nr. 69
sep 1995

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

De urgentie van arbeidstijdverkorting

Een eik valt niet na een duwtje

Wat valt er na al die jaren van diskussie nog te zeggen over arbeidstijdverkorting? Op het eerste gezicht zou je zeggen: weinig. Maar na een lange tijd waarin de meeste ondernemers het verdomden er zelfs maar over te praten, schijnen de fronten sinds kort te schuiven. Wat mag dan wel de reden zijn dat een 36-urige werkweek hier en daar mogelijk is? Helaas, het antwoord is eenvoudig, iedere ondernemer is uit op maximalisatie van de winst en pas zodra die gevaar begint te lopen, wordt er over alternatieven nagedacht. Dus geen plotselinge menslievendheid of erkenning van de redelijkheid van de aangevoerde argumenten.

ABN Amro experimenteert met roosters gebaseerd op een gemiddelde werkweek van 36 uur. Het personeel mag zeggen wat het ervan vindt, maar van herbezetting is geen sprake. Ook de vakbonden zijn uiterst bescheiden over die eis. Best merkwaardig, want in eerste aanleg was dat toch het doel dat met atv werd nagestreefd?

Agenda

Helemaal vergeten, tenminste bij de FNV, is die doelstelling niet. Daar wordt voor 1996 gestreefd naar een gemiddelde 36-urige werkweek van liefst vier dagen. Dit laatste in verband met de grotere mogelijkheden voor herbezetting die daarin wordt vermoed. Of dat allemaal wat zal helpen, moet nog worden afgewacht. Zo heeft De Bank, die vorig jaar een 8 procent hogere winst van 1,2 miljard gulden kon presenteren, al laten weten dat gedwongen ontslagen niet langer vermeden kunnen worden. De drie reorganisatie-projekten die thans lopen, zullen in totaal zo'n duizend arbeidsplaatsen overbodig maken.
Deze verschijnselen blijven niet beperkt tot de bankensektor. Ook in andere bedrijfstakken zien wij deze tendens. Het moge dan verheugend zijn dat de FNV arbeidstijdverkorting weer nadrukkelijk op de agenda plaatst, we moeten wel in het oog houden dat die 36 uur waarover nu gesproken wordt slechts een duwtje tegen een stevige muur betekent. Laten we daarbij ook niet vergeten dat zo'n 30 procent van de beroepsbevolking niet onder een CAO valt en in de meeste gevallen niet zal profiteren van het CAO-streven van de vakbonden. Net zo min als die 30 procent veel zal merken van de plannen die atv te kombineren met een prijskompensatie en een initiële loonsverhoging, hoe lofwaardig dit streven op zichzelf ook is.

Vicieuze cirkel

Bij een terugblik op de statistieken van de afgelopen 35 jaar valt een voor Nederland heel kenmerkend gegeven op. Aan de ene kant een geringe stijging van het totaal aantal arbeidsuren (5 procent) en aan de andere kant een forse toename van het aantal loontrekkenden (twee miljoen). Het uit elkaar lopen van deze twee cijfers heeft deels te maken met de verkorting van de werkweek in de jaren zestig en zeventig, maar ook - en vooral - met de enorme toename van deeltijdwerk in de jaren tachtig en negentig. Of dat allemaal als winst te beschouwen is, mag worden betwijfeld. Het hand over hand toenemende verschijnsel van allerlei arbeidskontrakten met een beperkte tijdsduur (meer dan een kwart van de beroepsbevolking) heeft de rechtspositie van veel loon-afhankelijken ernstig aangetast. Wat dat betreft, zitten we in een vicieuze cirkel: de grote werkloosheid maakt het veel ondernemers gemakkelijk banen aan te bieden met een (zeer) zwakke rechtszekerheid; aan de andere kant bemoeilijkt dit ondernemersgemak dat de massa-werkloosheid rigoreus wordt aangepakt. Het Centraal Planbureau mag dan voor 1996 een banengroei verwachten van 80.000, ook dat aantal is weinig meer dan een duwtje tegen een massieve eik.

