Aan de directie van NS Reizigers
PERSOONLIJK OVERHANDIGD
30 maart 2001
Onderwerp
Ultimatum
Geachte directie,
Het arbeidsconflict tussen FNV Bondgenoten en de NS heeft een lange historie.
Alvorens wij overgaan tot het stellen van een ultimatum geven wij een korte schets van de voorgeschiedenis.
Voorjaar 1999 heeft FNV Bondgenoten ledenvergaderingen gehouden. Hierbij is gediscussieerd over de voorwaarden die onze leden verbinden aan een verdere discussie over "Bestemming Klant".
Op 7 juni 1999 starten de besprekingen/onderhandelingen bij NS Reizigers over "Bestemming Klant". Een groot reorganisatieplan bij NS Reizigers met onder andere grote gevolgen voor het werk van het (rijdend) personeel.
Het overleg heeft een uniek en eenmalig karakter. Het is een tripartiet overleg, Directie-bonden en OR.
Er wordt gesproken aan de hand van een kadernotitie.
Aan de hand van deze notitie is gekomen tot basis-afspraken (sociale kaders/spelregels) die ertoe leiden dat na de zomerperiode deeladviesaanvragen kunnen worden behandeld.
De eerste overlegronden worden benut om de procedure vast te stellen waarlangs de gesprekken gevoerd zouden gaan worden.
Op 18 juni hebben de eerste inhoudelijke besprekingen plaatsgevonden over onderdelen van "Bestemming Klant".
Partijen erkennen de noodzaak tot veranderen en aanvaarden dat het invullen van de uitgangspunten bepaalde consequenties met zich mee brengt. Dit wil niet zeggen dat wij hiermee alle consequenties aanvaarden zolang daar geen randvoorwaarden aan gekoppeld zijn.
Voor het rijdend personeel hebben wij aangegeven dat het terugbrengen van het aantal treinseries per standplaats onder voorwaarden bespreekbaar is. Bepalend voor het accepteren van verminderde treinseries per standplaats is dat er afspraken worden gemaakt over de variatie per standplaats en individuele variatie. Punctualiteit en productbinding zijn voor NSR sleutelwoorden, maar kunnen wat ons betreft niet leiden tot geen variatie op de dag of geen variatie per standplaats.
In juli 1999 wordt een basisakkoord bereikt. Na gehouden ledenraadplegingen in augustus / september is het akkoord met NS Reizigers begin oktober 1999 overeengekomen.
De 2e fase, meer vakinhoudelijke besprekingen, loopt onverwacht vertraging op. Er vindt in oktober niet de geplande doorstart plaats. Oorzaak is de melding van NSR tot sluiting van een aantal loketten. Hierop wordt via de media gereageerd door diverse belangenorganisaties. Het besluit wordt door NSR gedeeltelijk teruggedraaid. De reactie van NSR stond naar onze mening haaks op de inmiddels gemaakte basisafspraken. Binnen NSR vond eind 1999 een directiewisseling plaats.
Begin 2000 werd het overleg (2e fase) voortgezet. De besprekingen leidden tot een principe-akkoord op 10 februari. Dit akkoord wordt door onze leden verworpen.
Vele leden denken daarmee ook het basis-akkoord (1e fase) te hebben verworpen. De onrust neemt een aanvang.
Als werknemers van de Nederlandse Spoorwegen voelen zij zich niet gehoord door hun werkgever NSR.
Begin juni 2000 neemt het verzet onder het personeel tegen de procesvereenvoudiging toe. Op 2 juni onderbreekt het personeel gedurende enige tijd het werk.
In juni vindt er overleg plaats tussen NSR en de bonden. Door de bonden wordt aangedrongen op extern onderzoek naar nut en noodzaak van de procesvereenvoudiging. Dit wordt door de directie van NSR afgewezen. Eind juni besluit de directie de invoering van de procesvereenvoudiging niet per eind november in te laten gaan, maar deze op te schorten totdat het draagvlak onder het personeel voldoende zou zijn. Tevens wordt besloten het bureau AEF onderzoek te laten doen naar "het verbeteringsperspectief van het rijdend personeel" bij invoering van de procesvereenvoudiging. De essentie van de rapportage van AEF is dat er groot wantrouwen heerst bij het rijdend personeel ten opzichte van de leiding. Oorzaak is onder meer de centralistische aansturing en het ontbreken van contact met de mensen op de werkvloer. Onder deze omstandigheden acht AEF invoering van "Bestemming Klant"niet verstandig.
De onrust onder het personeel blijft. Op 21 december 2000 breekt er een wilde staking uit. Voor januari 2001 worden door de personeelskollektieven nieuwe acties aangekondigd.
FNV Bondgenoten heeft vervolgens het initiatief genomen voor hernieuwd overleg. Dit "vredesoverleg"’ levert op 29 januari 2001 een onderhandelaarsresultaat op waarin de gevolgen van de procesvereenvoudiging voor het personeel verzacht worden. Wij hebben het resultaat aan onze leden voorgelegd.
