welkom
boeken
inhoud

Aafje Oudes was net zeventien toen bij haar ouders een Indonesië-weigeraar onderdook, Jan van Luyn. Ze herinnerde zich van de voorbije oorlogsjaren dat er altijd vreemde mensen over de vloer waren. "In de oorlog woonden we op het Haarlemmerplein, daarvan weet ik dat ik nooit of te nimmer aan wie dan ook mocht vertellen dat er zoveel mensen bij ons thuis waren. Later hoorde ik dat mijn ouders meer dan vijftig joodse mensen onderdak hebben verleend. Voor de oorlog begon dat al met vluchtelingen uit Hitler-Duitsland, in de oorlog werd het huis op het Haarlemmerplein gebruikt als doorgangsadres van Nederlandse joden die onder moesten duiken in de provincie."

Het was een hele heisa om te trouwen

"Toen Jan gepakt was, was iedereen al terug uit Indonesië. M'n eigen zwager, die als dienstplichtige in Indië geweest was, was ook al thuisgekomen. De oorlog was over. In die tijd werkte ik op een atelier en daar werd me door twee snuiters in burger van Militaire Zaken een briefje gebracht. Toen wist ik dus dat Jan in de Doelenstraat vastzat.

Die twee ken ik, dacht ik nog toen ze me dat briefje overhandigden. Nou, m'n neus zat wel goed, want toen ik zei dat ik ze al eerder gezien had, bekenden ze me dat ze me drie dagen achtereen al geschaduwd hadden. Jan was gewoon verraden.
Door wie, dat weten we niet. Maar we hadden zo wel onze vermoedens. Op het briefje stond alleen dat hij een pakje shag en scheergerei wilde hebben. Vanuit m'n werk ben ik thuis z'n scheergerei gaan ophalen en meteen doorgegaan naar die Doelenstraat. Daar nam een man het in ontvangst, Jan zelf heb ik toen niet gezien. Maar die man liet wel doorschemeren dat ze een tip gekregen hadden.
Ik maar huilen, maar die man was heel redelijk. Hij raadde me aan maar gauw te trouwen, omdat ik anders nooit op bezoek zou kunnen bij Jan. Want dat stond wel vast, hij zou beslist in de gevangenis terecht komen.

Toen Jan in Schoonhoven zat waren onze trouwpapieren ook in orde. Ik was 21 jaar en we zijn bij de Burgerlijke Stand van Utrecht getrouwd. Dat moest, omdat Jan ook in Utrecht ingeschreven stond. Het was toen nog zo dat je toestemming nodig had van je ouders. M'n vader zei meteen: 'Ja'. Maar om te kunnen trouwen in Utrecht moest ik overgeschreven worden.
Daarna werd dat weer veranderd, werd ik weer gewoon bij de Burgerlijke Stand van Amsterdam ingeschreven.
In ieder geval, het was toch een hele heisa om die trouwpapieren in orde te krijgen. En iedereen moest je weer uitleggen wat er aan de hand was. Dat je aanstaande in de gevangenis zat, waarvoor hij zat. Ik moet zeggen, van m'n toenmalige werkgever heb ik niet anders dan medewerking gehad. Ze hebben me ontzettend geholpen. Zowel m'n baas, de chefs als m'n collega's.
Ik ben in het wit getrouwd, geen lange jurk met sluier maar een wit mantelpakje. Ik had het zelf gemaakt van een lap, ook gekregen van het atelier, en de zakken erop had ik geborduurd.
Het was bijna een echte trouwerij, want er was zelfs voor gezorgd dat ik een bruidsboeket had met m'n lievelingsbloemen, blauwe lathyrus. Ik had het niet verwacht. Want het had al heel wat voeten in de aarde gehad dat Jan bij z'n eigen trouwerij aanwezig kon zijn. Na de trouwerij op het Utrechtse stadhuis zijn we eerst nog naar een fotograaf gegaan, daarna met de hele familie naar het huis van Jan's ouders in de Koekoekstraat.
Ik bleef werken op het atelier. Kostwinnersvergoeding heb ik nooit gekregen. Zes weken voor de bevalling kon ik met zwangerschapsverlof. Joke is in het Wilhelmina Gasthuis geboren. Op een zondag, tien over vier in de middag.

