welkom
extra
Solidariteit

Onevenwichtige handel leidt tot schulden

Kern tegen periferie in Europese Unie

Éric Toussaint1

Meedoen met de Europese Unie was behoorlijk populair bij de bevolking van de omringende landen in de jaren 1980 tot 2004. Portugese, Griekse en Spaanse burgers zagen de EU als een garantie voor democratische stabiliteit na een periode van dictatuur. 2 Daarnaast werd de unie gezien als bron van welvaart, de eerste jaren na de aansluiting kende een significante geldstroom van de rijke landen naar de nieuwe leden rond de Middellandse Zee. 3

In het eerste decennium van deze eeuw was deelname aan de EU ook populair vanwege de stijging van de koopkracht, hoewel de financiering op krediet plaatsvond. De aansluiting van de voormalige Oostblok landen was vergelijkbaar met de zuidelijke: een garantie voor politieke stabiliteit, mogelijkheden om te reizen, elders een beter betaalde baan te vinden en geld te lenen. Al snel nam de geldstroom echter af en sommige productiesectoren, zoals de landbouw, krompen snel vanwege de concurrentie met de verder geïndustrialiseerde West-Europese agribusiness.
Het omslagpunt in de populariteit van de EU was 2008-2010. Dankzij de Europese Commissie, die de ene na de andere neoliberale maatregel nam om de "vrije en onvervalste concurrentie" te waarborgen, dankzij de euro-crisis en de economische crisis nam de kritiek in brede lagen van de bevolking toe.

Aangeschoten euro, uit Lunapark 6, 2009

Rem op integratie

Op wereldschaal bestaat een hiërarchische verhouding tussen de 'kern' (de triade Verenigde Staten, EU en Japan) en de 'periferie', de zogenaamde ontwikkelingslanden. Op Europese schaal is een soortgelijke verhouding te vinden. De kern bestaat uit de machtigste landen: Frankrijk, Duitsland, Engeland, Italië en de Benelux. De periferie moet buigen voor de beslissingen van de kern en bestaat uit landen in het zuiden en het oosten van de EU en niet te vergeten Ierland in het westen. Kijken we alleen naar de zestien eurolanden, dan is de periferie Portugal, Ierland, Griekenland en Spanje. 4 De afkorting PIGS geeft aanleiding tot voor de hand liggende racistische woordspelingen.

De EU weigert een beleid te ontwikkelen om de economische verschillen tussen de kernlanden en de periferie recht te trekken. Die structurele verschillen belemmeren het verdere integratieproces in de unie.

De afgelopen tien jaar heeft Duitsland (Nederland en Oostenrijk trouwens ook) een neo-mercantilistisch beleid ontwikkeld: de vergroting van de export binnen de EU door de lonen te verlagen. In september 2010 had Duitsland 7,3 miljoen deeltijdwerknemers met een maandsalaris onder 400 euro.5 Op die manier is haar concurrentievermogen in verhouding tot de handelspartners duidelijk gestegen. Dat geldt in het bijzonder voor landen als Griekenland, Spanje, Portugal, maar ook voor niet- eurolanden als Roemenië, Bulgarije en Hongarije. Die landen hebben stijgende tekorten in de handelsbalans ten opzichte van Duitland en andere landen van de kern. Het handelsoverschot van de kernlanden gaat ten koste van de periferie.

Private sector neemt

Financiële tekorten - zowel private als van de overheid - dienen te worden gecompenseerd met externe middelen: buitenlandse investeringen of schulden (bijvoorbeeld leningen). Private tekorten blijken de oorzaak van het huidige balanstekort. Behalve in Spanje waren de buitenlandse investeringen gering en boden dus weinig compensatie. Banken uit de kern compenseerden door leningen te verstrekken en multinationals uit de kern veroorzaakten kapitaalexport - wat ook compenseert - door winst nemen. In sommige Oost-Europese landen zoals Hongarije, Slowakije en Tsjechië is deze winstexport belangrijker dan de buitenlandse investeringen.6

We kunnen dus stellen dat de schulden van de landen in de periferie voornamelijk zijn veroorzaakt door de private sector in de EU. Het onvermogen om te concurreren met de kern leidde tot schulden van ondernemingen uit de periferie bij banken in de kern. Hierbij speelt de financiële sector in de periferie, sterk gegroeid sinds de toetreding tot de eurozone, een belangrijke rol. In deze landen groeide de consumptie explosief en in sommige (Spanje, Ierland, Hongarije, Roemenië, Bulgarije) barstte uiteindelijk de onroerendgoedzeepbel.

