadden begaan. De schrik in Haagse kringen was groot, omdat de misdaden nu openlijk door een pleger werden bekend. Er volgde een discussie in de Tweede Kamer en de regering kreeg de vraag een onderzoek in te stellen naar de ware gebeurtenissen.
De toenmalige regering De Jong kon er niet onderuit komen iets te doen. Een benoemde commissie verscheen reeds in maart 1969 met de zogenoemde Excessennota. Deze titel wees er al op dat het om een heel beperkt onderzoek ging. Alle voorgaande regeringen hadden alles in het werk gesteld om onderzoek te voorkomen. Hun redenen? Ten eerste, waren ze bang voor financiële claims van de nabestaanden van de slachtoffers. Ten tweede, wilden ze verhinderen dat duidelijk werd wat de gevolgen waren van de koloniale oorlog die hun politieke vrienden in de jaren 1945-1950 tegen Indonesië hadden gevoerd.

Foto van Westerling die boek met titel De Eenling vasthoudt en foto van Joop Hueting
Kapitein Westerling op latere leeftijd en Joop Hueting

De Excessencommissie had twee maanden in archieven gespeurd en geen voet buiten de deur gezet om getuigen te horen. Het resultaat was inderdaad heel beperkt en herhaalde de leugens die in de verslagen stonden van militaire commandanten. Wij wezen er al eerder op dat in de Excessennota staat dat er in Rawagede op Java in december 1947 twintig mensen zouden zijn gedood, terwijl in de kampong 431 graven zijn van de hele mannelijke bevolking (mannen en jongens) die door Nederlandse militairen was doodgeschoten. (zie 294 extra 2, 24 januari 2016) Premier De Jong die de beperktheid van de nota niet kon ontkennen, schreef in de slotbeschouwing: "Met deze nota en haar bijlagen is naar de mening van de regering zoveel als thans mogelijk is, voldaan aan de gerechtvaardigde wens tot openheid in dezen. (...) De regering is voornemens de werkzaamheden door een algemeen historisch onderzoek te laten vervolgen en completeren."
Een vervolgonderzoek heeft niet in opdracht van regering De Jong, noch op verzoek van een latere regering, plaatsgevonden.

Onderzoek geweigerd

Hier een uitvoerig citaat uit de Excessennota over de wandaden in Rengat:
"De Officier van Justitie te Riouw zendt op 23 april 1949 een rapport aan de Procureur-Generaal waarvan de conclusies luiden:
a. Door ongelukkige samenloop van omstandigheden hebben de dag van de bezetting van Rengat en omgeving een aantal personen uit de burgerbevolking het leven gelaten, welk aantal ongeveer 80 bedraagt, doch door partijdige berichtgevers schromelijk wordt overdreven.
b. Een 30-tal combattanten is gesneuveld.
c. Opzettelijke levensberovingen worden door bevolkingshoofden ontkend, terwijl er evenmin enige aanwijzing te vinden is onder de bevolking; integendeel wijst de alleszins vriendschappelijke houding dezer bevolking ten huidigen dage op onwaarheid van de verspreide geruchten. Wel is komen vast te staan dat een aantal diefstallen heeft plaatsgevonden. Enige aangiften daarvan zijn naderhand aangediend, doch blijken geringe hoeveelheden te betreffen, terwijl vaak niet zeker is dat parachutisten zich daaraan schuldig hebben gemaakt. Gouden sieraden, geldbedragen zijn verdwenen. In het oog dient te worden gehouden dat de gevangenis is opengezet door de TNI [Indonesische leger] en alle gevangenen dien dag zijn ontvlucht.
De Officier van Justitie verzoekt de Procureur-Generaal op 14 oktober 1949 goed te vinden dat de zaak voor wat het Parket te Riouw betreft als afgedaan wordt beschouwd. De Procureur-Generaal gaat hiermede op 24 oktober 1949 akkoord.
"

De commissie die de Excessennota opstelde, heeft dit alles voor zoete koek geslikt en verder niets onderzocht. Aan woorden van militaire commandanten, officieren van Justitie en Procureurs Generaal kan en mag immers niet getwijfeld worden!
Het is begrijpelijk, maar ongelooflijk dat alle regeringen, met inbegrip van de huidige, geweigerd hebben geld ter beschikking te stellen voor onderzoek door de drie onderzoekinstellingen die daar om hadden gevraagd, te weten: het Nederlandse Instituut voor Oorlogs-, Genocide- en Holocaustdocumentatie (NIOD), het Koninklijk Instituut voor Taal,- Land- en Volkenkunde (KITLV) en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH),