Te duur

De konklusie die we uit het voorgaande moeten trekken is: de voorstellen van de leiding van de vakbeweging zijn volstrekt ontoereikend. Wil ze ook maar een begin maken met het oplossen van de onaanvaardbare werkloosheid, dan zal ingezet dienen te worden op een veel radikalere arbeidstijdverkorting. In totaal staan meer dan één miljoen mensen buiten het arbeidsproces. Dat is ongeveer 20 procent van de beroepsbevolking, meer dan het dubbele van het geregistreerde aantal werklozen, want er is ook nog een niet geringe verborgen komponent. Daarbij dient aangetekend te worden dat deze toestand onevenredig zwaar drukt op het 'allochtone' deel van de beroepsbevolking. Dat staat in het algemeen toch al op een achterstand en deze zal bij uitblijvende scholingsinitiatieven en gelijkblijvende voorwaarden alleen maar groter worden.
Daar tegenover staat, in schrille tegenstelling, het feit dat veel maatschappelijk noodzakelijke arbeid niet meer wordt gedaan, of overgelaten wordt aan vrijwilligers. Immers, de banen die vroeger voor die arbeid bestemd waren, zijn inmiddels 'te duur' geworden. Of dat bedrijfsekonomies ook zo is, valt te bezien, al zal dat in een aantal situaties inderdaad het geval zijn. Maar vanuit een standpunt van maatschappelijk rendement is het wegvallen van die funkties rampzalig. Zo werden in de grotere steden de kondukteurs op tram en bus wegbezuinigd. Wat gebeurde had een kind, maar niet onze no-nonsense overheid, kunnen voorzien: er werd op grote schaal 'zwart' gereden, wat weer tot grote verliezen leidde bij de bedrijven van het openbaar vervoer. Huismeesters en konciërges verdwenen op dezelfde manier tot bleek dat zulks een grote toename van de kriminaliteit tot gevolg had. Deze twee voorbeelden zijn moeiteloos aan te vullen. Het patroon is: terwijl 'hogerhand' dacht geld te besparen, nam de verloedering toe.

Tientje netto per uur

En de mensen die 'het geluk' hadden toch nog een gaatje op de arbeidsmarkt te vinden? In veel gevallen wordt van hen een onmogelijke arbeidsprestatie verwacht. Stella Braam fulmineert tegen de toestanden die aangetroffen worden in de onderste regionen van de arbeidsorganisatie (NRC Handelsblad, 15 augustus 1995). Ze hoort 'beter geschoolden' zeggen dat werk ontplooiend moet zijn, dynamies en afwisselend. Dat het verantwoordelijkheid moet inhouden en de mogelijkheden karrière te maken. En dat alles natuurlijk tegen een goed loon. Maar Stella beschouwt het werk vanuit de positie van de lager geschoolden. "Zij vormen een ander slag mensen met dito andere behoeften. Hun werk hoeft bijvoorbeeld niet ontplooiend te zijn, afwisselend, of met verantwoordelijkheid - laat staan goed betaald. Een tientje netto per uur is toch mooi?"
Juist vandaag komt de Partij van de Arbeid met een rapport "De sociale staat van Nederland". Gaat dat over deze a-sociale toestand? Nee, wel overeen 'basisbaan'. Een verplichtende afspraak voor uitkeringsgerechtigden vrijwilligerswerk te doen. Van de mogelijkheid tot volledige werkgelegenheid - en dus arbeidstijdverkorting - wordt afscheid genomen. Een basisbaan is de zoveelste 'kunstbaan'. In plaats van bijvoorbeeld een 'woontoeslag' krijgje een premie voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Ik kan wel begrijpen dat Rottenberg dit een 'mentale omslag' noemt. De paarse leuze van 'werk, werk werk' krijgt op deze manier inderdaad een heel bizarre uitwerking.

