welkom
boeken
inhoud
Boek "Om de vereniging van de arbeid"

Nederlandse vakbeweging sinds tweede feministische golf

Belangenbehartiging van vrouwen nog steeds een zorg

Gisela Dütting 1

In 2005 heeft de Federatie Nederlandse Vakbeweging voor het eerst in haar geschiedenis een vrouwelijke voorzitter. Meer vrouwen dan ooit zitten bij de FNV en de aangesloten bonden op belangrijke betaalde posities. Op 2 oktober 2004 weet de vakbeweging meer dan 300.000 protesterende mensen op de been te brengen. Daarmee laat zij zien dit nog steeds financieel en organisatorisch voor elkaar te kunnen krijgen. Alleen al het versturen van 300.000 treinkaartjes zou op dit moment geen enkele andere beweging in Nederland lukken; de vredesbeweging en milieubeweging, maar ook de andersglobalisten niet. Maar wat betekent dit? Succes voor de vrouwenbeweging en vakbeweging?

In deze beschouwing zal ik op deze vragen ingaan vanuit het gezichtspunt van een geïnternationaliseerde vrouwenbeweging en zo de vakbeweging in Nederland bezien. 2 Vervolgens komt de vraag aan de orde naar de bijdrage van de vakbeweging aan de behartiging van 'vrouwenbelangen' sinds de tweede feministische golf? 3

Verschuivingen in Nederland

De vrouwenbeweging anno 2005 ziet er heel anders uit dan zo'n twintig, dertig jaar geleden. De jaren zeventig en tachtig vormden hoogtijdagen, met grote demonstraties, ludieke acties, veel persaandacht en politieke overwinningen. Langzaam slopen als radicaal bestempelde eisen van de vrouwenbeweging (zoals 'gelijk loon voor gelijke arbeid') het bewustzijn van de Nederlandse bevolking binnen als iets heel normaals. In 1975 was de Wet Gelijk Loon een mijlpaal. Economische zelfstandigheid bleef een speerpunt op de agenda van de Nederlandse vrouwenbeweging. Een andere verbindende strijd was heel lang de eis voor een legale, veilige en betaalbare abortus voor alle vrouwen, die deels werd binnengehaald. 4
De jaren negentig stonden meer in het teken van de verbreding - meer diversiteit - en internationalisering. Het hoogtepunt werd in 1995 de vierde Vrouwenconferentie van de Verenigde Naties in Beijing, waar 182 regeringen een lange lijst van actiepunten overeenkwamen: het Beijing Platform voor Actie. Op twaalf terreinen spraken zij maatregelen af onder druk van een breed uitwaaierende, internationale en effectief georganiseerde vrouwenbeweging. Ook de Nederlandse vrouwenbeweging was groots aanwezig. Daarnaast veel afgevaardigden van vakbonden en twee Nederlandse ministers.
Vandaag is de bonte verzameling van actiegroepen, organisaties, drukkerijen en individuen veel minder zichtbaar en gedeeltelijk verdwenen. Vrijwilligersgroepen zijn opgeheven (ontbreken van tijd, successen en nieuwe aanwas) en vrouwengroepen die zich omgevormd hadden tot een zelfstandige organisatie, kregen vanaf ongeveer 1995 te maken met bezuinigingen op de subsidie door lokale en nationale overheden. Gesubsidieerde groepen vullen sindsdien een groot gedeelte van hun dag met het zoeken naar nieuwe geldstromen. De grotere organisaties zijn door de subsidiebepalingen dusdanig in een keurslijf geperst dat zij weinig spontane dingen meer kunnen ondernemen; aan hun kritische rol ten opzichte van de overheid is paal en perk gesteld. De landelijke organisaties zijn daardoor mede een verlengstuk van de overheid geworden. Alleen opbouwende kritiek op deelterreinen is nog gewenst, evenals toegepast onderzoek naar beleidsmaatregelen zonder te zeuren over het niet opvolgen van aanbevelingen. Van de opbouw van een duurzame infrastructuur is geen sprake. De vrouwenbeweging van 2005 is gefragmenteerd. Belangrijke onderdelen, zoals het Clara Wichmann Instituut dat alles op het gebied van vrouw en recht bijhield en een kritische lobby voerde, zijn ter ziele. 5
Vrouwenorganisaties houden zich nu vaak met een deelonderwerp bezig, waarbij in Nederland zelden de nadruk ligt op het uitspitten van ideologische tegenstellingen of principiële kwesties, maar op een meer pragmatische aanpak. De benadering is resultaatgericht. Beleidsbeïnvloeding heeft tot doel een concrete verandering te bewerkstelligen, niet zozeer om het eigen ideologische gelijk naar voren te brengen. Daarom hebben in Nederland uiteenlopende vrouwenorganisaties vaak kunnen samenwerken, ook al dachten zij anders over oorzaken van kwesties of waren zij afkomstig uit verschillende stromingen of achtergronden. Dit in tegenstelling tot het buitenland. Vooral in praktische zaken kon gezamenlijk worden opgetrokken. Het praktisch en/of politiek haalbare speelde daarbij de grootste rol, vooral als het ging om beïnvloeding van de staat.6

