welkom
extra
Solidariteit

De revolutionaire vakbeweging in Nederland

Het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS) 1893-1940

Dick de Winter

Mijn vader Tinus was in de jaren dertig lid van het NAS en de Revolutionair Socialistische (Arbeiders) Partij(RSP/RSAP). Na de Tweede Wereldoorlog - het NAS werd niet meer opgericht - was hij lid van het Onafhankelijk Verbond van bedrijfsorganisaties (OVB). Samen met mijn moeder Hennie hielp hij mee in het kinderkamp van het NAS in Beekbergen, het Ferdinand Domela Nieuwenhuis-Oord. Dit jaar is het 120 jaar geleden dat het NAS werd opgericht dat, zoals mijn vader altijd zei,"kleurecht" was.

In Beekbergen kampeerde ook NAS-voorzitter Henk Sneevliet die vurige pleidooien hield voor de vakcentrale. Hij probeerde de opbouw van een klassenbewust kader te stimuleren. De vakcentrale had het moeilijk in de jaren dertig. Als gevolg van grote werkloosheid heerste er vaak berusting bij de arbeidersklasse. Hier een samenvattende schets van de geschiedenis van het NAS, gevolgd door een opmerking over het OVB, waarin we na de oorlog elementen van de ideologische achtergrond van het NAS aantreffen. Tot slot, een aanbeveling voor De Nieuwe Vakbeweging (NV) in oprichting.

Ongedeelde vakbeweging

Het NAS werd opgericht vanuit de Sociaal-Democratische Bond (SDB).1 Dit vloeide voort uit een besluit van het Internationaal Socialistisch Congres van de Tweede Internationale dat in 1891 in Brussel was gehouden.
Voor die tijd bestonden er ook vakverenigingen, maar van een permanent verband was nog geen sprake. Elke organisatie bewoog zich geheel zelfstandig op haar eigen terrein. Aan het eind van de jaren tachtig van de negentiende eeuw werd als gevolg van de sociaaleconomische ontwikkelingen steeds duidelijker dat een nationale verbinding noodzakelijk was. De doorzettende ontwikkelingen in de maatschappij maakten dat oude gewoonten en mentaliteiten werden doorbroken. Gevoelens van samenhorigheid en solidariteit waren beperkt gebleven tot die van buren, de straat en de buurt. Ze werden nu, volgens Jacques Giele, uitgebreid tot solidariteit van alle arbeiders "zonder onderscheid, en daarmee tot allen die in een loonafhankelijke positie verkeerden".2
Ambachtslieden en arbeiders voelden de drang om tot een organisatie voor alle arbeiders te komen, een ongedeelde vakbeweging. Zonder religieuze en politieke versnippering. Op 27 augustus 1893 richtten vertegenwoordigers van acht bonden en de SDB het NAS op.3 Domela Nieuwenhuis en Christiaan Cornelissen, vooraanstaande leden van de SDB, speelden daarin een sleutelrol. Het is vooral Cornelissen die in de jaren 1890-1892 de vakverenigingen de weg wees naar een zelfstandige ontwikkeling, los van de SDB. Bij de oprichting van het NAS stond hem een nationale vakbeweging voor ogen die geen enkele politieke organisatie zou hebben te volgen, ook niet die van anti-politieke en anti-parlementaire anarchistische groeperingen. Dat bleek geen gemakkelijke opgave.

Parlementairen en anti-parlementairen

In de jaren negentig van de negentiende eeuw was het NAS een soort Labour Party. Zowel politieke partijen als vakverenigingen konden aangesloten zijn, zonder dat het NAS zich overigens op parlementair-politiek terrein bewoog. Aan de steeds weer oplaaiende politieke strijd tussen parlementairen, die het NAS tot bijwagen van de in 1894 opgerichte Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) wilden maken, en de antiparlementairen kwam pas een einde in 1896. Toen trok de anarchistische Socialistenbond, de opvolger van de SDB, zich als politieke partij uit het NAS terug. De SDAP werd door het NAS in 1896 zelf buiten de deur gezet.