Schuld en winst

Ondertussen stijgt de rente op de leningen van landen uit de periferie hand over hand. De renteverhoging leidt tot een verdere verzwakking van deze landen en tot winst in de kernlanden. Die winst is voor private financiële instellingen en voor overheden in de kern met "hulpplannen" die bestaan uit leningen tegen 5,2 procent rente, zoals dat voor Griekenland het geval was. Duitsland, Frankrijk en Oostenrijk lenen zelf tegen 2 procent rente en verstrekken leningen tegen 5,2 procent.
De financiële markten eisen dubbele of drievoudige rente vergeleken met 2007-2008, de geleende bedragen zijn indrukwekkend. Het aan Griekenland, Ierland en Portugal geleende geld keert terug bij de banken in de kern met een rente boven de 10 procent. Een regelrechte stroom van middelen van de periferie naar de kern.

Daarnaast bestaat er een groot verschil in productiviteit tussen Duitsland en landen in de periferie. Volgens Marx leidt een verschil in ontwikkeling van productiemiddelen ook tot onevenwichtige internationale handel: "Kapitaal geïnvesteerd in buitenlandse handel kan een hogere winstvoet voortbrengen, omdat het concurreert met waren die geproduceerd zijn met minder ontwikkelde productiefaciliteiten, zodat het meer gevorderde land zijn goederen verkoopt boven hun waarde, hoewel altijd nog goedkoper dan hun concurrenten.
In zoverre de arbeid van het meer gevorderde land hier is gevaloriseerd (waarde is gevormd) als arbeid van een hoger specifiek gewicht, stijgt de winstvoet, omdat arbeid die niet betaald is als kwalitatief hoger, evengoed als zodanig verkocht is. Dezelfde relatie kan gelden voor het land waarnaar goederen geëxporteerd worden en waarvan goederen worden geïmporteerd. Dat wil zeggen zo'n land geeft meer gematerialiseerde arbeid dan het ontvangt, hoewel het toch de goederen in kwestie goedkoper ontvangt dan ze zelf zou kunnen produceren."
7

Een ander, solidair Europa

We moeten af van verschillende regels in Europese verdragen die over de EU, de Europese Centrale Bank (ECB) en de eurozone gaan. Zo verbieden artikelen 63 en 125 van het Verdrag van Lissabon kapitaaltransport en steun aan landen in problemen. We moeten ook af van het Stabiliteits- en Groeipact. Een democratisch wetgevend proces vormt regels voor solidariteit tussen volken en houdt rekening met werkgelegenheid en milieu.
Het monetaire beleid is aan herziening toe, evenals de status van de ECB. De onmacht van de politiek om de ECB te dwingen meer geld in omloop te brengen, is een ernstige handicap. De EU heeft een grote fout gemaakt door de ECB boven de regeringen en dus boven iedere democratische controle te stellen. Nu zijn we ondergeschikt aan het geld en niet omgekeerd.

Een Europa gebaseerd op solidariteit en samenwerking moet af van de concurrentie die alle voorzieningen afbreekt. De neoliberale logica heeft de crisis veroorzaakt en alle sociale indicatoren staan in het rood: minder sociale bescherming, minder banen, minder openbare diensten. De minderheid die van crisis profiteert, doet dat door rechten van anderen in te perken. De schuldigen worden beloond en slachtoffers gestraft.
Een democratisch Europa, gebaseerd op eerlijke sociale en fiscale principes, maakt keuzes die de levenstandaard verbeteren, vermindert de uitgaven voor defensie, verlaat de NAVO en kiest voor duurzame energie. Bovendien moet het afgelopen zijn met "Fort Europa". Europa moet een betrouwbare en werkelijk solidaire partner worden voor de bevolking van de zuidelijke landen.


1 Voorzitter van Committee for the Cancellation of the Third World Debt (CADTM) België. Vertaling uit het Frans Christine Pagnoulle, Nederlandse bewerking Jan Taat. Oorspronkelijke tekst: www.cadtm.org/Core-vs-Periphery-in-the-EU. (terug)
2 Salazars en Caetano's regimes in Portugal (1933-1974), Franco's dictatuur in Spanje (1939-1975), de militaire junta in Griekenland (1967-1974). (terug)
3 Meedoen met de EU was duidelijk minder populair bij rijke noordelijke landen zoals Engeland en Scandinavië. (terug)
4 In 1999 waren de elf eurolanden: België, Duitsland, Finland, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Spanje. Griekenland volgde in 2001, Slovenië in 2007, Cyprus en Malta in 2008, Slowakije in 2009 en Estland in 2011. (terug)
5 Frédéric Lemaître in Le Monde, 17 May 2011. (terug)
6 Ozlem Onaran, "Fiscal Crisis in Europe or a Crisis of Distribution?", Department of Economics, SOAS Discussion Paper n°18, 2010. (terug)
7 Karl Marx, Capital Book III, part III (The law of the tendential fall in the rate of profit) Chapter 14 (counteracting Factors) paragraph 5 Foreign Trade. Vertaling Sjarrel Massop. (terug)