Hanneke Hoekstra heeft een historische vergelijking gemaakt tussen de vrouwenbeweging van 1899 (opgang eerste feministische golf) en die van 1999.7 Rond 1900 leefde de vrouwenbeweging in Nederland op vanuit een gevoel van sociale verantwoordelijkheid voor een meer rechtvaardige maatschappij. Strijden voor kiesrecht van vrouwen betekende vormgeven aan een betere samenleving. Een eeuw later ziet Hoekstra vooral de afwezigheid van vrouwen/feministes in de debatten over de kwaliteit van de samenleving, terwijl keuzevrijheid voor vrouwen is verworden tot een economisch privilege van sommigen. Zij pleit er voor het feminisme weer inhoud te geven met een brede, sociale en morele visie. Vraagstukken uit 1900 spelen volgens haar nog steeds, zoals:
* De integriteit van het lichaam. De seksualiteit van vrouwen is nog steeds handelswaar en vrouwenhandel groeit explosief.
* De verdwijning van de onbetaalde zorg onder druk van het oprukkend kapitalisme. Terwijl sommige zorgtaken handelswaar worden, verschraalt de kwaliteit van de betaalde en onbetaalde zorg.
* De toename van stille armoede, vooral bij vrouwen. Voor de meeste vrouwen is economische zelfstandigheid onhaalbaar gebleven.

Sociaal-economische thema's

De tweede feministische golf (vanaf eind jaren zestig) heeft zich in Nederland altijd prominent met sociaal-economische onderwerpen bemoeid. Binnen stromingen van bijvoorbeeld socialistische en radicaalsocialistische feministes waren veel vrouwen bezig met economisch vraagstukken.8 Ze herschreven marxistisch gedachtegoed, stelden seksisme aan de kaak in de vakbonden, rafelden betaald en onbetaald werk uiteen en analyseerden de samenhang daartussen. Maar bovenal richtten zij zich op de strijd voor economische zelfstandigheid. Vanuit vrouwen gezien, ging het hier niet alleen om toegang tot (gelijk) betaald werk, maar ook om de manier waarop zorgtaken binnen huishoudens werden verdeeld, om kinderopvang, regels van de sociale zekerheid en pensioenvoorzieningen. Veel vakbondsvrouwen waren actief en toonaangevend en veel feministes belastten zich met de hervorming van de Nederlandse vakbeweging van binnenuit.
In de jaren tachtig is uitvoerig gediscussieerd over de vakbeweging, de noodzaak om daar als feministe actief te zijn en de relatie met de vrouwenbeweging. Veel vrouwen gingen werken in vakbonden met het doel van binnenuit tot een verandering te komen, zodat ook (of meer) via de vakbeweging de belangen van vrouwen behartigd zouden worden. Het punt van een brede vakbeweging was daarbij een hele strijd. Volgens de vrouwenbeweging moest de vakbeweging standpunten innemen (bijvoorbeeld over abortus) op bredere terreinen dan alleen 'arbeid en inkomen'.
Op het congres van de FNV in 1997 werd echter besloten de Grondslag te veranderen en het werkterrein te beperken tot arbeid en inkomen. Toch kon soms, vooral door het ad hoc lobbywerk van betrokken vakbondsvrouwen, ineens een breed standpunt van de FNV opduiken. Zo verklaarde zij zich in 1996 tegen zwangerschapsvaccins, een gevaarlijk nieuw anticonceptiemiddel in ontwikkeling dat op het immuunsysteem van vrouwen zou werken. Deze verklaring werd door vrouwennetwerken internationaal gebruikt en droeg bij aan de beëindiging van het onderzoek naar deze vaccins.

Discussies bleven plaatsvinden. Zowel binnen de vakbeweging, waar een toenemend aantal vrouwen betaald werkt of vrijwillig actief is, als binnen de autonome vrouwenbeweging die versnipperd oogt maar nog steeds leeft. Autonome vrouwenorganisaties bevinden zich in andere circuits (meer binnen het vage web van de internationale vrouwennetwerken) dan de vakbondsvrouwen (meer binnen de internationale vakbondsstructuren). Toch zijn er in Nederland altijd korte lijnen gebleven tussen vrouwen in de vakbeweging, vrouwen in de onafhankelijke vrouwenorganisaties, feministes op ministeries en in lokaal bestuur, vrouwen in de media, enzovoort. Wel vindt hier veroudering plaats; veel jonge vrouwen voelen zich geen feministe en afficheren zich ook steeds minder met de uitgangspunten van de slecht zichtbare vrouwenbeweging.

Na conferentie Beijing, 1995

Internationaal is de laatste jaren veel vooruitgang geboekt in het denken over economische onderwerpen en over 'gender'.9 Internationale vrouwennetwerken leggen steeds meer nadruk op macro-economische thema's of internationaal politiek-economische kwesties, omdat de uitwerking op lokaal en regionaal niveau dat afdwingt. De analyse gaat uit van intersectionaliteit10 en diversiteit en bekijkt economische onderwerpen vanuit een 'gender standpunt'. Het gaat allang niet meer alleen over de versterking van de weerbaarheid, zelfstandigheid en zeggenschap van vrouwen en meisjes. Van een even groot belang is het perspectief van 'gender' op te nemen in alle analyses, in elk beleid en elke praktijk; dat wil zeggen: de uitwerking van ontwikkelingen op de machtsposities van mannen en vrouwen. Zo zijn er veel vrouwenorganisaties en internationale netwerken te vinden in de acties tegen de Wereldbank, Internationaal Monetair Fonds en Wereldhandelsorganisatie. Het netwerk WIDE in Brussel bijvoorbeeld houdt zich bezig met feministische kritiek op handelsverdragen die de Europese Unie sluit, met lobby en protesten tegen privatisering van publieke diensten zoals water, met kritiek op deregulering en ongebreidelde vrijhandel, enzovoort.11
De vrouwenbeweging maakt deel uit van diverse andere bewegingen, waardoor kruisbestuivingen tot positieve ontwikkelingen leiden. Zo brachten vrouwen uit ontwikkelingsorganisaties recent een rapport uit over arbeidsters in internationale productieketens.12 De prioriteiten waren: positieversterking van alle arbeidsters en arbeiders ten gunste van hun rechten en belangen, herverdeling van de zorgarbeid en nakomen van mensenrechtenverdragen en conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie. De vrouwenbeweging is actief (hoewel vaak morrend over het lage aandeel vrouwelijke sprekers!) in de Sociale Fora. Opvallend is dat daaraan, ook in Europa, veel jonge vrouwen deelnemen. Onder jongeren (m/v) blijken overigens sommige feministische analyses gemeengoed te zijn, verpakt in betogen over democratie (gelijke deelname van mannen en vrouwen aan wat dan ook).