De Arbeid, 27 september 1935 (afbeelding Franz Holz)
De Arbeid, 27 september 1935 (afbeelding Franz Holz)

Prominenten in de SDAP, waaronder Pieter Jelles Troelstra, beschouwden de vakbeweging als een ondergeschikte organisatie die van de partij afhankelijk moest zijn en die zij wel in het juiste spoor zouden houden. Daar heeft het NAS zich altijd hevig tegen verzet. Het noemde zich niet voor niets de onafhankelijke vakbeweging. SDAP-ers als Troelstra, Pothuis en Van den Tempel, hebben steeds bewust de confrontatie met het NAS gezocht. Zij waren het die steeds maar weer opriepen om een nieuwe vakcentrale tegenover het NAS te stichten.
Tot 1905, toen het sociaaldemocratische Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (NVV) werd opgericht, verloren de voorstanders van deze lijn voortdurend het pleit. Oude rotten binnen de SDAP, zoals Hendrik Spiekman die een lange staat van dienst in de vakbeweging had, begrepen dat de vakbeweging eerst nog moest groeien voordat hogere contributies, centralisatie van de organisatie en sterke weerstandkassen mogelijk waren. Henri Polak, prominent binnen het NVV, wilde dat wél en keerde zich faliekant tegen het NAS. Al eerder had hij centraliserende maatregelen binnen zijn eigen Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB) weten te realiseren, op basis van de specifieke, economische omstandigheden die het diamantvak kenmerkten. 4

Het NAS was in tegenstelling tot het NVV federatief georganiseerd. Elke aangesloten vereniging had recht op één vertegenwoordiger in het NAS-bestuur. In de Algemene Vergaderingen waren daardoor de grote bonden ondervertegenwoordigd. Die weinige, grote bonden bleven daarom liever buiten het NAS. Een organisatorische verbetering werd bereikt door het oprichten van Plaatselijke Arbeids-Secretariaten (PAS), de eerste in Rotterdam in 1897, daarna in Amsterdam, Arnhem, de Zaanstreek en Nijmegen. Dit opende de mogelijkheid voor plaatselijke afdelingen van vakbonden om zich via het PAS bij het NAS aan te sluiten. 5 Met het opzetten van eigen bestuurdersbonden deed het NVV een bewuste poging de revolutionaire concurrent de wind uit de zeilen te nemen.
De strijd tussen de sociaaldemocraten en de anarchisten in het NAS is niet bevorderlijk geweest voor de groei. In 1900 zwakte het anti-parlementarisme van het NAS door een reorganisatie enigszins af. Het liet de keuze vrij voor wetten te ijveren en dus aan politiek te doen. Dit hield verband met acties die in die tijd werden gevoerd ter verkrijging van betere sociale wetten.

Stakingen 1903

De grote spoorwegstakingen van 1903 zijn van cruciale betekenis geweest bij de scheiding der geesten in het socialistische kamp. Zeker als het ging om tactiek en strategie. Het voortdurend compromissen sluiten over de hoogte van de contributies, de stemverhoudingen en de interne structuur, maar vooral de deelname aan acties voor sociale en arbeidswetgeving hadden tot 1903 het gezicht van het NAS bepaald. Een steeds groter deel van de vakbeweging in Nederland ging, heel langzaam weliswaar, in de richting van gecentraliseerde bonden en aanvaardde de strijd voor wetgeving als een belangrijk middel. In dit opzicht ontstond, volgens Johan Frieswijk, heel langzaam een kloof tussen één deel van de vakbeweging en een ander deel. Die kon door het NAS nooit meer door compromissen gedicht worden.
Door de gebeurtenissen rond de spoorwegstakingen en de mislukte reorganisatie in het NAS zelf werd die ontwikkeling nog versneld. Met secretaris Van Erkel aan het hoofd ging het NAS - de jarenlange provocaties van de SDAP beu - in de aanval met de zogenaamde scheurcirculaire. Had Troelstra in zijn kerstrede van 1903 niet zelf gezegd dat het "ten dode gedoemde", "verlopen NAS" door een nieuw NAS vervangen diende te worden? Van Erkel had de handschoen opgenomen en gereageerd: "Scheidt U af van de organisatie waar ge bij aangesloten zijt en sluit U aan bij het NAS! Wat niet bij elkander hoort moet van elkander af ()".6
De scheurcirculaire had een rampzalig effect. Weinig organisaties sloten zich aan. Het heeft bijna de ondergang betekend van het NAS. Na 1903 zakte het ledental, dat toch al niet te hoog is geweest, van 18.700 in 1896 via 17.062 in 1903 naar een schamele 3.250 in 1906.

