D3468 maart 2001
Op 13 maart 2001 hebben de heren drs. J.C. Blankert en J. Stekelenburg (Commissie Bemiddeling NS-conflict), verder te noemen de commissie, het verzoek van de minister van Verkeer en Waterstaat, mevrouw Netelenbos, aanvaard om de mogelijkheden te onderzoeken ter oplossing van de ontstane conflictsituatie tussen de directie van de Nederlandse Spoorwegen (NS), de vakbonden en de ondernemingsraad van NS Reizigers (NSR). Deze conflictsituatie is vooral ontstaan als gevolg van de voorstellen over het onderdeel procesvereenvoudiging uit het programma "Bestemming: Klant!" voor de inzet van het rijdend personeel.
De commissie heeft in het kader van een eerste verkenning van het voorliggende vraagstuk in het korte tijdsbestek dat gegeven was, een groot aantal oriënterende besprekingen gevoerd. Met de volgende partijen is gesproken:
De commissie stelt op basis van de eerste verkenning vast dat de direct betrokken partijen bereid zijn medewerking te verlenen aan het door de commissie gestarte onderzoek Daarnaast concludeert de commissie dat de direct betrokken partijen allen de wens hebben uitgesproken om uit de thans ontstane impasse te geraken Anderzijds constateert de commissie dat de partijen hartgrondig van mening verschillen over de voorwaarden waaronder een proces van constructief overleg gerealiseerd kan worden.
De commissie stelt op basis van de gevoerde eerste verkennende besprekingen en de beschikbaar gestelde basisstukken vast dat NS zich de laatste jaren met ingrijpende en complexe wijzigingen in de omgeving geconfronteerd ziet. Kort samengevat, deze wijzigingen hebben enerzijds te maken met de veranderende relatie tussen de overheid en NS en anderzijds met een heroriëntatie van NS op de klant/ reiziger.
Een groot deel van deze ontwikkelingen (waaronder voorgenomen verdere verzelfstandiging, aanbestedingstrajecten (bijvoorbeeld HSL-Zuid) en het Prestatie-contact) is bepalend voor de toekomst van NS. NS zal zich de komende periode als een betrouwbare en stabiele actor moeten kunnen profileren ten opzichte van andere spelers. Bij vorenstaande moet nog aangetekend worden dat NS zich in dit toch al complexe speelveld ook nog eens geconfronteerd ziet met een belangrijke toename van het aantal passagiers, een krappe arbeidsmarkten vraagstukken betreffende (sociale) veiligheid.
Al deze ontwikkelingen dwingen NS om in een relatief hoog tempo majeure veranderingen binnen de organisatie door te voeren. Vele van de voorgenomen procesverbeteringen zijn overigens inmiddels in uitvoering genomen.
De verstoorde arbeidsverhoudingen waarmee NS zich geconfronteerd ziet lijken hun oorsprong te vinden in de uitwerking van een aantal onderdelen van het reorganisatieplan "Bestemming: Klant'. Het gaat hierbij dan in het bijzonder over de volgende discussiepunten
Op basis van het verstrekte materiaal en de gevoerde oriënterende besprekingen stelt de commissie het volgende vast:
In het perspectief van deze bevindingen zijn twee data uiterst cruciaal
De ernst van de bevindingen zoals hiervoor genoemd, gekoppeld aan de tijdsdruk, dwingt de commissie om na deze eerste fase van onderzoek een interim-advies uit te brengen.
De commissie acht het voor het uit te voeren onderzoek en het op te stellen advies noodzakelijk dat door middel van het interim-advies de deadlines en dreigingen die de betrokken partijen hebben neergelegd in ieder geval gedurende de onderzoeksperiode van de commissie van tafel gaat. De commissie doelt hierbij enerzijds op de aangekondigde staking op 2l maart 2001 dan wel andere initiatieven op dit vlak en anderzijds op de voorgenomen ingangsdatum van 10 juni 2001 van de zogeheten procesvereenvoudiging van de inzet van het rijdend personeel die gekoppeld is aan de invoering van de nieuwe dienstregeling. Tevens doelt de commissie op de kennelijk - in gang gezette - juridische procedures.Voor de goede orde wordt opgemerkt dat het dringende advies van de commissie aan de betrokken partijen om de genoemde dreigingen en deadlines van tafel te halen, geen inhoudelijke beoordeling van de commissie betekent met betrekking tot de standpunten dan wel (voorgenomen) besluiten van de verschillende partijen. In de gegeven omstandigheden is het creëren van een overlegklimaat een conditio sine qua non om tot een oplossing van de gerezen problemen te komen.
De commissie realiseert zich dat met deze opschorting veel van partijen wordt gevraagd en in operationele zin met name van de NS-directie. Opschorting van de nabije invoeringsdatum van de voorgenomen procesvereenvoudiging plaatst de NS-directie mogelijk voor grote praktische problemen. De opschorting betreft daarom uitsluitend het omstreden gedeelte van de koppeling van het personeel aan de inzet van materieel. Ook aan de betrokken partijen die het ultimatum van 21 maart 2001 hebben gesteld, geldt dat de commissie ervan uitgaat dat ook in het belang van het publiek en het doorgaan van de dienstverlening, deze dreiging niet zal worden uitgevoerd.
Eerst na opvolging van dit interim-advies ontstaat de mogelijkheid om met de betrokken partijen gesprekken te starten over de vraagstukken en dilemma's zoals deze voorliggen. Op basis van de verkennende besprekingen constateert de commissie dat deze vraagstukken en dilemma's met name betrekking zullen hebben op de relaties tussen de reeds vastgestelde strategische doelen van de NS enerzijds en de in dat verband te realiseren veranderingen binnen NSR en de randvoorwaarden waaronder het veranderingstraject werkelijk gestalte kan krijgen anderzijds.
De commissie heeft mede gebruikmakend van het reeds bestaande materiaal, ten behoeve van de voortzetting van het onderzoek en het uit te brengen eindadvies een aantal algemene uitgangs- en vertrekpunten gedefinieerd, die als volgt samengevat kunnen worden.
Utrecht, 20 maart 2001
| Drs. JC. Blankert | J. Stekelenburg |