welkom
boeken
inhoud

In 1945 was 35,5 procent van de arbeiders in de Verenigde Staten georganiseerd. In 1985 nog maar 19 procent. De terugval was in het partikuliere bedrijf nog groter, van meer dan 40 naar 15 procent. Deze teruggang vond vooral plaats na 1960, met een versnelling na 1975.
De ekonomiese groei van de jaren vijftig en zestig heeft de vakbeweging dus niet versterkt, terwijl de krisis de organisatiegraad verder heeft aangetast. De manier waarop de amerikaanse vakbeweging is georganiseerd, blijkt nu op meerdere vlakken slecht uit te werken.

Jeroen Zonneveld

Adviesburoos als union busters

Kort gezegd gaat het om vakorganisatie per bedrijf; een CAO geldt alleen daar, waar de vakbeweging erkenning door de ondernemer heeft kunnen afdwingen. In de CAO zijn bovendien talloze zaken geregeld die in Europa meestal onder de landelijke sociale wetgeving vallen. Wel of geen ’union’-kontrakt maakt dus veel uit; een loon vanaf 10,00 dollar per uur of van 3,35 dollar per uur, het al jaren bevroren wettelijke minimum. Maar ook ziektekostenverzekering, kontrole op de arbeidsomstandigheden, bijdragen in studiekosten en werkloosheidsuitkeringen kunnen deel uitmaken van een CAO.

Meer dan 80 procent van de amerikaanse werknemers heeft die bescherming dus niet. Minder dan de helft daarvan wordt toch wel goed betaald, al hebben ook de yuppies van Wall Street na oktober 1987 gemerkt dat een ton aan dollars nog geen ontslagbescherming geeft. Maar de anderen zijn er slechter aan toe: deeltijdwerk, tijdelijke kontrakten, willekeur, geen ziektekostenverzekering, lonen op of net boven het minimum.

Taft-Hartley wet

Deze situatie is gek genoeg voor een deel een produkt van grote suksessen. Vóór 1930 waren de arbeiders in de Verenigde Staten in de grootindustrie er beroerd aan toe. Lage lonen, lange werktijden, geen bescherming. In de jaren tussen 1934 en 1940 is dat veranderd. Op massale schaal dwongen nieuwe vakbonden verbeteringen af. Miljoenen organiseerden zich. Maar ze slaagden er niet in zich ook een politieke spreekbuis te verschaffen. Wettelijke regelingen bleven beperkt, grote groepen arbeiders bleven in een slechte positie verkeren. Wel ontstond een systeem waarin een vakbond een beroep kan doen op de wet. Via verkiezingen onder overheidskontrole kunnen arbeiders zich uitspreken voor of tegen erkenning van een vakbond. In de jaren dertig en veertig werkte dat in het voordeel van de werkers. Bijna overal moesten de industriëlen vakbonden erkennen. In 1948 veranderde het klimaat. De Taft-Hartley wet maakte het mogelijk vakbonden hun erkenning te ontnemen.

Onderhandelen over inleveren

De positie van de vakbeweging bleek in de jaren vijftig en zestig meer zwakke plekken te kennen. Bij de opkomst van nieuwe bedrijfstakken en ondernemingen (bijvoorbeeld IBM) ontstonden hele sektoren waar de vakbond geen poot aan de grond had. Hetzelfde gold als bedrijven zich vestigden in staten waar de bonden zwak waren. Verder heeft een deel van de ondernemers het hele systeem nooit aanvaard. Vanaf het begin van de jaren vijftig werd geprobeerd vakbonden hun erkenning te ontnemen. De Koude Oorlog sprak daarbij een woordje mee.

Zo werkt de arbeidswetgeving nadelig uit voor de arbeiders, juist daar waar de bonden zwak zijn. Sinds 1975 geldt dat dus bijna overal. Onder invloed van de krisis werden bedrijven gesloten of verplaatst. Het oude industriegebied in het noordoosten bloedde leeg; het hart van de vakbeweging werd geraakt. In het zuiden en westen werden nieuwe bedrijven geopend. Zonder vakbonden!