De kritiek op het Nederlandse macro-economische beleid uit zich vooral in de rapportages naar aanleiding van de VN Vrouwenconferentie in Beijing. Naast een rapport van de Nederlandse overheid ligt altijd een schaduwrapport dat wordt samengesteld door samenwerkende vrouwenorganisaties. De "Nederlandse NGO rapportage Beijing +5" voor het jaar 2000 bekijkt de ontwikkelingen voor vrouwen in Nederland en toetst de genomen overheidsmaatregelen.13 In het rapport worden kritische noten gekraakt over vrouwen en armoede, mensenrechten en geweld, vrouwen en economie, macht en besluitvorming en institutionele mechanismen. Een tweetal conclusies:
* Meer vrouwen betreden de arbeidsmarkt, maar de gevolgen voor de zorg (tot nu toe vooral een onbetaalde vrouwentaak) en samenleving als geheel worden onderschat.
* Herziening van de macro-economische ontwikkelingen is nodig, want de verdeling van economische middelen en macht gaat een nog beslissendere rol spelen voor de keuzes die mensen hebben. De kloof tussen rijk en arm wordt groter. Hoewel vooral vrouwen aan de arme kant zitten, nemen ook de verschillen tussen vrouwen steeds meer toe.

In januari 2005 kwam de "Nederlandse NGO schaduwrapportage Beijing+10" uit. De Nederlandse overheid is verplicht de Verenigde Naties te rapporteren hoe zij de in 1995 gedane beloftes in de praktijk uitvoert. Op initiatief van 42 organisaties werd het Nederlandse overheidsbeleid doorgelicht.14 Hier volgen de belangrijkste conclusies op het terrein van arbeid, zorg en inkomen.
* Het sociaal-economische beleid is in Nederland 'gender blind'.15
* De 'loonkloof' - loonverschil mannen en vrouwen in vergelijkbare situaties - is al jaren niet verkleind.16
* De economische onzelfstandigheid is toegenomen.
* Een specifieke aanpak van armoede en sociale uitsluiting ontbreekt.17
* De pensioenproblemen van oudere vrouwen zijn niet opgelost.
* De onbetaalde arbeid is niet opgenomen in het Bruto Nationaal Product.
* De arbeidsparticipatie van vrouwen is gestegen zonder een beleid voor herintreedsters.
* De combinatie van arbeid met de zorg voor kinderen blijft moeilijk.
* Voor zorg bestaan weinig verlofregelingen.
* Vrouwelijke ondernemers hebben geen recht op uitkering bij zwangerschap en bevalling.
Nog enkele andere conclusies:
* In het glazen plafond zijn nog steeds geen barsten aangebracht.
* De seksesegregatie bij opleidingen en beroepskeuzen is onveranderd.
* Vrouwelijke werknemers profiteren minder van levenslang leren.
* De bestrijding van seksuele intimidatie op het werk heeft een geringe prioriteit.
Deze waslijst van eisen en punten voor verandering die de vrouwenbeweging naar voren brengt, is bij lange na niet volledig. Vastgesteld kan worden dat een groot deel binnen het werkterrein van de vakbeweging valt.

Economische zelfstandigheid

In 2001 was 41 procent van de vrouwen van 15-64 jaar economisch zelfstandig. Dat wil zeggen: zij verdienden 70 procent van het nettominimumloon via arbeid of winst uit onderneming. Ter vergelijking: bij mannen was dat 71 procent.18 De arbeidsdeelname van vrouwen nam toe. In 2003 werkte 55 procent in een betaalde baan van twaalf uur of meer. Bij mannen was dit 75 procent. Van de vrouwen werkte 70 procent in deeltijd. Door dit, in Europa hoogste, percentage is de arbeidsdeelname van Nederlandse vrouwen hoger dan in andere Europese landen, de Scandinavische uitgezonderd.
In de jaren tachtig en negentig versnelde de groei van het aantal vrouwen dat betaald werkt. Dat kwam met name doordat vrouwen met jonge kinderen bleven werken, terwijl vrouwen met iets oudere kinderen als herintreedsters op de arbeidsmarkt kwamen. In 2003 waren 190.000 vrouwen en 206.000 mannen werkloos. Dit is respectievelijk 6,0 procent van de vrouwelijke en 4,7 procent van de mannelijke beroepsbevolking. 19
Economische zelfstandigheid voor vrouwen is weliswaar een streven dat gedeeld wordt door de vrouwenbeweging, vakbeweging en Nederlandse overheid, maar de invulling verschilt daarbij sterk. De nadruk ligt bij de laatste twee op de toegang tot betaald werk. Allerlei vormen van sociale innovatie raken daarmee op de achtergrond; afstemming van schooltijden op arbeidstijden, overblijfregelingen, herverdeling van en nationale voorzieningen voor zorgarbeid, enzovoort.
Wordt economische zelfstandigheid breder bekeken, dan valt op dat de laatste jaren vooral de ontwikkelingen in de sociale zekerheid zorgwekkend zijn. De door de vrouwenbeweging gewenste individualisering heeft zich nooit voltrokken. Sommige uitkeringsrechten zoals in de WW zijn weliswaar individueel, maar die op basis van de bijstand zijn dat nooit geworden. Nu WAO, WW en andere sociale verzekeringen ingeperkt worden, betekent dit bijvoorbeeld voor alle betrokkenen een toets op het gezinsinkomen. Voor vrouwen pakt dat vaker ongunstig uit.

