welkom
boeken
inhoud

Een vleugje paradijs. Onder dat motto probeert de regering van Sri Lanka het land onder de aandacht te brengen van toeristen en investeerders. Vooral van investeerders. Investeren in Sri Lanka biedt ongekende winstmogelijkheden en als dat gebeurt in een zogenaamde Export Processing Zone (EPZ), is 100 procent belastingvrijstelling mogelijk.

Steven van Slageren

Vakbondsvrije zones in Azië

Een waar paradijs dus. Voor de investeerders dan, want of het allemaal zo prachtig is voor de mensen die in de bedrijven moeten werken, is nog maar de vraag. Of het moet zijn zoals die ene fïlipino tegen de ander zei: ďWe zijn net Adam en Eva. Slecht gevoed, geen dak boven ons hoofd en geen kleren aan ons lijf. En onze leider zegt dat we in het paradijs leven.Ē Die leider was op dat moment de inmiddels verdreven diktator Marcos. Dat neemt niet weg dat ze ook op de Filipijnen maar al te goed weten wat EPZís en vrijhandelszones zijn.

Groeiend aantal zones (EPZís)

De termen vrijhandelszones, EPZís, Special Economie Zones of hoe ze ook genoemd worden, worden meestal door elkaar gebruikt. Toch is er een belangrijk verschil aan te geven. Vrijhandelszones zijn in de eerste plaats terreinen waar gehandeld wordt, een douanevrije enklave, bedoeld als tussenstation in de internationale handel. In een EPZ wordt veel meer gedaan dan alleen gehandeld, daar worden daadwerkelijk produkten gefabriceerd of minimaal geassembleerd. Wij zullen het hier vooral over EPZís hebben.

Hoewel EPZís vooral met Derdewereldlanden geassocieerd worden, lag de eerste zone in Europa. Al in 1958 werd in Ierland de Shannon International Free Port gestart, zeven jaar voordat de eerste zone in een Derde Wereldland (Taiwan) het daglicht zag.

Dat bij EPZís vooral aan Derdewereldlanden gedacht wordt, is overigens niet zo vreemd, want de groei van het aantal zones vond vervolgens wel in de Derde Wereld plaats. In 1966 waren er naast de Kaohsiung Zone in Taiwan, ook zones in Hongkong, Zuid-Korea en Mexico. In het midden van de jaren zeventig beschikten tientallen landen over zones en waren er nog eens tientallen in aanbouw. Blijkbaar verwachtten die landen het nodige heil van deze zones. In de westerse landen bestaat wel een groot aantal vrijhandelszones en vrijhavens, maar EPZís blijven vooralsnog zeer schaars. Dat het om een aanzienlijke hoeveelheid gaat, blijkt wel uit de cijfers in de tabellen 1 en 2.

Tabel 1:
Vrijhandelszones en vrijhavens in westerse landen, 1988
Verenigde Staten140vrijhandelszones
Europa48vrijhandelszones
43vrijhavens
24zogenaamde ífree depotsí
Bron: W. Diamond & D. Diamond, 1988

Tabel 2:
EPZís in ontwikkelingslanden, 1986.
Afrika25EPZís in werking
63EPZís in aanbouw
6EPZís gepland
Azië en Pacific95EPZís in werking
14EPZís in aanbouw
10EPZís gepland
Latijns-Amerika en Caraïben56EPZís in werking
9EPZís in aanbouw
8EPZís gepland
Totaal176EPZís in werking
86EPZís in aanbouw
24EPZís gepland
Bron: Starnberg Institute Data Bank.

Export Processing Zones

Wat is zoín EPZ nu precies?

De United Industrial Development Organisation (UNIDO) deed in 1971 een poging deze zones te omschrijven. In een rapport stelde de UNIDO dat EPZís meestal omheinde en bewaakte gebieden zijn, waarvoor een aantal bijzondere regels geldt. In het algemeen zijn deze regels:

  1. Er is geen invoer- of uitvoerbelasting verschuldigd voor grondstoffen, machines of andere zaken die nodig zijn voor de produktie. De eis daarbij is wel, dat de produktie voor 100 procent (soms 80 procent) bestemd is voor de uitvoer.
  2. Investeerders zijn vrijgesteld van inkomstenbelasting en winstbelasting voor een periode die meestal tussen de vijf en tien jaar ligt. Deze termijn kan variëren, afhankelijk van de omvang van de investering, het soort produkt en de plaats van vestiging.
  3. Eenzelfde belastingvrijstelling geldt ook voor andere direkte en indirekte belastingen.
  4. Er is geen kontrole op de kapitaalstroom: winsten kunnen vrijelijk het land uitgevoerd worden.
  5. Het gastland, dat de vrijhandelszone heeft opgezet, verzorgt de infrastruktuur, de benodigde investeringskredieten, enzovoort.