In de meeste vakbonden was de reaktie hierop slecht. De landelijke leidingen gingen vanaf 1979 over tot ’concessionary bargaining’, zeg maar, onderhandelen over inleveren. Hele stukken loon, sekundaire arbeidsvoorwaarden, pensioenrechten en rechtsbescherming werden ingeleverd. Zonder enige echte garantie voor de werkgelegenheid, dat spreekt.

Onderkruipers

Tegen deze achtergrond moet de opkomst gezien worden van openlijke union busting. De bestaande wetgeving kan door de ondernemers tegen de bond gebruikt worden.

Zo hebben ondernemers wettelijk het recht om in geval van staking met behulp van onderkruipers te zorgen voor een voortgang van de produktie. Om ergens in een bedrijf vakbondswerk van de grond te krijgen, moet eerst een moeizaam proces doorlopen worden. Degenen die het initiatief nemen een vakbond op hun bedrijf te starten, moeten eerst een petitie organiseren, waarin zo veel mogelijk arbeiders te kennen geven dat zij die vakbond op het bedrijf willen hebben. Op grond daarvan worden dan verkiezingen gehouden, waarbij de meerderheid van de mensen die in een bepaald bedrijf werken zich voor die vakbond moeten uitspreken. Pas dan is de ondernemer verplicht met die vakbond te onderhandelen. In die onderhandelingen wordt ook beslist of alle mensen in dienst van dat bedrijf tijdens de looptijd van het kontrakt lid moeten zijn van de bond.

Dit zogenaamde ’open shop’- of ’union shop’-systeem is voor de ondernemers ideaal om met alle mogelijke middelen te proberen de vakbond buiten de deur te houden. En mocht de vakbond er desondanks toch in geslaagd zijn een poot tussen de deur te krijgen, dan is er altijd na afloop van het kontrakt of bij nieuwe vakbondsverkiezingen weer een gelegenheid de bond er uit te werken.

De Taft-Hartley wet biedt een opening daarvoor. Als een staking plaatsvindt, mogen stakers en de van buiten aangetrokken onderkruipers stemmen. Na een jaar mogen alleen de onderkruipers stemmen, met een voorspelbaar resultaat.

Pressiegroepen anti-vakbond

Tot begin jaren zeventig werkten de union busters in het geniep, maar sinds een aantal jaren treden zij steeds meer in het openbaar op. Daarbij laten zij zich niet beperken door de vrijheid van organisatie, die in de amerikaanse grondwet vastligt, of door specifieke arbeidswetten.

Belangrijke pressiegroepen van ondernemers hebben een vooraanstaande rol gespeeld in de gekoördineerde kampagne om de publieke opinie te beïnvloeden. Daarbij spreken zij onder meer over het “handhaven van een vakbondsvrije omgeving”. De National Association of Manufacturers (NAM, het Nationaal Verbond van Fabrikanten), bijvoorbeeld, vormde in 1977 de Council for a Union-Free Environment (CUE, Raad voor een Vakbondsvrije Omgeving), met het doel een kampagne op te starten om de tegen de vakbond gerichte sentimenten op te zwepen en te dienen als een politieke lobby voor het legaliseren van anti-vakbondsaktiviteiten. Zelfs delen van de overheid als werkgever zijn betrokken geweest in georganiseerde aanvallen op de vakbonden in hun sektor. Tony Russo, hoofd van het Buro voor Arbeidsrelaties van New York, liet er geen twiifel over bestaan wat de inzet was van de kampagne: “Ik vroeg 470 miljoen dollars terug van de vakbonden en viel elke afzonderlijke verworvenheid aan, die zij ooit hadden weten te bereiken.