Groei ledental, aandeel vrouwen

Tegelijk met de groei van het aantal vrouwen dat betaald werkt, is het aantal vrouwelijke leden van bonden van de FNV gestegen. Afgezien van plaatsgevonden fusies, blijkt dat deze vrouwen de ledenwinst veroorzaken. Vanaf 1998 zou de FNV een afnemend aantal leden hebben gehad, indien vrouwen niet zouden worden meegeteld. In 2004 bedroeg het totaal aantal leden van de FNV 1.199.763 (inclusief zelfstandigen zonder personeel); percentage vrouwen 29,8 (357.414).20 Daarnaast is ook het aandeel vrouwen in de diverse bonden toegenomen.

Tabel 1 - percentages vrouwelijke leden bonden FNV en vrouwen in sector
Bond 1997 2004 Beroepsbevolking
Bondgenoten 18,2 19,6 34,0
ABVAKABO 41,8 47,9 58,0
Bouw 2,4 3,2 8,0
AOb 51,5 57,5 58,0
Kiem 18,5 19,2 36,0
Horecabond 41,1 42,9 49,0
NPB 21,9 26,6 27,0
AFMP 10,1 14,0
Kappersbond 95,1 96,8
NVJ 31,7 34,8
Totaal FNV 25,8 29,8 42,0

Na de fusie van NVV en NKV in 1981 kwamen er steeds meer vrouwencommissies en medewerksters vrouwenwerk in de bonden van de FNV. Dit viel samen met het beleid om meer bezoldigde vrouwen aan te stellen, zonder dat er overigens van een quotumregeling sprake was.
De FNV volgt een doelgroepenbeleid voor vrouwen, etnische minderheden en jongeren. Hun aantallen moeten omhoog en de participatie verbeterd, zowel bij leden en kaderleden als bezoldigden. Elk jaar wordt een enquête gehouden om de positie van vrouwen te inventariseren; soms uitgebreid naar etnische minderheden en jongeren. Helaas ontbreken betrouwbare cijfers. Soepel loopt het beleid niet, de volgende problemen doen zich voor:
* Jongeren vormen een andere categorie dan vrouwen en etnische minderheden (jong zijn gaat vanzelf over).
* De verschillende posities van groepen worden onvoldoende erkend en daarmee de verschillen tussen groepen vrouwen en de mogelijkheden van het samengaan van de categorieën vrouw, etnische minderheid en jong.
* Door van 'doelgroep' te spreken, lijkt het alsof daar iets moet veranderen, zonder de rest van de organisatie aan te pakken.
* Met de benadering via doelgroepen gaat de kracht van de feministische analyse verloren, namelijk dat het niet alleen over vrouwen gaat, maar over iedereen en over machtsverhoudingen.
* Door deze benadering lijkt het alsof alleen vrouwen verantwoordelijk zijn voor het aan de orde stellen van vrouwenbelangen, etnische minderheden voor etnische groepsbelangen enzovoort; deze belangen dienen echter juist gezien te worden als een gemeenschappelijke, een integrale verantwoordelijkheid van allen.

Op het doelgroepenbeleid kan dus het één en ander worden afgedongen, bovendien blijkt de uitvoering een moeizame klus te zijn. In 2001 werd het organisatieadviesbureau Twijnstra-Gudde ingehuurd om te adviseren over de beste aanpak om de instroom en doorstroom van de doelgroepen in de werkorganisatie te bevorderen. Els Burger concludeerde aan het eind van het onderzoek dat de aanpak te vergelijken viel met dieetpogingen. "Vergelijk het met afvallen. Ik vind het heerlijk om daarover te praten. Dan heb ik het gevoel dat ik er mee bezig ben, maar het is natuurlijk hartstikke vrijblijvend. Ik moet gewoon die boterham laten staan. En dat is minder leuk." Volgens Burger is dat precies wat de bonden doen. "Veel praten, wat het prettige gevoel geeft ermee bezig te zijn, zonder dat er veel verandert. () Toen het aankwam op het nemen van beslissingen, haakten veel bonden dan ook af."21
Conclusie: De bonden van de FNV staan positief tegenover de methodiek van planmatig en projectmatig werken via het doelgroepenbeleid, maar tot een gezamenlijke aanpak is het niet gekomen.