In ruil voor al deze kadootjes voor de (buitenlandse) investeerders die zich in de zones vestigen, krijgt het gastland ook iets. Althans, dat hoopt het. De belangrijkste voordelen voor het gastland zijn: werkgelegenheid, deviezen en technologie. De belangrijkste vraag hierbij is natuurlijk: wordt er door de zones aan deze verwachtingen beantwoord?

Beperkte opbrengsten gastland

We zullen hier vooral nagaan hoe het zit met de EPZís in Azië. Als eerste kijken we naar de werkgelegenheid. De schattingen over hoeveel mensen er in EPZís werken, lopen nogal uiteen. Een aantal van ongeveer één miljoen mensen, voornamelijk vrouwen, lijkt echter een aardig gemiddelde van deze schattingen.

Nu lijkt één miljoen banen erg veel, maar vergeet niet dat deze banen over een groot aantal landen verdeeld zijn. Op enkele uitzonderingen na is de bijdrage van de zones aan de officiële arbeidsmarkt beperkt. De grens van 1 procent van de totale arbeidsmarkt wordt zelden bereikt. Uitzonderingen hierop zijn stadstaten als Hongkong en Singapore, waar dit percentage veel hoger ligt. In tabel 3 zijn gegevens opgenomen over de werkgelegenheid in de zones in een aantal aziatiese landen.

Tabel 3:
Werkgelegenheid in EPZís in een aantal aziatiese landen, het aantal zones en het oprichtingsjaar van de eerste zone in een land. De gegevens zijn van rond 1980.
LandPersoneelAantal zonesAanvangsjaar
Zuid-Korea120.000 91966
Singapore105.000 141967
Maleisië80.000 101972
Hongkong70.000*91965
Taiwan60.000 31966
Sri Lanka22.000 11978
Filipijnen20.000*51973
India5.000 61965
China?   41979
*: minimaal
Bron: Archief en onderzoek SOBE.

Zoals gezegd, er is wel een bepaald aantal banen in de zones, maar ten opzichte van het hele gastland is dit aantal over het algemeen beperkt.

Een tweede belangrijk doel van de zones was het binnenhalen van deviezen door een verhoogde export. De export industrieën in de meeste Derdewereldlanden zijn daar bijna zonder uitzondering neergezet vanwege de lage lonen in deze landen. Deze exportbedrijven blijken in de praktijk ook altijd grote importbedrijven te zijn. In de zones wordt meestal weinig waarde toegevoegd. Het grootste gedeelte van de werkzaamheden bestaat uit het assembleren (in elkaar zetten) van onderdelen. Deze onderdelen worden van elders geïmporteerd. Van het produkt dat geëxporteerd wordt, bestaat de waarde dan ook meestal voor minstens 80 procent uit de waarde van geïmporteerde onderdelen. Voor die importen zijn deviezen nodig, zodat de netto opbrengst maar beperkt is. Zeker als je weet, dat de resterende 20 procent van de waarde van het geëxporteerde produkt weer voor een groot gedeelte ingekocht wordt bij andere bedrijven in de zone. Het betreft dan ook weer geïmporteerde onderdelen. Hieruit zijn twee konklusies te trekken. Ten eerste zijn de zones over het algemeen enklaves, eilandjes, binnen het gastland met weinig kontakten met de lokale ekonomie. Ten tweede, de uiteindelijke opbrengsten voor het gastland zijn beperkt.

Foto arbeidster in klerenfabiek in Azië  

Bedroevende overdracht van technologie

Tegenover de exporten staan grote importen. De gemaakte winsten zijn belastingvrij, daar heeft het gastland dus ook geen inkomsten van. Bovendien is het gastland verantwoordelijk voor de infrastruktuur (wegen, elektriciteit, en dergelijke) en dat kost geld.