Bij brief van 5 maart jl. hebben wij u op de hoogte gesteld van het feit dat onze leden het op 29 januari bereikte onderhandelaarsresultaat hebben verworpen.
Tevens hebben wij u onder meer opgeroepen het nieuwe productiemodel op ijs te zetten en met het personeel naar een alternatief te zoeken, waarbij wij met u de randvoorwaarden willen afspreken.
Bij brief van 8 maart jl. hebben wij vastgesteld dat u niet bereid bent op onze voorstellen in onze brief van 5 maart in te gaan. Gezien alle relevante feiten en omstandigheden zagen wij ons genoodzaakt het basisakkoord bestemming klant op te zeggen.
U heeft ons een dag later bericht dat uw prioriteit ligt bij het herstellen van de arbeidsrust. U stelt voor een onafhankelijke commissie in te stellen die gaat oordelen over nut en noodzaak van de procesvereenvoudiging.
De commissie is er op initiatief van minister Netelenbos gekomen met een bredere opdracht dan u voor ogen had. Deze commissie heeft op dinsdag 20 maart een voorlopig bemiddelingsvoorstel gedaan, inhoudende dat de invoering van het nieuwe dienstrooster per 10 juni en de geplande acties door het personeel dienen te worden opgeschort. U heeft opschorting van de invoering van de dienstroosters onmiddellijk afgewezen.
Bij brief van 23 maart hebben wij u geschreven dat wij uw reactie in hoge mate betreuren. Wij hebben geconstateerd dat uw houding een oplossing in het conflict niet dichterbij brengt, integendeel er is sprake van verdere escalatie. Wij van onze kant hebben onze leden opgeroepen niet mee te doen aan de aangekondigde acties van de personeelscollectieven op 21 maart jl.
In onze brief van 23 maart hebben wij u een week de tijd gegeven op uw schreden terug te keren en alsnog op het advies van de commissie Blankert/Stekelenburg en op onze voorstellen in onze brief van 5 maart in te gaan. Wij hebben tevens aangekondigd langs verschillende wegen inspanningen te verrichten u alsnog te overtuigen van ons standpunt. Wij hebben u op de hoogte gesteld van het feit dat wij collectieve acties, waaronder ook werkstakingen zouden gaan voorbereiden en dat u na onze ledenvergaderingen een ultimatum tegemoet kon zien indien u niet op onze voorstellen in zou gaan.
De commissie Blankert/Stekelenburg heeft eerder dan aangekondigd, op maandag 26 maart, hun opdracht teruggeven, omdat u niet de benodigde ruimte bood om tot een oplossing te komen. De commissie schrijft in haar brief van 26 maart 2001:"De aard en wijze waarop de NS-directie inhoudelijk heeft gereageerd op het interim advies heeft, wij kunnen dit niet anders zien, niet bijgedragen aan de deëscalatie van het conflict." De commissie constateert tevens dat er binnen uw bedrijf sprake is van ernstig verstoorde arbeidsverhoudingen waarbij er onduidelijkheid bestaat wie verantwoordelijk is waarvoor.
Zoals u bekend is de arbeidsonrust binnen uw bedrijf zeer groot. De afgelopen weken hebben wij een aantal malen onze leden opgeroepen niet over te gaan tot het voeren van "wilde acties". Onze leden hebben gehoor gegeven aan onze oproep. Tegelijkertijd hebben wij echter ook geconstateerd dat het draagvlak voor het vereenvoudigde productiemiddel nog verder is afgebrokkeld en dat het vertrouwen in u als werkgever voor het bereiken van een oplossing dramatisch is verminderd.
Minister Netelen bos heeft u eveneens dringend verzocht de invoering van de procesvereenvoudiging op te schorten. Ook voor deze oproep toonde u zich niet gevoelig.
De President van de Rechtbank te Utrecht heeft bij vonnis van 27 maart jl. bepaald dat onder de hem geschetste omstandigheden van u niet kon worden gevergd de invoering van de procesvereenvoudiging per 10 juni uit te stellen. De rechter concludeert dat u jegens de CNV niet onredelijk of onrechtmatig handelt.
Naar onze mening is uitstel van de invoering van de procesvereenvoudiging noodzakelijk en mogelijk.
Noodzakelijk omdat er geen draagvlak bij het rijdend personeel is. Daarnaast ontbreekt het de directie van NS Reizigers aan voldoende capaciteit om procesvereenvoudiging inhoud te geven, in bijzonder als het gaat om voldoende inzetbaar personeel. Naast de vele vacatures, de inzet van vertrekassistenten (774 treinen per week) en het zeer hoge ziekteverzuim bij het rijdend personeel, zijn er als gevolg van de procesvereenvoudiging ook nog eens ruim 200 tot 250 fte’s rijdend personeel meer nodig. Deze zullen er op 10 juni niet zijn. Deze situatie leidt tot een nog meer toenemend onbegrip op de werkvloer.