Cartoon Union-buster: verdelgt de bond - verhoogt 't rendement

Speciale adviseurs

Binnen de algemene atmosfeer van anti-vakbondsgevoelens, aangevuurd door de pressiegroepen en in grote mate ondersteund door de anti-vakbondspolitiek van de regering Reagan, is bet niet verwonderlijk dat union busting-adviesburoos sterk in opkomst zijn. De American Federation of Labor/Congress of Industrial Organisations (AFL/CIO, de amerikaanse vakbondsfederatie) schatte de omzet van deze buroos in 1983 op anderhalf miljard dollar. Bedrijfjes met namen als Modem Management Methods, Advanced Management Research en Executive Enterprises bieden de diensten aan van advokaten, psychologen, sociale wetenschappers, opinie-onderzoekers en andere specialisten. Zij kunnen de ondernemers helpen om vakbondsorganisaties in hun bedrijf te vernietigen of te helpen voorkomen. Bovendien bieden allerlei advokatenkantoren hun diensten aan voor het benutten van alle mazen in de arbeidswetgeving.

De AFL/CIO heeft ondertussen al bijna 1.000 advokaten ontdekt, die de ondernemers helpen om de erkenning van de vakbonden te ondermijnen.

Wetenschappelijke dekking

De meest populaire manier waarop de adviseurs hun waren proberen aan te prijzen, is via zogenaamde seminars die tienduizenden ondernemers per jaar bereiken. Om een zweem van wetenschappelijkheid te verkrijgen worden die seminars vaak op universiteiten georganiseerd onder allerlei verhullende titels als “Vakbondsorganisatie onder ambtenaren”. Er zijn ook universiteiten die open en bloot hun medewerking aan dergelijke seminars geven en daarvoor ook het budget van de universiteit ter beschikking stellen.

De taal die de adviseurs gebruiken, moet hun werkelijke aktiviteiten voor de buitenwereld onzichtbaar maken. Het zou gaan om “het handhaven van een vakbondsvrije situatie”, “vakbonden overbodig maken” en “vakbonden op een vriendelijke manier uitschakelen”. Arbeiders worden afgeschilderd als aardige “lomperds”, die je moet aanpakken via de methode van bestraffing en beloning. De praktijk van de union busting kan echter omschreven worden zoals Charles McDonald van de AFL/CIO het deed: “geraffineerd en gekontroleerd terrorisme”.

Systematiese kampagne

De eerste fase van een union busting-kampagne is erop gericht een algemene sfeer van angst en wantrouwen onder de arbeiders te zaaien om elk eventueel bestaand gevoel van solidariteit te vernietigen. Dan wordt de geloofwaardigheid van de vakbonden aangevallen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de vertoning van films, van individuele gesprekken en van schriftelijk materiaal. De vakbond wordt daarin beschuldigd van kommunistiese of kriminele infiltratie.

De adviseurs helpen het management ook bij het produceren en verspreiden van anti-vakbondsgeruchten. Leidinggevend personeel wordt een speciale houding aangeleerd. Zij moeten het gevoel krijgen dat het hun ’persoonlijke’ taak is om de vakbond kwijt te raken. Hun wordt ook duidelijk gemaakt dat, als zij niet in staat zijn dit werk te doen of het weigeren, hun baan op losse schroeven staat. Elke arbeider die tegen de vakbond is, wordt benaderd en daarna geleerd hoe vakbondsvergaderingen verstoord kunnen worden. Met behulp van deze mensen worden ook zogenaamde ’spontane’ anti-vakbondskomitees opgericht. Tenslotte worden vakbondsaktivisten onderworpen aan een onophoudelijke kampagne van pesterijen en pogingen hen te isoleren. Vaak worden zij ontslagen op grond van vooropgezette beschuldigingen.

Hoewel in Nederland nog weinig sprake schijnt te zijn van union busters, zijn zij sinds een aantal jaren wel aktief in Engeland. Daar zijn de ’arbeidsadviseurs’ met name geïntroduceerd door amerikaanse multinationals als ITT, IBM, American Express, Texas Instruments en een aantal banken.

Geraadpleegde literatuur:
Peer Coret - “Organiseren moet je leren”, een studie van ontwikkelingen in de amerikaanse vakbeweging; International Labour Reports, juli-augustus 1984 - “The Business of Union Busting”; verschillende nummers van het amerikaanse tijdschrift Labor Notes (Detroit, USA).