Jan was toen al vanuit Schoonhoven verplaatst naar Bankenbosch in Drente. Mijn vader heeft hem meteen, nadat het kind geboren was, een telegram gestuurd. We waren naïef, we dachten dat hij dan de volgende dag wel naar Amsterdam zou komen, al was het maar om eventjes z'n dochter vast te houden. Maar al wie er kwam, geen Jan.
De artsen van het Wilhelmina Gasthuis hebben er nog moeite voor gedaan, want een kind moet binnen drie dagen door de vader aangegeven worden. Iedere dag kwamen ze 's ochtends aan m'n bed, 'En ... komt-ie, heb je al wat gehoord?' Dan jankte ik. Ze troostten me. Het waren schatten voor me, de verpleegsters en de dokters en ook de andere moeders die wel bezoek kregen van hun man. Dan hoorde ik ze fluisteren, als hun bezoek meewarig naar mijn lege stoel keek: 'Haar man kan niet komen ... zit in de lik...' Maar de dokter zei iedere morgen: 'Jij hebt de mooiste baby van de zaal.'
En dan voelde je je minder rot.
Ik was er absoluut van overtuigd dat mijn vader het telegram meteen verstuurd had. Geen twijfel mogelijk. De derde dag zei de dokter dat de tijd ging dringen, dat het kind aangegeven moest worden. 'Waarom schrijf je zelf niet'. Maar dat kon niet, want daarvoor had je weer een officieel formulier van de gevangenis nodig. Je kon niet schrijven aan Jan van Luyn, gevangenis Veenhuizen. Hij had in die tijd geen naam, maar een nummer. En zo'n formulier kreeg ik alleen, wanneer Jan me een brief mocht sturen, dan zat het erbij zodat ik terug kon schrijven. Pas de vijfde dag mocht hij schrijven en toen had ik dus ook pas een formulier. Uiteindelijk is Joke de negende dag aangegeven. Nee, niet door Jan die vader was. Mijn dokter van het ziekenhuis en een verpleegster, die ook bij de bevalling was geweest, zijn naar het Bevolkingsregister gegaan, hebben Joke ingeschreven met de naam die ik wilde: Johanna naar haar vader, die voluit ook Johannes heet.

Trouwfoto
Aaf en Jan van Luyn, 1950
 
Ik heb, toen ik op de kraamzaal lag, nog wel bezoek gehad van een dominee. Of ik het kind, net als de vader, wilde laten dopen. Ik heb gezegd dat ik daarover niks wilde beslissen, zonder dat die vader ervan wist.
Later hoorde ik dat Jan het telegram gekregen heeft toen de baby al vier dagen oud was. Het telegram zelf heeft hij nooit onder ogen gehad, bij de gevangenisdirecteur kreeg hij wel de tekst ervan op een klein kladje. We hebben het papiertje altijd bewaard, 'Aafje een dochter, alles goed, Vader'. De directeur begon tegen Jan ook over dopen, maar hij heeft het, net als ik, afgewezen.
Het was het eerste kleinkind in de familie en m'n moeder was blind op het kind. De tiende dag mocht ik uit het ziekenhuis en daarna mocht ik van de ziektewet nog zes weken thuisblijven. Daarna moest ik toch weer naar m'n werk. Via Sociale Zaken heb ik wel een plaats kunnen bemachtigen in een crèche van de gemeente. Ik woonde nog thuis, maar m'n ouders werkten zelf ook, m'n moeder van zes tot twee uur 's middags bij de PTT. Die kon dus niet op de baby passen. De crèche was in de Warmoesstraat en het atelier waar ik toen werkte, was er gelukkig dicht in de buurt. Ik stond om vijf uur op, verzorgde het kind, bracht het naar de Warmoesstraat en ging dan aan het werk. Half acht beginnen en zaterdagsmorgens ook een halve dag maken. Maar als ik naar zuigelingenzorg moest, kreeg ik vrij. Als de kleine ziek was, tandjes kreeg of van de prikken niet lekker was, mocht ik verzuimen.

