De vakbeweging is in zaken gegaan
Met de conclusie dat de bond springlevend is, lijken twee bestuurders van ABVAKABO FNV (Ronald Paping en Jenneke van Pijpen, de Volkskrant, 19 november) het sombere beeld van de bankroete vakbeweging dat Leni Beukema en Piet Leenders schetsten (de Volkskrant, 15 november) geneutraliseerd te hebben. Helaas is deze ogenschijnlijke balans van lachen en huilen vals. Waar de eersten hun vreugde ontlenen aan de taaiheid van de CAO, maar geen oog hebben voor de crisis van de vakbeweging, baseren de laatsten hun droefenis op een wel erg vluchtige analyse van die crisis.
Zo stellen Beukema en Leenders dat de financiële crisis van FNV Bondgenoten een symptoom is van een andere, namelijk die van het woordvoerderschap. Een wat vaag begrip, waarmee ze willen aangeven dat op de werkvloer de werknemers en werkneemsters de bonden niet meer zien als de vertolker en behartiger van hun belangen. Het voorbeeld van de nieuwe werknemers die prima in staat zouden zijn voor zichzelf te onderhandelen, zegt echter weinig. Zolang dezen hun belangen bedrijfsconform definiëren, is er inderdaad geen vuiltje aan de lucht. Verzetten zij zich bijvoorbeeld tegen ontslagen, zoals nu in de nieuwe sectoren, dan blijft van die autonome onderhandelingskracht niet veel over. De personeelscollectieven bij de Nederlandse Spoorwegen zouden een andere illustratie zijn. Een boeiende groep, maar de oudste, die van de machinisten in Amsterdam, bestaat al meer dan tien jaar, dus 'spontaan ontstaan' kunnen ze niet genoemd worden. Bovendien worden ze gedragen door vakbondsleden. Ze zijn dus niet, zoals Beukema en Leenders menen, een alternatief buiten de bond maar juist er binnen, een begin van zelforganisatie en oppositie.
Hoe deze kwesties zich verhouden tot het symptoom van de financiële ellende wordt niet duidelijk. Als een soort schakel in de verklaring wordt gewezen op "dalende beurskoersen en mismanagement". Deze pech en domheid zullen best van invloed zijn geweest, maar om de kern te raken van de beleidscrisis, die zich niet beperkt tot FNV Bondgenoten, is verder graven nodig.
Pakweg sinds 1982 is meer dan ooit gedacht en gehandeld volgens de logica van het kapitalisme. De mogelijkheid van de vakbeweging om een 'tegenmacht' te zijn, maakte plaats voor de uitoefening van de 'medemacht'. De vroegere tegenstrever werd van sociale partner een leermeester die in macht niet te evenaren, maar in gedrag wel te kopiëren was. Deelname aan de euforie van beurshausse, flitsgeld en blufmanagement was het gevolg. Met in het kielzog het einde van de beleggingsvoorzichtigheid, die voorheen bestond uit risico's vermijden, geld opeisbaar houden en begroting niet besmetten. Omschreef Oudegeest, NVV-voorzitter 1909-1919, bij een terugblik in 1932 de moderne vakbondstaak als "zaken te doen met de ondernemers of met de wetgeving", de postmoderne vakbeweging is in zaken gegaan.
Op deze manier verklonken met een economisch stelsel dat bijvoorbeeld een derde van de beroepsbevolking, in toenemende mate jongeren en vrouwen, arbeidsstress bezorgt, is de vakbeweging in een bestaanscrisis geraakt. Het gebrek aan erkenning dat Beukema en Leenders centraal stellen, is daar een uitdrukking van. Functionerend als bedrijf werd de bondsorganisatie overeenkomstig ingericht; inclusief intern ondernemerschap, verzelfstandiging, uitbesteding en inleen van diensten en personeel. Extern werd de markt van welzijn en geluk betreden met concurrerende vakbondsproducten. In overeenstemming daarmee werd het authentieke principe van zelforganiserende activiteit van (potentiële) leden ingeruimd voor zelfbedienend consumentisme. Surfend op het gedachtegoed van verandermanagers en consultants kregen de bijeenkomsten het karakter van een party of festival en werd de interne democratie meer en meer georganiseerd volgens het marketingprincipe: telefonische enquêtes, 'open sessies', schriftelijke raadpleging van steekproeven en dergelijke.
Geheel tegen de verwachting bracht deze koers de organisatiegraad niet omhoog en werd geen positie verworven in de nieuwe sectoren. Het is plezierig om van Paping en Van Pijpen te vernemen dat ABVAKABO FNV aanzienlijk beter scoort. Toch is een nuancering nodig. De organisatiegraad in de collectieve sector is al vanaf de Eerste Wereldoorlog hoger dan in de marktsector en jammer genoeg leveren zij geen gegevens over de geprivatiseerde diensten en bedrijven.
Merkwaardig is overigens dat Gijs Herderscheê in de hiervoor geschetste, reëel bestaande, vakorganisatie, door hem getypeerd als 'sociale ANWB', de oplossing voor de toekomst ziet (de Volkskrant, 16 november). Zijn argumentatie is wonderlijk. De werknemer zou geëmancipeerd zijn, want kan individuele keuzes maken en weet zijn rechten verankerd in CAO en wetgeving. Welke keuze heeft de werkneemster in de gesubsidieerde arbeid, welke rechten hebben degenen met gezondheidsschade door toxische stoffen, welke wet leidt tot een gelijke verdeling van macht, werk en inkomen? Over welke gelijkgerechtigheid van allen heeft Hersdercheê het? Een prangende vraag, omdat hij in zijn vergelijking met de ANWB met leedwezen lijkt te constateren dat bij de FNV de leden de dienst uitmaken. Los van het feit dat zelfs formeel de bondsdemocratie zo haar beperkingen kent, is deze ontboezeming een oproep voor een professionele technocratie. En hij staat daarin niet alleen.
Met als thema "hoe FNV Bondgenoten worstelt om niet ten onder te gaan" discussieerde 11 november onder leiding van redacteur Jan Tromp van de Volkskrant een groot aantal prominenten in De Balie in Amsterdam. Vroegere en aanstaande voorzitters van bonden, andere bestuurders, beleidsmedewerkers en ondernemers. De enkele keer dat 'gewone leden' ter sprake kwamen, bleken ze als een probleem gezien te worden, kaderleden werden zelfs "de gijzelaars" van de vakbonden genoemd. In een bijna naïeve openhartigheid gaf een vroegere bondsfunctionaris te kennen dat, vergelijkbaar met het bedrijfsleven, de bonden naar korte beslislijnen dienen over te gaan en de beginselen van de democratie van de twintigste eeuw snel moeten loslaten.
Beukema en Leenders formuleren hun stelling over het herstel van het woordvoerderschap niet in deze termen. Toch lijkt in hun visie voor de ledenbasis van de vakbeweging slechts de taak weggelegd het beleid van de leidende woordvoerders te legitimeren. Het is dan ook niet, zoals zij zeggen, de "traditionele kracht van de vakbeweging" om "de kennis van de werkvloer te organiseren", maar de democratische zelfactiviteit van de mensen zelf. Alleen in deze oorsprong ligt een toekomst voor de vakbeweging.
Hans Boot
Hoofdredacteur van Solidariteit, blad voor een strijdbare vakbeweging.[Geschreven 20 november 2002 voor "Forum" van de Volkskrant, niet geplaatst.]