welkom
boeken
inhoud

Sinds 1985 woont NN een kleine plaats in Duitsland. Geboren in het toenmalige Nederlands-Indië heeft hij in vier periodes geleefd: de koloniale tijd, de Japanse tijd, de revolutie en het Suharto-regime. Door omstandigheden gedwongen, woont hij nu in het westen.
Hij wil wel praten over de tijd in Indonesië, maar wil daarbij anoniem blijven.

Voor de kolonialen waren wij de 'kelas kambing' (de geitenklas)

"Als ik m'n leven overzie, was voor mij de belangrijkste tijd die van de onafhankelijkheidsoorlog, direct na de Tweede Wereldoorlog. Ik was jong, en we waren toen vol hoop op een beter bestaan.
Toen in 1945 door Nederlandse regeerders gezegd werd dat wij samengewerkt hadden met de Japs, werd ik niet boos maar echt kwaad. Het is namelijk in strijd met de feiten. Want de Nederlands-Indische regering heeft ons nooit de kans gegeven om het Japanse fascisme te bestrijden. We kregen geen voorlichting, geen opleiding, geen wapens, we kregen niks. Antifascisten werden eerst door de Nederlanders en later door de Japanners gevangen gezet.

Ook toen Nederland al bezet was, was er geen begrip voor een voorstel van nationalistische kant een gezamenlijke strategie tegen de toen toch al bekende agressie van Japan te ontwikkelen, de krachten te bundelen, een front te vormen. De Gerindo, de Indonesische Volkspartij, heeft toen bijvoorbeeld voorgesteld een dienstplicht in te voeren voor alle inwoners van Nederlands-Indië. Het werd afgewezen. De burgerdienstplicht was er wel, maar daaraan mochten alleen Europeanen deelnemen.
Afgewezen werden ook de voorstellen van de GAPI, een federatie van acht grote partijen, die algemene verkiezingen wilde voor een ècht parlement. De Volksraad bestond namelijk bijna voor de helft uit Nederlanders, terwijl ook de voorzitter van Nederlandse komaf moest zijn. Sommige leden ervan waren wel, anderen weer niet verkozen. Het idee van de GAPI voor democratisering naar westers model werd gesteund door meer dan tweehonderd organisaties. Dat was toch een mooi gebaar, tenslotte waren we een gekolonialiseerd volk, maar ondanks dat waren wij bereid om nota bene met de overheers er samen te vechten.
Het werd afgeslagen door de kolonialen. Na 1945 zeiden de Nederlanders dus dat Sukarno met Japan geheuld had, landverrader was. Maar niet van zijn land. Daarbij, Sukarno zat tot de Japs kwamen op Sumatra geïnterneerd. Maar nog eind 1941 heeft de man een oproep gedaan waakzaam te zijn tegen mogelijke agressie van een totalitair land dat vanuit het noorden zou aanvallen. Hij waarschuwde dus tegen Japan...
In de maanden voor de Japanse inval werden trouwens al veel arrestaties verricht. Nationalisten werden opgepakt en naar kampen gezonden. Veel jongeren ook, de pemuda's. Daaronder waren vrienden van mij. Ik heb er later nog een paar gesproken. Ze hadden in een kamp op West-Java gezeten. Op een gegeven moment had de kampleiding besloten alle politieke gevangenen naar Australië te zenden, maar bombardementen op Cilacap hebben dat indertijd verhinderd.
Ook Sukarno werd in die periode overgeplaatst van Zuid-Sumatra naar Padang, omdat het vandaar uit gemakkelijker was hem over te brengen naar Australië. Dat is ook mislukt. Japanse jagers beschoten voortdurend de schepen in de Sumatraanse wateren. Het koloniale bestuur is er toen wel in geslaagd een aantal communisten, die op Boven Digul gevangen waren, te verschepen naar Australië. De hele groep is na 1945 teruggekomen.

Toen de Japanners binnenvielen, was ik net negentien. Nog geen week erna capituleerde het KNIL en de machtige Nederlands-Indische regering vluchtte naar Australië. We hadden daar wel een beetje leedvermaak over, maar tegelijkertijd zaten we in angst. We waren als inventaris in handen gevallen van een nieuwe overheerser.

In de koloniale tijd was de bevolking in groepen verdeeld.
Het eerst kwamen natuurlijk de Europeanen waar gek genoeg ook de Japanners bij hoorden. Dan kwamen de vreemde oosterlingen, Chinezen en Arabieren. En wij, de inlanders die de meerderheid vormden, stonden op de laagste trap van de maatschappelijke ladder. Wij waren, zoals we dat zelf noemden, de kelas kambing, de geitenklas. We hadden niks te vertellen.