Harm Kolthek

Harm Kolthek gaf als secretaris in 1907 het NAS die vastheid van richting die jarenlang had ontbroken. Hij veroordeelde Van Erkels ontactische daad en hekelde de allesbehalve rooskleurige toestand die toen in het NAS heerste. Hij verweet het bestuur slap organisatorisch optreden en gebrek aan ideologische duidelijkheid. Er werd een reorganisatiecommissie benoemd, waarin Kolthek al snel mede leiding gaf aan vernieuwingen. Kolthek was degene die de intellectuelen van zowel anarchistische als sociaaldemocratische kant met gelijke wapens kon bestrijden. Hij was niet alleen een begaafd spreker en auteur, maar ook een kundig en vasthoudend organisator.
Als toelichting op de door hem geformuleerde beginselverklaring schreef hij een lijvige, populaire beschouwing over klassenstrijd en kapitalisme onder de titel Van Eenheid en Strijd. In die Beginselverklaring komt de volgende passage (de zogenaamde ongeacht clausule) voor:

"Ziende dat de bezittende klasse tevens is de machthebbende klasse, doordat de bezitters van alle mogelijke politieke en godsdienstige overtuiging zich steeds hechter aaneen sluiten in de strijd tegen de arbeiders, wil de onafhankelijke vakorganisatie de arbeiders organiseren ongeacht hun politieke- of godsdienstige meningsverschillen. Zij stelt zich daarvoor tot taak het behartigen hunner ogenblikkelijke en toekomstige belangen door bestrijding van de kapitalistische productiewijze, overal waar die zich openbaart op economisch en politiek terrein."

Afbeelding van ex libris van Harm Kolthek, geïnspireerd op zijn Van Eenheid en Strijd
Ex libris van Harm Kolthek,
geïnspireerd op zijn Van Eenheid en Strijd

Met deze 'ongeacht clausule', waarvan de tekst ontleend was aan besluiten van het Congres van de Tweede Internationale (Londen, 1896), bevestigde het NAS zijn politieke onafhankelijkheid. 7
In het NAS-blad De Arbeid betoogde Kolthek dat de vakbeweging zeker niet in haar eentje de gehele strijd tegen het kapitalisme kon voeren: "Er moet meer gebeuren dan de vakbeweging kan doen. En dat meerdere moet gebeuren door een politieke partij". "Daarom moet", zo meende hij, "niet de vakbeweging 'de' politieke actie voeren maar 'haar' politieke acties. En die voert ze zelfstandig". Deze uitgangspunten vormden geen belemmering om in 1911 voor het eerst met de door de Tribunisten opgerichte Sociaal-Democratische Partij (SDP) samen te werken in het Nationaal Comité voor de achturige arbeidsdag.
Kolthek en met hem grote delen van het NAS raakten ervan overtuigd dat het NAS tot dat moment veel te ver was gegaan door alle politieke actie, zoals anarchisten meenden, als schadelijk te verwerpen, gesalarieerde bestuurders voor parasieten uit te schelden en de weerstandskas overbodig te verklaren. Als reactie op datgene wat de SDAP 'leraarde' was dat wel te begrijpen, vond hij, maar het was een te overspannen reactie geweest. 8
De Beginselverklaring van 1908 werd bij referendum met grote meerderheid aangenomen. Dat was de aanzet tot groei van het NAS. Maar het betekende wel een slag voor de anarchistische NAS-leden. Prominente anarchisten binnen het NAS, zoals Lansink jr. en Rijnders, hebben zich nooit bij deze beginselverklaring kunnen neerleggen. Immers, de 'ongeacht clausule' betekende in de grond van de zaak de doodslag voor het anarchistische, politieke beginsel dat zij het NAS wensten voor te schrijven. Al de pogingen van Kolthek om het NAS op een algemeen socialistische grondslag op te bouwen, werden van die kant bestreden. In De Arbeid leidde dat tot felle ingezonden brieven en polemieken die met de anarchist Rijnders tot in debatvergaderingen toe werden uitgevochten.