Oude kous

Terwijl dit alles zich onder onze ogen voltrekt en de roep om verdere bezuinigingen en terugtreden van de overheid nog steeds luid opklinkt, lees ik opgewekte berichten over de halfjaarcijfers van de grote beursgenoteerde ondernemingen. Die cijfers bevestigen dat het nederlandse bedrijfsleven in een blakende gezondheid verkeert (NRC Handelsblad, 14 augustus 1995). De winstgroei blijkt uitbundig te zijn en de financiële positie van de bedrijven versterkt. Je zou, als eenvoudige toeschouwer, denken dat het de 'paarse' overheid - met laten we niet vergeten een hoog PvdA-gehalte - toch zou moeten lukken een flink deel van die voorspoed naar zich toe te trekken om daarmee het herstel van die talloze, verloren maatschappelijke funkties te financieren. Vergeet het maar. Als de dames en heren op en rond het Binnenhof zich ergens druk over maken, is het om een verdere belastingverlichting voor het bedrijfsleven. Dat zegt vervolgens netjes dankjewel en bergt de opbrengsten naast de winsten in een oude kous in de vorm van rekening-kourant bij de huisbankier. Die ook al geen raad weet met al dat geld, omdat er naar verhouding weinig geïnvesteerd wordt. Wie durft er nu nog te beweren dat arbeidstijdverkorting onbetaalbaar is?

Wil

Dit alles overziend, neemt de urgentie van een radikale arbeidstijdverkorting alleen maar toe. Hoe zeer het me ook spijt, ik zie de vakbeweging - maar misschien onderschat ik de werking van deze krant en andere initiatieven - niet het voortouw nemen. Met en door al deze ontwikkelingen is haar positie er niet sterker op geworden. De deregulering van het arbeidsvoorwaardenbeleid heeft landelijke, effektvolle initiatieven voor dit moment vrijwel onmogelijk gemaakt. Ik geloof niet dat de menselijke wil boven de werkelijkheid uitgaat, maar als de leiding van de vakbeweging eens zou willen...
Onder voorwaarden van herbezetting en volwaardig loon mag toch niet verwacht worden dat de zogenaamde achterban die leiding zal tegenhouden?

Bestaansvoorwaarde

Er is nog een ander probleem in dit verband. Kan de vakbeweging, gegeven de decentralisatie en de daaruit voortkomende diversiteit van arbeidstijden, een politiek initiatief verwachten dat bijvoorbeeld via wetgeving tot een algemene en vergaande arbeidstijdverkorting leidt? Hier wreekt zich de teloorgang van de sociaal-demokratie. Hoe vaak ik in het verleden die sociaal-demokratie ook heb verketterd, ze was een belangrijke politieke vertegenwoordiging van de arbeidersklasse. Die funktie heeft de Partij van de Arbeid in het geheel niet meer. En de partijen in het parlement die ter linkerzijde van 'paars' opereren, blijken met name op het terrein van de arbeidsvoorwaarden zelden of nooit de kop te nemen. Hun programmaas zullen er best wat over zeggen, maar herkenbare aktiviteiten in bijvoorbeeld de sfeer van de arbeidstijdverkorting ondernemen ze niet. En ook dat maakt het er voor de vakbeweging niet gemakkelijker op. Als ik tot slot de werkloosheid, de pulp-banen en de noodzakelijke hoeveelheid nieuwe werkgelegenheid nog eens nuchter bekijk, is mijn konklusie dat arbeidstijdverkorting langzamerhand een bestaansvoorwaarde voor velen geworden is. Misschien betekent dit wel dat we verder moeten gaan dan een week van 32 uur. Bijvoorbeeld om de ongelijke deelname van mannen en vrouwen aan de zorg- en opvoedkundige taken verder terug te dringen. Een reden te meer om deze konklusie voortdurend onder de neuzen te wrijven van beleidsmakers in de vakbeweging en de politiek (een 'mentale omslag'). Zo langgeleden is het toch ook weer niet dat de 48-urige of 40-urige werkweek een wensdroom leek?

Rein van der Horst