Het aantrekken en behouden van vrouwen is in elke organisatie niet alleen een kwestie van democratie en gelijke rechten. De ervaring heeft geleerd dat bij een bestand van minimaal een derde vrouwen, besluiten genomen worden waarin de belangen van vrouwen serieus worden meegewogen. Tevens verandert dan ook vaak de manier van werken.
Bij de FNV is het aandeel vrouwen in de werkorganisatie gestegen. In 1986, toen er voor het eerst geteld werd, was dit 7,3 procent. In 2004 was het aandeel gestegen tot 33,1 procent bij bestuurders en tot 48,6 procent voor managementposities; zij het met veel variatie per bond (zie tabellen 2 en 3). Bij de niet-betaalde, gekozen posities was de situatie minder rooskleurig. Van de actieve leden was slechts 23,1 procent vrouw, terwijl 29,8 procent van alle leden vrouw was (zie tabel 4). In de bondsraden was slechts 18,0 procent vrouw; in 2000 was dat percentage 14,6; dus een stijgende lijn, zij het dat tevens sprake was van een relatieve daling ten opzichte van het aantal vrouwelijke leden.22

Tabel 2 - percentages vrouwelijke bestuurders bonden FNV
Bond 1997 2000 2004 2004 totaal aantal vrouwen
ABVAKABO 28,4 29,7 36,7 22
AOb 11,1 16,7 52,9 9
Bouw 14,9 29,0 28,8 15
Bondgenoten 33,5 31,5 62
Horecabond 14,3 36,4 33,3 3
Kappersbond 50,0 1
Kiem 20,0 38,5 5
AFMP 9,0 1
Vrouwenbond 100 100 100 3
FNV Centrale 46,9 33,3 40,0 2
Totaal FNV 31,0 33,1 123

Tabel 3 - percentages vrouwen in managementposities bonden FNV
Bond 2000 2004 2004 totaal aantal
ABVAKABO 34,4 38,1 8
AOb 27,8 33,0 5
Bouw 15,4 48,6 17
Bondgenoten 50,0 48,7 20
Horecabond 46,2 50,0 5
Kappersbond 66,7 2
Kiem 40,0 25,0 1
AFMP 16,7 37,5 3
Vrouwenbond 100 100 2
FNV Centrale 40,0 33,3 4
FWZ 66,7 66,7 2
Totaal FNV 37,0 48,6 70

Tabel 4 - percentages leden en actieve leden bonden FNV
Bond 2000 leden 2000 actieve leden 2004 leden 2004 actieve leden
ABVAKABO 44,3 33,7 47,9 35,9
AOb 54,5 23,8 57,5 25,6
Bouw 2,8 3,3 3,8 3,8
Bondgenoten 18,8 15,9 19,6 15,5
Horecabond 42,9 36,1 42,9 23,5
NPB 24,3 13,8 26,6 16,5
Kiem 21,4 21,1 19,2 13,9
NVJ 34,1 24,4 34,8 23,5
Totaal FNV 25,8 21,4 29,8 23,1

Belang van vrouwen bij de vakbeweging

Met behulp van nieuwe inzichten als de meervoudige identiteit van mensen ('intersectionaliteit') wordt duidelijk dat een algemene categorie vrouwen niet bestaat (net zo min als 'mannen'). Iedereen spreekt vanuit een eigen werkelijkheid; we hebben te maken met complexe, uit meer lagen bestaande en meervoudige werkelijkheden die bovendien vaak onderling tegengesteld kunnen zijn. Met dit in het achterhoofd zijn vrouwenbelangen op te vatten als grote gemene delers die soms fout uitpakken voor specifieke groepen vrouwen.
"Ongemakkelijke bondgenoten", zo typeert Corrie van Eijl de verhouding tussen vakbeweging en vrouwenbeweging, na een gedegen, historische studie over de periode 1945-1990. Vooral in de jaren tachtig en negentig constateert zij grote verworvenheden en verbeteringen voor vrouwen. Het streven naar herverdeling van betaald en onbetaald werk was opgenomen in het beleid van de FNV en steeds meer bestuurders brachten het in hun persoonlijke leven in praktijk. De 'kostwinner' was niet meer het standaardmodel. Er kwam een betere bescherming voor werknemers met flexibele contracten, zij werden vaker opgenomen in de regelingen van de CAO. In 1993 kregen ook mensen die een gering aantal uren werkten, recht op het minimumloon. Thuiswerk werd opgenomen in de Arbo-wet en er kwamen verbeteringen op het terrein van kinderopvang en ouderschapsverlof. In vergelijking met het buitenland, vielen veel in deeltijd werkenden in Nederland onder de sociale zekerheid.23
Vakbonden kregen meer oog voor zogenaamd atypisch werk, bijvoorbeeld thuiswerk en werk in de informele sector. Nergens is groots ingezet, wel werden kleine stappen vooruit gemaakt. Uniek in Europa was de samenwerkingsovereenkomst, sinds 2002, met de prostitutievakbond De Rode Draad/Vakwerk, ook omdat het een voorbeeld is van vakbondswerk in een atypische sector. De overeenkomst houdt onder andere in dat FNV Bondgenoten optreedt bij arbeidsconflicten in bordelen, trainingen aanbiedt om als kaderlid te worden opgeleid en werkt aan een CAO. Voor de prostituees was het allerbelangrijkste dat zij officieel werden erkend en zich konden aansluiten bij een reguliere vakbond. Voor de FNV werd dat mogelijk na de decriminalisering van prostitutie in oktober 2000.
Minder gunstig voor vrouwen lijkt de trend uit te pakken om het vakbondswerk meer naar de bedrijven te verschuiven. Doekle Terpstra, op dat moment voorzitter van het CNV beschrijft de toekomst van de vakbonden als een soort 'doe het zelf' beweging.24 Van Eijl constateerde al in 1997 dat de bredere thema's van de vrouwenbeweging, zoals economische zelfstandigheid, slecht passen in verder gedecentraliseerd vakbondswerk.25 Zo zit bijvoorbeeld bij de speerpunten van het arbeidsvoorwaardenbeleid van de FNV bijna altijd een punt dat speciaal voor vrouwen belangrijk is, maar zonder dat er een meting van de effecten op vrouwen bestaat, ook niet van de uitvoering van de afgesproken regelingen. Als het zwaartepunt naar de bedrijven verschuift, wordt de activiteit van vrouwen binnen bedrijven belangrijker, binnen of buiten de vakbonden. Tijdens de viering van 8 maart 2002 vertelde de toenmalige federatiebestuurder, Kitty Roozemond, in een lezing dat vrouwen, deeltijdwerkers, etnische minderheden en niet-leden van de vakbond in ondernemingsraden sterk ondervertegenwoordigd waren.
Het gevaar bestaat dat met de nadruk op bedrijfsonderhandelingen een vernieuwde aandacht uitgaat naar vormen van loon, werkzekerheid en arbeidsomstandigheden die minder relevant zijn voor een groeiende groep flexwerkers ('hoppen' vaak tussen sectoren van bedrijf naar bedrijf). Vrijwel automatisch werkt zo'n ontwikkeling voordelig voor de belangen van zittende mensen en nadelig voor nieuwkomers, etnische minderheden en vrouwen.