De vakbeweging was in de optiek van Kolthek voor alles een praktische beweging. Ook ten aanzien van de sociale wetgeving was hij tot de overtuiging gekomen dat het NAS na de moeilijke compromissen van de jaren daarvoor geen afwachtende houding meer kon blijven aannemen. Dat het Nas zich op de mede door Kolthek voorbereide, nieuwe grondslagen verder positief ontwikkelde, liet zien dat in brede kring die denkbeelden weerklank vonden. Binnen een aantal jaren was het NAS weer een gerespecteerde vakcentrale, het straalde weer zelfvertrouwen uit. 9

Strijdt mee in het NAS! Uitgave van het Nationaal Arbeids-Secretariaat, maart 1937. Illustratie Franz Holz
Strijdt mee in het NAS! Uitgave van het Nationaal Arbeids-
Secretariaat, maart 1937. Illustratie Franz Holz

Onderscheid NAS en NVV

Wat de zich socialistisch noemende vakbeweging betreft, moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen het NAS en het NVV. Het NVV, vaak aangeduid als de 'moderne vakbeweging', gaf er in de dagelijkse strijd blijk van de bestaande klassen te willen erkennen, de tegenstellingen tussen de klassen te institutionaliseren, met andere woorden beheersbaar en hanteerbaar te maken. Praten, overleggen, onderhandelen, adviseren en vergaderen, daar ging het in eerste instantie om. Bij de ingroei van de sociaaldemocratie in de kapitalistische maatschappij werden de aangeboden kansen door het NVV gegrepen, de klassenstrijd langzamerhand afgezworen en de overgang gemaakt van klassenorganisatie naar pressiegroep.
Revolutionairen in het NAS, waaronder Kolthek, meenden dat de moderne vakbeweging duidelijk aanstuurde op samenwerking met de organen van de staat en van de werkgevers met als doel de kloof tussen de klassen op parlementaire wijze te dichten. Als er gestaakt werd, kwam bij deze vakcentrale de nadruk te liggen op beperktheid in omvang en tijd. Naast tactische en theoretische verschillen tussen NAS en NVV speelden verschillen in temperament, en doodordinaire ruzies daar dwars doorheen, een rol. Door een steeds meer om zich heen grijpende centralisatie kwam in het NVV het accent in de besluitvorming meer te liggen bij het hoofdbestuur, dus op het vakcentrale niveau, dan bij de leden. 10

Het NAS legde bewust de nadruk op directe, zelfstandige actie. Het wilde vooral een strijdorganisatie zijn. Kolthek: "Daarom verfoeien wij discipline en centralisatie zoals de modernen en christelijken die propageren en toepassen, omdat ze de arbeidersorganisatie dienstbaar maken aan en inrichten volgens theoretische systemen, waardoor de beste elementen van de strijd worden verwaarloosd en verstikt, namelijk de zelfwerkzaamheid, de individualiteit en de solidariteit".11 Om goed te kunnen werken, betoogde Kolthek, was uitgaande van de federatieve organisatievorm evenveel homogeniteit van de samenstellende delen nodig als bij de centralistische. Waar het op aankwam was dat de bestuurders geen dictatoriale macht konden krijgen, maar werktuigen bleven in de handen van de leden.
Bij het NVV kwam na de oprichting in 1905 de vervlechting met het establishment in snel tempo tot stand. Het NVV streefde ernaar als enige belangenbehartiger erkend te worden. Vooral tijdens de Eerste Wereldoorlog gaf de regering ruime kansen die de moderne vakbeweging benutte. Het grotere NVV bood zich duidelijk aan om binnen het systeem een aanpassende rol te vervullen. Dit alles kan niet los gezien worden van de strijd om de macht tussen het NVV en het kleinere revolutionaire NAS. 12
De modernen toonden slechts minachting voor de revolutionaire vakbewegingstactiek van de directe actie die uitgaat van het bestaan van de klassenstrijd en toespitsing van de klassentegenstellingen. Het NAS hield er bewust aan vast. Niet institutionalisering van het protest stond op de voorgrond, maar erkenning van het feit dat staking uiteindelijk het enige wapen van de arbeiders was, of het nu ging om het afdwingen van betere arbeidsomstandigheden, een collectief contract of de erkenning van de vakorganisatie zelf. Het NAS heeft op die manier het revolutionaire klassenbewustzijn onder de Nederlandse arbeiders door de voortdurende financiële en moreel-ideologische steun bevorderd.