Zo bedroegen de bouwkosten van de misschien wel beroemdste zone in de wereld, de Bataan Export Processing Zone op de Filipijnen, rond de 190 miljoen dollar. De geschatte opbrengst van de export tussen 1973, de start van de zone, en 1982 bedroeg 82 miljoen dollar.

Een andere bekende zone, de Shenzhen Special Economie Zone in het chinese grensgebied met Hongkong, kostte zelfs rond de één miljard dollar. Doel was om 60 procent van de produktie in de zone te exporteren. De werkelijke export is slechts 20 procent van de produktie, zodat de chinezen een grote verliesgever in huis gehaald hebben.

Geen of nauwelijks deviezen-opbrengsten. Hoe zit het dan met de overdracht van technologie, de derde doelstelling? Bedroevend. Eerder is al gezegd dat de zones funktioneren als eilandjes binnen het gastland. Kontakten met plaatselijke bedrijven zijn er nauwelijks, laat staan dat er van overdracht van technologie sprake is.

Welke technologie overigens? Het merendeel van de werkzaamheden bestaat uit eenvoudig assemblagewerk, waar weinig kennis of ingewikkelde machines voor nodig zijn. Het stukje paradijs in Sri Lanka, om die vergelijking maar aan te houden, werd speciaal opgezet om elektronikabedrijven binnen te halen. Inmiddels bestaat de zone acht jaar en is ze voor 90 procent gevuld met textielbedrijven van technologies uitermate laag nivo.

Niet alleen Sri Lanka gaat op dit punt de mist in. De zones in China, die overigens voor een groot deel leeg staan, zijn niet gevuld met exporterende komputerbedrijven afkomstig uit Japan of de Verenigde Staten. Wel met bedrijven uit Singapore en Hongkong die zakrekenmachientjes, speelgoed en andere eenvoudige spullen maken voor de chinese markt.

Nauwelijks vakbonden

Tegenover de vermeende voordelen van de zones, staan ook de nodige nadelen. Nadelen die vooral voor de arbeiders ingrijpende gevolgen hebben.

Regeringen die EPZís ingericht hebben, lopen niet alleen te koop met de belastingvoordelen en lage lonen, maar ook met een overvloed van dociel personeel en de afwezigheid van vakbonden. Er ging dan ook een rilling door de geledingen van de multinationals toen de maleisiese regering de Electrical Industry Workers Union (EIWU) midden 1983 toestond om het personeel van ITT Transelectronics te organiseren. De inmiddels aan Sony verkochte fabriek staat in de EPZ op het eiland Penang. Een aantal multinationals dreigde vervolgens zich uit Maleisië terug te trekken. Slechts het in Maleisië bestaande subtiele verschil tussen de elektriese en elektroniese sektor deed de storm enigszins luwen. De EIWU mag door dit verschil alleen mensen in de elektriese sektor organiseren en de ITT-vestiging werd daartoe gerekend door de assemblage van audio- en video-eindprodukten. De produktie van onderdelen (zoals in de vele chipfabrieken in Penang gebeurt) wordt tot de elektroniese sektor gerekend.

Dit voorbeeld is illustratief voor de vakbondssituatie in de EPZís. Vakbonden wordt het leven zo goed als onmogelijk gemaakt; ze hebben dus nauwelijks aanhang binnen deze zones of zijn eenvoudigweg verboden. Daarnaast gaat een groot aantal vakbonden volledig mee in de ímultinational vriendelijkeí opstelling van de betreffende regering. Zo ging de nauw aan de Singaporese overheid verbonden vakbondsfederatie NTUC akkoord met de oprichting van íin houseí bonden naar japans model. Hiervoor wordt de eigen vakbondsstruktuur afgebroken ten gunste van kleine bedrijfsbondjes om een zo íoptimaal mogelijke samenwerking tussen personeel en management mogelijk te makení.

Ironies genoeg werd de NTUC in de jaren zestig door de huidige premier Lee juist opgezet om de invloed van kleine radikale bondjes te breken.