Ik heb nooit gemerkt dat ze het me kwalijk namen dat ik met een dienstweigeraar getrouwd was. Integendeel. Ik kon bijvoorbeeld ook vrij nemen als ik Jan bezoeken mocht in Veenhuizen. Eens in de maand een hele dag.
Daar heeft hij ook voor het eerst z'n dochter gezien. Het was voor mij ook de eerste keer dat ik daar op bezoek mocht. We gingen er met een gehuurde bus heen, met een heel stel vrouwen. De bus vertrok vanaf het Haarlemmerplein en je moest er zes gulden voor betalen. Je was de hele dag onderweg. Later heb ik Joke niet altijd meegenomen, het was geen doen.
Ergens halverwege de reis, op de Veluwe, maakten we altijd een eerste stop en dan mocht ik in de woonkamer boven het koffiehuis de baby verschonen en voeden. Toen Jan in Vught zat, kon Joke al dribbelen, dan zag ze hem vanachter het hek en dan wilde ze naar hem toe, want ze kende hem wel. Dat mocht dan niet van de bewakers. Staan blijven! En dat werd dan tegen een kind van amper anderhalf gesnauwd. Ik zal het nooit vergeten.
Wij, de vrouwen van de weigeraars, moesten achter het hek blijven tot het tijd was. Een uur bezoek, geen minuut meer. De vrouwen van NSB-ers waren dan al binnen met hun tassen vol eten, kaas en worsten. Gebaksdozen op de arm. Zij mochten in het wachtlokaal zitten, wij moesten buiten het hek blijven. Of het nou mooi weer was of stroomde van de regen... Zij kregen twee uur bezoek en soms een hele dag. Wij mochten niks meenemen, niks geven. We deden het stiekem toch, maar je liep risico. Je kon gefouilleerd worden.
We hebben natuurlijk geprotesteerd. Waarom de NSB-vrouwen twee uur en wij maar een uurtje? Dan zeiden ze, omdat die mensen langer moeten zitten. Klopte uiteindelijk niks van, de NSB-ers en SS-ers kregen gratie, waren eerder vrij dan onze mannen. Toen ik de eerste keer in Veenhuizen kwam, werd je als jonge vrouw door de viezerikken nageroepen op zo'n geile manier: 'Mädchen, Mädchen...' in het Duits, waar je in die tijd toch al zo n bloedhekel aan had.

Toen we wisten dat Jan vrij kwam, had ik een plaats besproken in de IJzeren Vrouw, da's een soort uitspanning in Vught. Ik zou er met de trein heengaan. De avond ervoor kwam Jan Maassen langs. Hij was ook Indonesië-weigeraar, maar net een maand vrij. Hij zei dat er niks van inkwam dat ik alleen met de trein zou gaan. Ik moest de volgende morgen maar wachten tot hij me kwam halen.
De volgende morgen stond er een autobus voor de deur, een hele smak mensen erin en zo zijn we naar Vught gereden. Via Utrecht, waar we Jan's ouders en broers nog hebben opgehaald.
We waren ruimschoots op tijd in Vught en dat was maar goed ook, want die flikkers hadden Jan een uur eerder vrijgelaten, dus toen we de weg naar het kamp opreden kwam hij ons al tegemoet lopen. Met een bewaker die order had hem op de trein te zetten.
Zowel in Utrecht als in Amsterdam werden we ontzettend goed onthaald. De hele dag heeft een straatorgel voor de deur staan spelen, de hele buurt liep uit en 's avonds was er een feest in het gebouw van Ons Huis in de Nova Zemblastraat. De mensen hadden geld ingezameld, Jan kreeg boeken en een stoel die we nog steeds hebben. Het was een dag om nooit te vergeten.
We woonden nog steeds bij mijn ouders in. De volgende morgen stonden er twee heren van de Hervormde Gemeente voor de deur. Ik had ze al die jaren niet gezien, nooit voor een dubbeltje steun van ze gehad, nu kwamen ze. Jan heeft ze zelf weggestuurd."

   Aaf van Luyn is enkele dagen voor Kerstmis 1994 overleden.