De kwaliteitsslag die de directie met procesvereenvoudiging wil maken, onder meer op basis van Overgangscontract II met de Minister van V&W, wordt dus de komende maanden zeker niet gehaald.
De bijsturing wordt met de procesvereenvoudiging niet eenvoudiger, immers op grote standplaatsen als Utrecht, Amsterdam, Den Haag en Rotterdam wordt het meest van trein gewisseld, waarmee olievlekwerking blijft. Daarnaast neemt de flexibiliteit van het rijdend personeel af, omdat men bij verstoringen dan nog slechts beperkt, op eigen series inzetbaar is.
Het is ons inziens mogelijk om de problemen van het rijdend personeel en de reizigers per 10 juni niet groter te laten worden. Daartoe moet de directie NS Reizigers de wil en de moed hebben om de procesvereenvoudiging waarin begrepen ook de randvoorwaarden inzet personeel, vooralsnog in de ijskast te zetten.
Het is mogelijk om op korte termijn, echter voor omstreeks 12 april, een nieuwe personeelsdienst op te zetten voor de nieuwe zomerdienst per 10 juni.
De gehele planning van de personeelsdienst beslaat ongeveer 6 weken, waarvan twee weken overleg tussen de planning en de standplaatsen. De planning van het rijdend personeel vindt niet in samenhang plaats maar juist vrijwel los van de andere processen.
NS Reizigers is in staat om via de "dagplanorganisatie" in een beperkt aantal weken een geheel nieuwe opzet van personeelsdiensten te maken. Noodplannen kosten vaak niet langer dan twee weken en de personeelsplanning voor grote buitendienststellingen niet langer dan 2 tot 3 weken.
Op woensdag 28 maart hebben wij op uw uitnodiging opnieuw met elkaar gesproken. U heeft in dit gesprek bindende arbitrage voorgesteld over nut en noodzaak van het nieuwe productiemiddel. Daarbij gaf u opnieuw aan niet te willen tornen aan invoering op 10 juni. In de middag werd duidelijk dat wij niet nader tot elkaar konden komen. Wij hebben naast ons bezwaar tegen uw onverzettelijke houding op het punt van de termijn van invoering gesteld dat wij hebben
geconstateerd dat u niet wilde ingaan op onze voorstellen in onze brief van 5 maart. Tevens hebben wij gesteld dat een bindende arbitrale niet deëscalerend gaat werken en dat het de zo verstoorde arbeidsverhoudingen niet zal verbeteren.
U heeft ons nog verweten dat het ons alleen om 10 juni zou gaan. Dit hebben wij tegengesproken. Wij verwachten allereerst van u enige creativiteit bij het zoeken naar een oplossing van de problemen waarbij een oplossing voor het probleem van de beroerde arbeidsverhoudingen bij u de hoogste prioriteit zou moeten hebben. Wij constateren echter dat u geen stappen in deze richting zet. Dit betreuren wij in hoge mate.
Gezien het bovenstaande concluderen wij, dat wij ondanks het feit dat wij tot het uiterste zijn gegaan en daarbij de benodigde zorgvuldigheid in acht hebben genomen, u niet hebben kunnen overtuigen van ons standpunt. U bent niet ingegaan op onze voorstellen in onze brief van 5 maart en u blijft onder alle omstandigheden vasthouden aan invoering van de procesvereenvoudiging per 10 juni.
Wij zien ons daarom genoodzaakt u een ultimatum te stellen met de volgende eisen:
Indien u niet voor woensdag 4 april 2001, 18.00 uur akkoord gaat met onze eisen, zullen wij over gaan tot het voeren van collectieve acties op donderdag 5 april en vrijdag 6 april.
Het zal daarbij gaan om een algehele werkstaking op 5 en 6 april, aanvang reizigersdienst tot vrijdag 6 april 24.00 uur.
Wij behouden ons het recht voor, indien u niet op onze eisen ingaat, in de week na komende week opnieuw collectieve acties te voeren. Deze zullen echter beperkt in tijd zijn en wij zullen daarbij de zorgvuldigheidseisen in acht nemen.
Via de media zult u vernomen hebben dat wij voorafgaande aan de werkstaking publieksvriendelijke acties wilden voeren. Wij wilden het publiek daarmee ontzien. Gezien de aankondiging van collectieve acties door een van de andere bonden, zien wij ons genoodzaakt de voorgenomen publieksvriendelijke acties op dinsdag 2 april en woensdag 3 april niet door te laten gaan.
Wij nemen een ruime aanzeggingstermijn in acht om u in de gelegenheid te stellen de reizigers te informeren. Wij zullen hierbij ook onze verantwoordelijkheid in acht nemen.
Wij zijn bereid met u voorafgaande aan de acties afspraken te maken over de veiligheid.
Hoogachtend,
namens FNV Bondgenoten,
A. van den Berg,
sectorcoördinator personenvervoer
W. Waleson,
secretaris
F. Kagie,
hoofdbestuurder