Arbeidswetten ontdoken

Het enige land in Azië waar vakbonden expliciete rechten kregen bij hun werk in de EPZís, is de Volksrepubliek China. In 1985 kregen de vakbonden in de zes jaar bestaande Shenzhen Special Economic Zone het recht om het personeel van alle joint ventures te organiseren. Bovendien mochten vakbondsvertegenwoordigers direktievergaderingen bijwonen als het ging om zaken als loonhoogte, toeslagen en veiligheid. Op dat moment waren er in Shenzhen 24 konflikten geweest, die allemaal zonder akties opgelost waren. Het betrof hier konflikten als een voorstel van een speelgoedfabrikant uit Hongkong om per dag vier uur overwerk mogelijk te maken en de weigering van een japanse fabrikant om vrijaf te geven voor de viering van het chinese nieuwjaar. In dit laatste geval kwam het zelfs bijna tot een staking.

De speciaal voor Shenzhen gemaakte vakbondswetten vielen echter niet goed bij de buitenlandse direkties. Slechts enkele van de buitenlandse bedrijven en lang niet alle joint ventures bleken zich te houden aan de bepaling dat in alle bedrijven met meer dan 25 personeelsleden een vakbond verplicht is. En de weigering om 2 procent van de maandelijkse loonkosten in het vakbondsfonds te storten, bracht veel vakbonden aan de rand van het faillissement. En dat terwijl de vakbonden, volgens de plaatselijke vakbondssekretaris ďde werkers verenigen om bij te dragen aan het goed funktioneren van het bedrijf. Dit in tegenstelling tot westerse vakbonden die er op uit zijn overwinningen te behalen op hun baasĒ.

Een omgekeerde situatie bestaat in de Bataan EPZ op de Filipijnen. Deze zone werd in werkgeverskringen berucht door de grote arbeidsonrust die er bestond. Door ízone wijdeí stakingen werden aanzienlijke verbeteringen afgedwongen. Er is dan ook weinig terechtgekomen van de uitvoering van arbeidswetten waarin stakingen in de zones verboden werden. Deze wetten waren ingediend door Marcosí minister Cayetano. Een groot aantal van deze wetten bestaat overigens nog steeds en vakbonden klagen dat de regering Aquino deze zelfs strakker uitvoert dan Marcos.

Een laatste voorbeeld betreft Sri Lanka. Op dit eiland mogen vrij vakbonden opgericht worden binnen de zones. Maar ... werkgevers kunnen deze bonden wel of niet erkennen. En registratie bij de overheid is alleen mogelijk als de betreffende bond door de werkgever erkend is. Er bestaan dan ook geen vakbonden binnen de EPZ.

Met handen en voeten gebonden

De konklusie kan getrokken worden dat de vakbondssituatie binnen de EPZís slecht tot zeer slecht is. In de meeste gevallen zijn de bonden binnen de zones zogenaamde ígeleí bonden, gebonden aan de regering of aan de bedrijfsdirektie. De arbeidswetgeving in vrijwel alle landen maakt deze situatie ook juridies mogelijk. Het bestaan van EPZís betekent voor het personeel dus behoorlijk inleveren. Als de zones vervolgens ook ver van de verwachte ekonomiese voordelen verwijderd blijven, lijkt het vreemd dat zoveel landen ze toch in stand houden.

Toch is dat minder vreemd dan het lijkt. De zones hebben wel degelijk voordelen, al liggen die meer op het politieke vlak. Het handhaven van de vrijhandelszones is een uiting van de ímultinational vriendelijkeí opstelling van het betreffende land. En een dergelijke opstelling kan onder andere politieke en ekonomiese steun van de grote westerse landen betekenen. Daarnaast kunnen de meeste ontwikkelingslanden zich simpelweg niet veroorloven om hun op de export gericht ekonomies beleid te verlaten. De meeste van deze landen zijn met handen en voeten gebonden aan IMF, Wereldbank en andere kredietverschaffers, die allemaal zweren bij de gunstige invloed van multinationals en de zegenende werking van export industrieën. Bovendien houden de ontwikkelingslanden ook elkaar in een beklemmende omhelzing. In de jacht op export industrieën overtroeft het ene land het andere met nog gunstiger voorwaarden voor de multinationals. Een land dat daarmee ophoudt, is snel het grootste gedeelte van zijn buitenlandse investeerders kwijt en heeft dan helemaal niets.

SOBE, Stichting Onderzoek Bedrijfstak Elektrotechniek, heeft eind 1988 een brochure uitgebracht over Export Processing Zones, arbeidsomstandigheden en vakbonden.