Uiteenlopende tevredenheid

Het blijft een feit dat betaald werkende vrouwen belang hebben bij CAO's en verbeteringen in de arbeidsomstandigheden en sociale zekerheid. Als individu, net als mannen, doen zij bij hun werk een beroep op al wat hun positie verbetert. In die zin is het verbindend verklaren van CAO's van groot belang, omdat verworvenheden dan niet beperkt zijn tot bedrijven waarin vakbondswerk wordt gedaan.
Maar vakbonden lopen niet voorop. In het gunstigste geval zijn zij trendvolgers die dankzij druk van buiten ook een aantal belangen van vrouwen op hun agenda hebben gezet. De beste resultaten werden verkregen waar pressie van een actieve vrouwenbeweging samenviel met actieve bondsvrouwen (leden en bezoldigden) die een zelfde soort agenda hadden. De beoordeling van de balans tussen inspanningen en resultaten wisselt.
Daarnaast verwijten sommige vrouwengroepen vakbonden nauwelijks iets te doen voor vrouwen, en bovendien alleen in actie te komen als het de belangen van de traditioneel mannelijke leden niet schaadt. Hier ligt een punt van scherpe kritiek: de vakbonden verdedigen 'hun' territorium, vaak met de directe belangen van vrouwen als wisselgeld. Anna van der Vleuten toonde aan dat de vakbeweging keer op keer positieverbetering van vrouwen tegenhield, omdat de belangen van mannelijke fulltimers en vooral het prestige van de eigen organisatie zwaarder wogen. Zij verwijt de Europese vakbonden voorrang te geven aan de bescherming van hun onderhandelingsvrijheid, zelfs als die leidt tot loondiscriminatie, kostwinnerstoeslagen, oneerlijke functieclassificaties en discriminerende pensioenregelingen. Zij pleit er voor dat nieuwe belangenbehartigers het strijdperk betreden.26
Deze oproep is problematisch. Uit niets blijkt dat de vrouwenbeweging die rol op zich zou kunnen nemen. Ze is gefragmenteerd en laat geen duidelijke agenda zien die veel vrouwen bindt. Ook de modellen van de vrouwenbeweging lijken verouderd. Haar slagkracht is gebaseerd op mobilisatie van vrouwen en de publieke opinie en daarmee op 'beslissers'. Juist de samenhang tussen straat en lobby, tussen lokaal en internationaal, tussen persoonlijk en politiek, tussen allerlei vormen van druk op verschillende niveaus en het vermogen grote groepen te kunnen mobiliseren, is altijd haar kracht geweest en heeft tot successen geleid. De laatste jaren echter overheerst de constatering dat overal ter wereld, ook in Nederland, de positie van vrouwen verslechtert. Gedane beloftes worden niet nagekomen of blijken in de praktijk waardeloos te zijn. Veel vrouwenorganisaties stellen 'terreinverlies' vast, ook internationaal.27
Binnen de vrouwenbeweging bestaat overeenstemming over de noodzaak van internationaal perspectief, ook om lokale ontwikkelingen in hun totaliteit te begrijpen (zie Beijing). Goede strategieën zijn niet mogelijk zonder de samenhang te zien tussen militarisering, globalisering, transnationale arbeidsverdeling (betaald en onbetaald), ontmanteling van verzorgingsstaten, dichtklappende grenzen en vormen van burgerschap die steeds meer mensen buitensluiten. Arbeidsverhoudingen in Nederland veranderen in rap tempo en de onzekerheid van het bestaan neemt snel toe. De verslechteringen op de arbeidsmarkt - weinig werk, slechte toegang tot werk voor nieuwkomers, flexwerk, precair werk - vallen samen met de herstructurering van de sociale zekerheid en druk op voorzieningen als sociale huisvesting. In haar analyse is de vrouwenbeweging de vakbeweging ver voorbij.