Hervormingen

Kolthek zag in dat het NAS, wilde het met zijn tijd meegaan, grootschaliger, strategischer en organisatorisch beter gefundeerd moest worden. Het NAS heeft zoveel mogelijk getracht door leiding te geven aan stakingen en met een centrale stakingskas tot een betere strategie te komen. Dat het niet altijd zo goed lukte, dat het NAS door uitgebroken stakingen in alle beroepscategorieën werd overrompeld, heeft niet alleen te maken met de opgaande conjunctuur tijdens de periode 1892-1914, maar ook met de oude traditie van actievoeren die gebaseerd was op onderlinge solidariteit en inzamelingen met steunlijsten. Met die bestaande praktijk van vakbondstraditie had het NAS - zeker tot 1900 - rekening te houden. Als resultaat van de oude beweging was het optreden van het NAS in de ontwikkeling van de vakbeweging een noodzakelijke fase die doorgemaakt moest worden, voordat een sterk gecentraliseerde organisatie kon ontstaan. Kolthek besefte dat en voerde daarom noodzakelijke veranderingen door. 13 De bestuursperiode van Kolthek tot 1913 zorgde voor een ombuiging van de afbrokkeling van het ledental: vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog telde het NAS weer ruim 9.100 leden.

De doorzettende modernisering van de maatschappij was er de oorzaak van dat het NAS steeds meer genoodzaakt werd zich met door de overheid geïnitieerde wetgeving bezig te houden. De arbeiders, zo schrijft de voorzitter van de Federatie van Transportarbeiders van het NAS, Bertus Bouwman, werden niet alleen genoodzaakt er aandacht aan te besteden, "maar ook om er zich mee te bemoeien, omdat deze overheidsbemoeiingen hun eigen dagelijkse leven en werken steeds meer gingen raken".

Eerste Wereldoorlog

Het eerste jaar van de Eerste Wereldoorlog behoorde het NAS samen met onder andere de SDP tot de organisaties die een samenwerkingsverband aangingen binnen het Landelijk Agitatiecomité der Socialistische Arbeidervereenigingen (SAV). Daarbij werden bestaande plaatselijke agitatiecomités verbonden. In 1916 werd het SAV opgeheven en het Revolutionair Socialistisch Comité tegen den Oorlog en zijn gevolgen (RSC) opgericht. Door deze samenwerking, en zeker ook de invloed van de Russische revolutie in 1917, werden bij NAS-leden communistische sympathieën versterkt en nog bestaande antipartijpolitieke opvattingen verzwakt.
Naarmate de klassentegenstellingen zich verscherpten, zoals zichtbaar bij de Rotterdamse havenstakingen van 1917 en 1920, was het onmogelijk geworden een duidelijke grens te trekken tussen wat precies economische dan wel politieke actie was. Grote economische conflicten namen dikwijls een overwegend politiek karakter aan, meende Bouwman. Er was dan geen sprake meer van zuivere loonconflicten, zoals vroeger het geval was. Naarmate de conflicten niet alleen een nationaal karakter kregen, zoals bij de Zeeliedenstaking van 1911, maar ook internationaal, namen de conflicten een steeds duidelijker politieke kleur aan. 14

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was het NAS betrokken bij gemeentelijke initiatieven op het gebied van werkverschaffing. "Door al deze overheidsbemoeiingen van rijk en gemeente kon zelfs de meest verstokte anarchist het zich niet langer veroorloven om te zeggen: ik wil met de Staat en de Gemeente, kortom met de overheidsorganen, niets te maken hebben", aldus Bertus Bouwman. In de loop van de jaren zien we dan ook NAS-organisaties deelnemen aan tal van commissies die op grond van door de overheid uitgevaardigde sociale maatregelen waren ingesteld. Het illustreert het feit dat wilde het NAS als revolutionaire vakbeweging praktisch werk doen, het steeds zou moeten deelnemen aan de onderhandelingen met de werkgevers, waarbij niet zelden de onderhandelingstactiek in de plaats kwam van het directe zelfoptreden van de arbeider.