M'n vader was in dienst van het gouvernement. Voor een inlander had hij een bevoorrechte positie. Daarom konden wij, m'n oudere broer en ik, doorleren. Goed onderwijs was alleen weggelegd voor de kinderen wier ouders zich door afkomst, baan, opleiding of geld onderscheidden van de meerderheid van het volk. Thuis spraken we Javaans en een beetje Nederlands. Onze moeder vertelde in het Javaans verhalen over vorsten en helden. Over Dipo Negoro bijvoorbeeld, de zoon van de sultan van Yogyakarta die in 1825 in de Java-oorlog vocht tegen het Oostindische leger van de Nederlanders. Hij werd verbannen naar Celebes, het tegenwoordige Sulawesi.
Op school kregen we ook geschiedenisles. Over Nederland, de wereld en natuurlijk ook over ons land. Maar daarvan moesten we onthouden dat Javaanse vrijheidsstrijders bandieten en raddraaiers waren. Thuis werd dat natuurlijk omgekeerd, onze helden waren allerminst bandieten.
Uit de Vaderlandse Geschiedenis van Nederland heb ik wel begrepen dat Nederland ook een vrijheidstrijd gevoerd heeft tijdens de tachtigjarige oorlog. Ik herinner me ook nog een leesboek met plaatjes uit de uit de eerste klas. Een blanke man, in een wit pak met een tropenhelm op, die een bedelaar een aalmoes gaf. Goed hè? Maar de bedelaar was altijd afgebeeld als een inlander. Op mij had het 't effect van: wij waren inferieur en zo voelde ik me ook, inferieur. Er waren ook Hollandse kinderen in de klas. Met onderwijs werd geen verschil gemaakt, maar zodra je buiten was bemoeiden ze zich niet met je, en jij je niet met hen. Wij gingen zwemmen in de kali, zij in het zwembad waar wij als inlandse kinderen niet in mochten. Maar je was wel goed genoeg samen het Wilhelmus te zingen. Moest je leren uit een liedjesboek 'Kun je nog zingen, zing dan mee'. Daaruit leerden we andere Hollandse liedjes, zoals dat moeilijke 'Zachtjes suislend doet ritslen het lover', of zoiets en dan ... 'maar plotseling rukt de stormwind los en jaagt vernielende door het bos'.
Onbegrijpelijke tekst was dat, maar we zongen het.
Aardrijkskunde kregen we. Ik heb altijd gedacht dat Nederland een enorm groot land was, tot ik erachter kwam dat Indonesië bijna zestig keer zo groot was.
Na de lagere school ging ik naar de Mulo. Op die school zaten ook Hollandse kinderen, van de resident, de assistent-resident of van andere hoge ambtenaren.
In 1940 was er paniek op school. We vonden het erg dat Nederland bezet was. Het mondeling eindexamen ging wel door. We moesten daarvoor tachtig kilometer reizen, omdat het in Solo afgenomen werd. Na m'n eindexamen wilde ik graag doorstuderen. Maar dan zou ik toch naar een grote stad moeten verhuizen, daar in de kost moeten gaan, schoolgeld moeten betalen. Ik heb dus gewoon een baantje gezocht op een handelskantoor.

Toen ik werkte, kwam ik in aanraking met jongens en meisjes die lid waren van de Jong Islamietenbond. Ik bezocht de bijeenkomsten en al gauw kreeg ik nieuwe vrienden. Het waren merendeels scholieren, maar er zaten ook werkende jongeren bij. Die JIB was een organisatie van Nederlands sprekende moslim-jeugd.
Het leven in de grote stad beviel me wel.
Ik kwam in contact met andere jongeren van nationalistische organisaties. Veel van die vrienden waren toen al antifascisten. Ik was vooral onder de indruk van een jon gen die aan de Middelbare Handelsschool studeerde. Hij was een paar jaar ouder dan ik en zat in de redactie van een nationalistisch blad. Hij wist ontzettend veel van onze eigen geschiedenis. Hij was het die mij, en mij niet alleen, waarschuwde voor de Japanners, voor wat ons te wachten stond. Toen de Japs binnenvielen, was voor mij duidelijk dat we dus niet bevrijd waren, maar dat we op een tussenstation beland waren. De eerste maatregel wees daar ook op: politieke partijen werden ontbonden.
Het was gewoon een wisseling van de wacht. In plaats van Nederlandse bestuursambtenaren kregen we nu Japanners. De lagere baantjes bleven bezet door Indonesiërs. Alles en iedereen moest wijken voor de aspiraties van de bezetter.
Niet lang daarna werden de eerste arrestaties verricht door de Kempetai, de Japanse politie.
Als ze wisten dat iemand antifascist was, werd hij of zij opgepakt en gevangen gezet. Later heb ik gehoord dat de Kempetai daarbij ook hulp heeft gekregen van ambtenaren die tevoren in dienst waren geweest bij de politieke inlichtingendienst van het koloniale bestuur.
Mijn vriend in Surabaya werd ook opgepakt en naar de gevangenis in Bandung overgebracht.
De Nederlands taal werd verboden. In plaats daarvan werd op de scholen Japans gegeven en het Bahasa Indonesia werd de officiële taal.