Vrouw als voorzitter

Een vrouw als voorzitter is een niet te onderschatten stap voorwaarts als het gaat om voorbeeldwerking. Het is ook aan de vrouwenbeweging te danken dat de FNV in 2005 eindelijk zo ver gekomen is. Maar de gebeurtenis is een uitloper van de hoogtijdagen en een gevolg van daarna stug doorgaan en hard werken. Het is niet een uitvloeisel van een collectieve, feministische agenda die zich door de hele vakbeweging laat voelen.
Met de acties van oktober 2004 is gebleken dat de vakbeweging honderdduizenden mensen in beweging krijgt. Maar een begin van vernieuwing was dat hoogtepunt niet. De gebleken brede onvrede wordt vooral gekanaliseerd in een prepensioenregeling, waarvan met name oudere, fulltime werkende mannen baat hebben.
De Nederlandse vakbeweging ziet wel degelijk hoe zij zelf 'male, pale and stale' is en dat werkenden in Nederland al lang niet meer de homogene 'arbeidersklasse' is die lang haar achterban vormde. De vraag is of zij zich snel genoeg kan omvormen om aan de veranderende realiteit tegemoet te komen. Snel genoeg om nog relevant te zijn voor nieuwe groepen werkenden. Dat zal niet mogelijk zijn zonder een gedegen 'genderanalyse'. Anders verliest de vakbeweging in ieder geval het zicht op de helft van de werkenden; ook met een vrouw als voorzitter.

Persoonlijke conclusie

Mijn positie is een typische illustratie van een veranderende arbeidsmarkt en een veranderde houding ten opzichte van de vakbeweging.28 Ik was lid van een bond van de FNV vanaf mijn eerste werkdag. Niet vanuit een individuele nutsgedachte, maar juist vanuit een collectieve gedachte waarin een vakbondslidmaatschap ('samen sterk') van huis uit werd meegegeven. De enige keer dat ik direct nut had van mijn lidmaatschap was het moment dat ik een arbeidscontract mocht voorleggen aan een bestuurder en na één week een verbeteradvies kreeg. Erg weinig voor bijna twintig jaar contributie, zeker ook vanuit de door mij niet omhelsde gedachte van het 'zaakwaarnemerschap'.
Ik ben nu een zelfstandige zonder personeel (ZZP'er) en geen vakbondslid meer. Ik twijfelde al langer aan de koers van de FNV. Daarnaast was ik erg teleurgesteld over de met veel bombarie aangekondigde diensten voor ZZP'ers die in de praktijk nauwelijks bleken te bestaan. Wat ik graag zou willen en nodig heb, en wel degelijk als een vakbondstaak zie, leveren de vakbonden (nog) niet. Hier volgen daarover een paar wensen en ideeën.
* Een persoonlijke toegang, misschien via vakbondsmensen, tot sectoren en de arbeidsmarktontwikkelingen aldaar. Zo zou ik mijn toekomstige kansen op de arbeidsmarkt kunnen inschatten, een kijkje nemen in bedrijven en sectoren waar ik nu geen toegang toe heb en 'inside information' verzamelen over verwachte ontwikkelingen.
* Een goed georganiseerde en meer flexibele sociale zekerheid die ook mij als zelfstandige een fatsoenlijk vangnet biedt en niet uitgaat van veertig jaar fulltime loondienst. Die bovendien op basis van solidariteit is georganiseerd en mij geen torenhoge (commerciële) premies laat betalen.
* Nog handiger zou een geïndividualiseerde vorm van sociale zekerheid (en belastingsysteem) zijn die ook betrouwbaar is, wanneer ik in het buitenland werk. Die bovendien globalisering en mobiliteit als een gegeven ziet. Kortom, nog steeds de eis van economische zelfstandigheid.
* Graag zou ik duidelijker zien hoe de vakbeweging zich internationaal sterk maakt. Vooral in het kader van de Europese Unie, bijvoorbeeld haar opstelling ten opzichte van allerlei vormen van liberalisering. Tenslotte wordt op dat niveau vaak een raamwerk vastgesteld, of jurisprudentie ontwikkeld, waar later op nationaal niveau nauwelijks meer aan te tornen valt.
* Met spanning wacht ik op allerlei actieplannen die nu eens serieus werk maken van die waslijst aan onaffe, feministische kwesties als loondiscriminatie.

Vooralsnog zie ik meer in een uitbreiding van mijn persoonlijke en professionele netwerken dan een hernieuwd lidmaatschap van een vakbond. Ik zie te weinig waar ik enthousiast van word, ook al vind ik vaak genoeg inspirerende individuen in de vakbonden. Te vaak ben ik in vakbondsmannengezelschap één van de weinige vrouwen en worden 'vrouwenbelangen' op mij afgeschoven.