Tot 1940

Vlak na de revolutiejaren werd een uitbreiding van de sociale revolutie verwacht. Daarom volgden van burgerlijke zijde veel concessies op sociaal gebied. Duidelijk werd dat het NAS wel politieke actie wilde voeren (adresseren, petitioneren en demonstreren), maar dat de omschrijving van de beginselverklaring van 1908 die sprak van van "uitsluitend met buitenparlementaire middelen" steeds minder te handhaven viel. De SDP die na 1918 Communistische Partij Holland (CPH; vanaf 1936 Communistische Partij in Nederland, CPN) en de Socialistische Partij (SP) van Kolthek van 1918 begonnen steeds meer te merken dat NAS-leden deelnamen aan de verkiezingen voor overheidsinstanties. Het NAS behield zijn onafhankelijkheid, maar pas nadat de banden met de individueel anarchisten in het NAS definitief in 1917 waren verbroken, was steeds meer een ontwikkeling waar te nemen die inhield dat de onverzoenlijke strijd tegen het kapitalisme óók in de Kamer of in de gemeenteraad gevoerd moest worden. 15 Het zou tot oprichting van de Socialistische Partij van Harm Kolthek leiden. 16
Het ledental van het NAS steeg sterk, sterker zelfs dan van het NVV: van 18.400 in 1917 tot ruim 50.000 in het begin van 1920. Met het NVV ontstond toen een formele samenwerking. De al eerder genoemde transportstaking van 1920 die uitgebroken was om de eisen van loonsverhoging en achturendag kracht bij te zetten, mislukte na elf weken. Ideologisch-taktisch divergeerden NVV en NAS fundamenteel. Wilde het NAS van de aanvang af in de havens een korte staking maar wel op een brede basis, het NVV wilde en hoopte op een afmatting van de werkgevers door juist de staking te beperken en in te zetten op de lange duur ervan.

Foto's Henk Sneevliet 1933 (links) en Bertus Bouwman
Henk Sneevliet 1933 (links) en Bertus Bouwman

Henk Sneevliet die samen met Bertus Bouwman een belangrijke rol vervulde tijdens de staking, meende dat de werkgevers in die tijd nooit meer klein te krijgen waren, gegeven het opgespaarde geld van de weerstandskassen of bondsvermogens. 17 De vakcentrales gingen daarna hun eigen weg.
Henk Sneevliet was vanaf 1924 zowel voorzitter van het NAS als van de RSP/RSAP. Veel partijleden waren ook aangesloten bij het NAS. De revolutionair socialisten waren van mening dat alleen op basis van volkomen gelijkwaardigheid een vruchtbare samenwerking tussen beide tot stand kon komen. Wat de RSP/RSAP in het NAS aantrok, was dat het onveranderlijk had vastgehouden aan zijn socialistische instelling waarbij het aan daadwerkelijke actie van de arbeiders steeds primaire betekenis had toegekend. Toch heeft altijd een zekere spanning tussen partij en vakbeweging bestaan.
De arbeidersbeweging eind jaren twintig en in de jaren dertig kenmerkte zich steeds meer door berusting. Een passiviteit die het NAS in die moeilijke jaren wilde doorbreken. Het NAS werd door de overheid gezien als een extreme organisatie. Het was ambtenaren nadrukkelijk verboden lid te zijn. Mede daardoor verminderde het ledental. Veel aangeslotenen waren werkloos en konden weinig invloed in de bedrijven uitoefenen. In 1940 was het ledental gedaald tot 10.000.

Foto: Op het NAS-terrein van het Ferdinand Domela Nieuwenhuis-Oord in Beekbergen in de jaren dertig.
Op het NAS-terrein van het Ferdinand Domela Nieuwenhuis-Oord
in Beekbergen in de jaren dertig.