Er zijn opstanden geweest tegen het Japanse bestuur. De opstand van de Peta in Blitar is het bekendst geworden. De Peta was opgericht om de Indonesische bevolking te winnen voor de Japanse ideeën over een groot Aziatisch rijk. Uiteraard werd snel duidelijk welke rol de Peta zou moeten spelen. Bovendien zagen de jongeren, die deel uitmaakten van die Peta, buiten de kazerne de armoede van de mensen, de honger...
En daartegen kwam verzet. De leider van de opstand in Blitar was een jonge officier, de zoon van de regent van de stad, Supriyadi. De opstand was het bewijs dat jongeren van Blitar, die zogenaamd vrijwillig dienst hadden genomen, het helemaal niet eens waren met de onderdrukking door de Japanners. Later hoorden we dat er ook opstanden zijn geweest van boeren. Het zijn feiten die er niet om liegen.
Aan de andere kant realiseerden de mensen zich juist in die Japanse tijd dat de koloniale periode voorbij was, het nationalisme kreeg daardoor een enorme impuls. Ook onder de gewone mensen die zich tevoren afzijdig hadden gehouden, zich nooit bemoeid hadden met het nationalisme of het staatsbestuur.

Toen in augustus 1945 de Republik Indonesia uitgeroepen was, had Japan zich al overgegeven maar in de praktijk was er niets veranderd, de Japanners waren er nog.
De overheersing was nog niet voorbij. Onze eerste zorg was om de Japanners te ontwapenen. Dat is vooral door de jongeren gedaan. Daarnaast moesten we zorgen dat we het bestuur van fabrieken en ondernemingen in handen kregen. In onze streek waren nogal wat fabrieken: koffie, suiker, thee, kinine en cacao. In 1945 waren deze in handen van Japanse bedrijfsleidingen.
Wij hebben gezorgd dat dit veranderde. Eén voor één kwamen de fabrieken in ons bezit. Dan hingen we plakkaten op: 'Milik Republik Indonesia', eigendom van de Republiek en we haalden de Japanse vlag omlaag, hesen de roodwitte van de Republiek. Onze Republiek. Het was een prachtige tijd. Iedereen voelde zich verbonden, er was een enorme saamhorigheid onder de mensen.
Het was ongelooflijk.
Ongelooflijk was het ook dat binnen een maand militairen van het KNIL in Jakarta terug waren. Vernederingen, provocaties en terreur waren aan de orde van de dag. Nica-soldaten in Britse uniformen haalden de roodwitte vlag naar beneden, hesen de koloniale driekleur. Pemuda's werden op straat aangehouden en als ze dan insignes van Merdeka Indonesia ophadden, moesten ze deze met speld en al inslikken. En dat was dan nog een milde vorm, er werden er ook doodgeschoten.
Als over 't één gesproken wordt, moet het andere niet achterwege blijven. Ik bedoel daarmee dat van jullie kant altijd gepraat wordt over de Bersiap, de gruwelen die bedreven zijn... Kan ook niet ontkend worden, maar ook in die periode werden er al kampongs in brand gestoken door soldaten van het KNIL. In die tijd heb ik niet geweten dat er in Nederland soldaten waren die weigerden naar ons land te gaan. Wat wel bekend werd, veel later, dat er Nederlandse soldaten zijn overgelopen. De naam Pitojo *) kende ik toen al, en natuurlijk ook Poncke Princen. Maar er zijn er meer geweest.
Ik was verbonden aan de Pesindo, de Pemuda Socialis Indonesia, de socialistische jongerenorganisatie. Ik was net terug van een rondreis op Oost-Java toen de eerste koloniale oorlog uitbrak. Tijdens de rondreis had ik met een paar andere pemuda's het Akkoord van Linggadjati moeten verklaren aan de mensen.
In het algemeen werd het akkoord kritisch ontvangen. Vooral de jongeren vonden dat onze onderhandelaars te veel concessies hadden gedaan. We werkten binnen de demarcatielijn, ik ben er nooit over geweest.

Bij de tweede actie van de Nederlanders, in december 1948, woonde ik in Solo, waar het hoofdkwartier van de Pesindo gevestigd was.
Nederlandse tanks rolden door de straten, gebouwen stonden in brand, bruggen waren vernield. Onze soldaten trokken de stad uit, ze waren al voorbereid op een oorlog die door de mensen zelf gesteund werd, de guerilla.
Ik vertrok ook naar de bergen. Het was een spannende tijd. We wisten dat er onderhandeld werd, maar we wisten toen nog niet wat de uitkomst zou zijn. Later kan je makkelijk zeggen dat we niet anders konden dan winnen.
Op het moment was dat niet eens zo zeker, het Nederlandse leger was goed uitgerust. Wij moesten het soms doen met zelfgemaakte wapens, sommige gingen af nog voor je geschoten had.
Maar in 1950 was alles voorbij. We hadden gevochten. We hadden gewonnen."

*) Piet van Staveren, bij terugkomst in Nederland werd hij veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf. Daarvan heeft hij er vijf uitgezeten in de strafgevangenis van Leeuwarden.