Foto van Nederlandse soldaten in 'actie' en een rouwende Inodnesische vrouw

De drogredenen van Timmermans

We nemen als voorbeeld de gang van zaken bij de behandeling in december 2012 in de Tweede Kamer van een voorstel om financieel bij te dragen aan een vervolgonderzoek door de genoemde instituten. Het lid van de Kamer voor de SP, Van Bommel vroeg daar om. Minister Timmermans van Buitenlandse zaken weigerde en had een zak vol drogredenen waarom hij geen geld ter beschikking wilde stellen voor onderzoek dat zou moeten gaan over het gedrag van Nederlandse militairen in Indonesië in de periode 1945-1950. Een zaak dus tussen Nederlanders en de Indonesische bevolking. Timmermans op 19 december 2012 in de Kamer over het plan voor een onderzoek:
"De PvdA-fractie heeft indertijd gezegd, een goed plan. Maar het moet wel in een breed internationaal verband, zodat je de visie van alle partijen krijgt. In dat kader heb ik gevraagd aan Indonesië, wat vinden jullie ervan als wij samen met jullie zo'n onderzoek doen? Indonesië is daarover heel helder geweest tegen mij, dat vinden wij geen goed plan, dat willen wij niet. Ik vind dat een helder signaal. Ik vind ook dat je daarmee de kans verkleint om dat breed internationaal te maken. Ieder land moet met de eigen geschiedenis in het reine komen, ook als het om een koloniale geschiedenis gaat. Daar zijn historici en historische instituten voor."

Een merkwaardig antwoord. Allereerst, omdat Timmermans zich beroept op een mening van de PvdA-fractie, waar hij als minister helemaal niet aan gebonden was. Verder heeft hij het over "indertijd", in plaats van aan te geven wanneer dat was. Vervolgens vertelt de minister dat hij Indonesië gevraagd heeft of 'ze' samen met 'ons' zouden willen meewerken aan zo'n onderzoek. Wie was 'Indonesië' aan wie de minister gevraagd zou hebben of ze (meervoud) wilden meewerken aan een onderzoek.
De president van het land was Yudhoyono, waarvan gezegd werd dat hij verantwoordelijk is voor oorlogsmisdaden in Oost-Timor. Hij had in het jaar 2000 als luitenant-generaal het leger verlaten en werd in 2004 president. Maar afgezien van die persoonlijke kwestie was er de massaslachting door het regiem Suharto in 1965. Dat waren de militairen die het land nog altijd regeerden. Die generaals, als ze door Timmermans werkelijk benaderd zijn, hadden helemaal geen behoefte aan welk onderzoek dan ook naar oorlogsmisdaden. Daarbij kwam nog dat de jaren 1945-1950 lang geleden waren en het de generaals goed ging met de winsten uit de handel met Nederland. Waarom zouden ze die in gevaar brengen door een stom onderzoek naar wat Nederlanders in Indonesië hadden gedaan?

Partij van de Arbeid

Voorts het "internationaal verband" waarover de PvdA sprak "om de visie van alle partijen" te krijgen. Het ging toch om Nederlanders en Indonesiërs en om een Nederlands onderzoek in Indonesië. Het was toch niet nodig om daar andere landen bij te halen die niets van de zaak afwisten en er ook niet bij betrokken waren geweest. Was dat "breed internationale verband" (wat toch weer Nederland en Indonesië bleek te zijn) niet een verzinsel om het onderzoek bij voorbaat onmogelijk te maken, door het niet door te laten gaan als er landen waren die niet mee wilden doen?
Ging de discussie niet over de steun aan historische instituten die volgens Timmermans het onderzoek zouden moeten doen? Waarom wilde de PvdA en later Timmermans het onderzoek onmogelijk maken? We zeiden het reeds. Het ging erom politieke vrienden uit de wind te houden die als ministers en parlementsleden verantwoordelijk waren voor de oorlog tegen Indonesië na 1945.
Waren niet partijgenoot Willem Drees, de vicepremier, en zijn makker Willem Schermerhorn, premier tevens minister van Algemene Oorlogvoering, die de eerste troepen in 1945 naar Indonesië stuurden? Drees was van juni 1945 tot december 1958 onafgebroken minister. Hij was verantwoordelijk voor de koloniale oorlog die 150.000 Indonesiërs het leven kostte. En zaten er niet ook PvdA-ministers in de regering Beel die de Grondwet liet veranderen, zodat er dienstplichtigen overzee konden worden gestuurd? Ja en nog eens ja.
Laten we tot slot Jan Pronk niet vergeten, PvdA-minister in vier kabinetten. Als minister van Ontwikkelingssamenwerking was hij voorzitter van de Inter Governmental Group on Indonesia (IGGI) die een aantal jaren honderden miljoenen aan Soeharto schonk 'voor de opbouw van Indonesië'. Pronk beweerde er voorstander van te zijn geweest dat Nederland afstand zou doen van het recht op het voorzitterschap van de IGGI, maar dat zijn partijgenoot Van der Stoel, minister van Buitenlandse zaken, daar fel tegen was. Dus bleef Jan Pronk het geld aan Soeharto ieder jaar overmaken.

De mensen die in Zuid-Celebes (Sulawesi), Rengat en op al die andere plaatsen in Indonesië zijn gemarteld en/of vermoord door Nederlanders, zal nooit recht worden gedaan zolang de Timmermansen en de Ruttes het voor het zeggen hebben. Om er zeker van te zijn dat de militairen die in Indonesië misdaden hadden begaan niet in de gevangenis terecht zouden komen, werd in 1971 in de Tweede en Eerste Kamer een wet aangenomen waarbij alle in Indonesië begane misdaden verjaard werden verklaard. Ook de massamoorden in Zuid- Celebes en het bloedbad in Rengat.