Ten slotte

Vatten we de ontwikkelingen samen, dan is duidelijk dat het NAS vele partijen heeft gekend die de vakorganisatie voor hun eigen politieke doeleinden wilden benutten. Het NAS heeft zich echter nooit willen binden aan een partijpolitieke richting. Wel heeft het daarvan invloeden ondergaan.
Voor de Eerste Wereldoorlog was er de invloed van anarchisten, zonder dat het NAS een anarchistische vakcentrale genoemd kan worden. Iets wat het NVV in de concurrentieslag met het NAS altijd met opzet juist wel naar voren bracht. Dat heeft een correcte geschiedschrijving van het NAS belemmerd. Die historiografische vertekening schiep een beeld van het NAS, waarbij de vakcentrale het slechts te doen was om 'maar-raak-te-staken' en overleg te schuwen.
Ook heeft het NAS zijn onafhankelijkheid ten opzichte van de SDP/CPN en de Socialistische Partij (SP) van Kolthek, die in 1913 het NAS verliet en in 1918 de SP oprichtte, weten te bewaren. Op concrete punten werd wel samenwerking met politieke partijen gezocht. Het werkte in 1911 voor het eerst samen met de Sociaal-Democratische Partij (SDP) in een Nationaal Comité voor de achturige arbeidsdag. In de loop van de tijd bleek politieke actie voeren met "uitsluitend buitenparlementaire middelen" steeds minder te handhaven.

Na de Eerste Wereldoorlog onderging het NAS mede als gevolg van de Russische revolutie steeds meer de invloed van communisten. Dat leidde tot een scheuring en de oprichting van het anarchosyndicalistische Nederlandsch Syndicalistisch Verbond (NSV) dat zich op de anarchistische Internationale Arbeiders Associatie (IAA) richtte. Nadat het NAS zich had losgemaakt van de Rode Vakbewegings Internationale (RVI) dat onder stalinistische invloed stond, onderging het de invloed van de in 1929 opgerichte revolutionair socialistische RSP en, na de fusie in 1935 met de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP), van de RSAP. Hoewel er steeds een kleine minderheid in de RSP/RSAP is geweest die niet pro-NAS was, is er altijd naar gestreefd voor bepaalde concrete eisen samen te werken. En dat is in de jaren dertig veelvuldig, en met succes, gebeurd.

NAS en OVB

In juli 1940 besloot de bezetter het NAS te ontbinden. De liquidatie geschiedde via de NVV-organen die onder leiding stonden van de NSB'er H.J. Woudenberg. Na de bezetting keerde het NAS niet meer terug. Wel speelden oud-leden een rol in de nog tijdens de bezetting gevormde Eenheidsvakcentrale (EVC). Deze stond onder de dominante invloed van communisten. Het in 1948 opgerichte Onafhankelijk Verbond van Bedrijfsorganisaties (OVB) wist zich daaraan te ontworstelen. In die vakbond was nog iets van de sfeer en de strijdbare geest van het NAS te herkennen.
Alleen daar waar OVB-organisaties sterk waren, zoals in de Rotterdamse haven en onder de Scheveningse vissers, was er van invloed sprake. De betekenis van het OVB lag voor een groot deel in de idee van bedrijfsorganisatie, de nadruk op samenwerking van arbeiders op de werkvloer en kritiek op ontwikkelingen in maatschappij en vakbeweging.
Bij het ontwerpen van De Nieuwe Vakbeweging (NV) zou het niet misstaan het bewuste streven van NAS en OVB "de arbeid te bevrijden", dat wil zeggen te onttrekken aan de dominante invloed van het management, over te nemen. Alleen op die manier kan de arbeider op de werkvloer zijn waardigheid herkrijgen. Dat is een grote opgave, maar geen onmogelijke. 18 Feit blijft dat NAS en OVB als kritische socialistische onderstroom van de vakbeweging in Nederland, als opjutter met een eigen programma, in de praktijk een niet te miskennen betekenis hebben gehad.