1 Onafhankelijk onderzoeker, werkt als consultant voor Non-gouvernementele Organisaties en internationale netwerken. Recente publicaties: Labour market dynamics inside European countries, international economic decision making and the political agenda of the women's movement, in: Frauenakademie München (ed.): Better Business-Creating a Gender-Equal Europe! Proceedings of the Conference held October 29-30, 2004 in Munich, München, pp. 64-70. Les dimensions politiques du mouvement international des femmes, in: C. Verschuur, F. Reysoo, F (red.), Cahiers genre et développement, no 4, 2003. Email: gisela@xs4all.nl,/A> (terug)
2 Mijn hartelijke dank gaat uit naar: Leontine Bijleveld, Annet Tesselaar, Agaath Beuk, Ailko van der Veen en Frank Hoogewoning. Ze waren bereid vragen te beantwoorden en met mij te brainstormen over deze bijdrage. (terug)
3 Hierbij beperk ik me tot de FNV. (terug)
4 Geen van de eisen van het comité Wij Vrouwen Eisen werd binnengehaald met de wet van 1981. Abortus ging niet uit het Wetboek van Strafrecht, de vrouw beslist formeel niet zelf (want zij moet dit via een arts doen) en abortus zit niet in het ziekenfonds, maar wordt betaald uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. (terug)
5 Het Clara Wichman Instituut heeft bijvoorbeeld discriminerende pensioenfondsen via een proefproces gedwongen hun reglementen te veranderen. alleen het fonds voor proefprocessen bestaat nog. (terug)
6 Bijvoorbeeld via het 'kamerbrede' vrouwenoverleg dat tot voor kort in de Tweede Kamer bestond. (terug)
7 H. Hoekstra, Vrije vrouwen? Het millenniumprobleem van het feminisme, in: LOVER, jaargang 26, nummer 4, december 1999. (terug)
8 Destijds waren er veel discussies over terminologieën, over het verschil tussen de vrouwenbeweging en (de afgrenzing van) de feministische beweging; hier gebruik ik de term vrouwenbeweging als een brede omschrijving, feministes zie ik als onderdeel daarvan. (terug)
9 'Gender' is de meest gebruikte term om aan te duiden dat het niet uitsluitend om de positie van vrouwen gaat, maar om de machtsverhoudingen tussen vrouwen en mannen. (terug)
10 'Intersectionaliteit' kan worden omschreven als 'kruispuntdenken'. Sekse en etniciteit, maar ook leeftijd, seksuele voorkeur, religie, nationaliteit en handicap bijvoorbeeld, zijn sociale ordeningsprincipes die iedereen in de samenleving een positie toekennen. Dat kan een structureel voordeel of nadeel zijn. Deze kenmerken bepalen zowel iemands persoonlijke identiteit als plaats in het openbare leven en de betekenissen en verwachtingen die daaraan worden gegeven. Zie: M. Botman, N. Jouwe, G. Wekker (red.), Caleidoscopische visies, de zwarte, migranten- en vluchtelingenvrouwen beweging in Nederland, Amsterdam 2001. (terug)
11 Women in Development Network Europe is een Europees netwerk van ontwikkelingsorganisaties en specialisten op de terreinen van 'gender' en mensenrechten dat internationale beleidsontwikkelingen (economie, mensenrechten) volgt en beïnvloedt vanuit een feministisch perspectief. Website: www.wide-network.org (terug)
12 Oxfam International, Trading away our rights; women working in global supply chains, Oxford 2004. (terug)
13 Uitgegeven door het expertisecentrum voor gender en etniciteit E-quality en Platform Actieplan 2000, november 1999. Website: www.E-quality.nl (terug)
14 Mede-initiatiefnemers uit de vakbeweging: FNV Vrouwensecretariaat, ABVAKABO FNV, FNV Kiem en FNV Vrouwenbond. (terug)
15 Bedoeld is dat de regering niet of onvoldoende nagaat wat de gevolgen van haar beleid voor beide seksen zijn. (terug)
16 Ondanks de Wet Gelijk Loon van 1975 is de loonkloof 3 procent in overheidssectoren en 7 procent in het bedrijfsleven. Cijfers van de Arbeidsinspectie, in: Initiatiefgroep Beijing+10 Nederland Tijd voor actie!, Zijn de verwachtingen van Beijing uitgekomen?, Nederlandse NGO schaduwrapportage Beijing +10, Amsterdam, 2005, p. 30. (terug)
17 Zo wordt geen rekening gehouden met de cumulatieve effecten van armoede op vrouwen en ontwikkelt de overheid geen beleid voor risicogroepen als alleenstaande oudere vrouwen, (oudere) vrouwen uit etnische minderheden en alleenstaande ouders. (terug)
18 W. Portegijs, A. Boelens, L. Olsthoorn, Emancipatiemonitor 2004 (Sociaal en Cultureel Planbureau en Centraal Bureau voor de Statistiek), Den Haag 2004, p. 148. (terug)
19 Idem, p. 64. (terug)
20 L. Bijleveld, e.a., Project Parity between women and men in trade unions, research paper FNV, Amsterdam 2004, p. 5. Ook de cijfers in de tabellen 2, 3 en 4 zijn aan dit paper ontleend, p. 9. Zie noot 22. (terug)
21 Stichting FNV Pers, De zeurende kwestie voorbij ...?; over positieverbetering van vrouwen, jongeren en etnische minderheden bij de FNV, Amsterdam 2001, p. 53. (terug)
22 De gegevens zijn ontleend aan wat in 2004 bekend was bij het FNV Vrouwensecretariaat. Niet alle bonden telden vanaf hetzelfde jaar en waren bij elk onderzoek betrokken. Hierdoor bevatten de tabellen niet alle gegevens en steeds dezelfde bonden. (terug)
23 C. van Eijl, Maandag tolereren we niets meer. Vrouwen, arbeid en vakbeweging 1945-1990, Amsterdam, 1997, p. 283. (terug)
24 C. Dresselhuijs, Nederland wordt een Hubo-land: doe-het-zelf. Langs de feministische meetlat, in: Opzij, december 2003. (terug)
25 C. van Eijl, p. 285. (terug)
26 A. van der Vleuten, Een oorlog doet meer voor de sociaal-economische positie van vrouwen dan een vakbond, LOVER, jaargang 31, nummer 4, 2004. In dit artikel werkt Van der Vleuten één van de stellingen uit van haar proefschrift: Dure vrouwen, Dwarse staten. Een institutioneel-realistische benadering van de totstandkoming en implementatie van Europees beleid, Nijmegen 2001. (terug)
27 J. Kerr, E. Sprenger, A. Symington (eds), The future of women's rights; global visions and strategies, London, New York 2004, p. 3. (terug)
28 Hoewel ik mij bewust ben dat mijn positie in vergelijking met betaald werkende vrouwen in Nederland atypisch genoemd kan worden. (terug)