1 In 1894 werd de SDB door de Hoge Raad tot "verboden vereeniging" verklaard. Na dit vonnis werd de Socialistenbond opgericht die tot 1900 heeft bestaan; een deel is toen in de SDAP opgelost. (terug)
2 Jacques Giele, Arbeidersleven in Nederland 1850-1914, Sunschrift 133, SUN Nijmegen 1979, p. 31. (terug)
3 B. Lansink Jr., Een kwart eeuw. 1893-1918, in: Gedenkboek uitgegeven door het Nationaal Arbeids-Secretariaat ter gelegenheid van zijn 25-jarig bestaan, Amsterdam, 27 augustus 1918, p. 1-14. (terug)
4 E. Bouwman, Arbeiders strijdt mee in het NAS. Beginselen en taktiek der vakbeweging, Uitgave NAS, Amsterdam 1930, p. 7-9; Johan Frieswijk, Rüters spoorwegstakingen nabeschouwd. Kanttekeningen en vraagtekens, in: Socialisme en vakbeweging 2. Jaarboek voor de geschiedenis van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland, SUN, Nijmegen 1979, p. 309; Salvador Bloemgarten, Henri Polak sociaal democraat, Sdu Uitgeverij, 's-Gravenhage 1993. (terug)
5 Geschiedenis van de Nederlandse Arbeidersbeweging in hoofdlijnen. Ontwerp, SUN-werkuitgave, 1971, p. 37. (terug)
6 Johan Frieswijk, Rüters spoorwegstakingen nabeschouwd, p. 311-314; Marten Buschman, De scheurcirculaire. Diskussies over strategie en richting binnen de Nederlandse vakbeweging (1901-1905), in: Socialisme en vakbeweging 2. Jaarboek voor de geschiedenis van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland, SUN, Nijmegen 1979, p. 167-173; Marten Buschman, Tussen Revolutie en Modernisme. Geschiedenis van het Nationaal Arbeids-Secretariaat 1893-1907, Uitgeverij Amrit, Den Haag 1993, p. 84-92. (terug)
7 H. Kolthek, Van Eenheid en Strijd. Populaire beschouwingen over klassenstrijd en kapitalisme, Uitgave NAS, Amsterdam 1910, p. 6. (terug)
8 H. Kolthek, Over ons congres, in: De Arbeid, Orgaan van het Nationaal Arbeids-Secretariaat, 16 april 1910 en H. Kolthek, Daar is wel wat van waar, in: De Arbeid, 18 september 1912. (terug)
9 Marten Buschman en Dick de Winter, Syndicalisme in Nederland: to syn or not to syn. Het syndicalismedebat, in: Ger Harmsen en Bob Reinalda (red.), Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging, nr. 34, juni 1994, p. 29-31. (terug)
10 Th. A. J. M. Jonkergouw, Vakbondsleiders in Nederland. Van vijand en indringer tot bondgenoot en steunpilaar, Hilversum 1982, p. 57-84; Ger Harmsen en Bob Reinalda, Voor de bevrijding van de arbeid. Beknopte geschiedenis van de Nederlandse vakbeweging, SUN, Nijmegen 1975, p. 94-96. (terug)
11 H. Kolthek, Over ons congres, in: De Arbeid, 5e jrg., no. 16, 16 april 1910. (terug)
12 Dick de Winter, Afscheid van het proletariaat? Bouwvakkers als calculerende burgers, in: Tiende Jaarboek anarchisme, Stichting De AS, 31ste jrg., De AS nr. 142, Moerkapelle 2003, p. 18-20. (terug)
13 Johan Frieswijk, Rüters spoorwegstakingen nabeschouwd, p. 308; H. Kolthek, De Bouwvak-federatie, in: De Arbeid, 17 april 1912; H. Kolthek, Direkte-actie, in: De Arbeid, 5e jrg., no. 46, 12 november 1910; zie ook: H. Sneevliet, 25 jaar NVV, Uitgave van het NAS, Amsterdam 1931. (terug)
14 E. Bouwman, Economische en politieke actie, in: De Nieuwe Weg, jrg. 4, 1929, p. 146-147. (terug)
15 Jan Erik Burger, Linkse frontvorming. Samenwerking van revolutionaire socialisten 1914-1918, Van Gennep, Amsterdam 1983, p. 107-110. (terug)
16 Ron Blom, De oude Socialistische Partij van Harm Kolthek. Ontstaan, opkomst en ondergang van een 'libertair-socialistische' partij (1918-1928), Eburon, Delft 2007.(terug)
17 E. Bouwman en H. Sneevliet, Tegen machtswaan en misleiding! De Staking in het Transportbedrijf (14 Februari-26 April 1920), Uitgave van de Ned. Federatie van Transportarbeiders, Rotterdam 1920, p. 35. (terug)
18 Hans Boot, Mentale kolonisatie door het management, in: Kritiek 2012,Tijdschrift voor socialistische discussie en analyse. De actuele utopie, 110-112. (terug)