nr. 69
sep 1995

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Over winst, werk en loonmatiging

32-Urige werkweek, kwestie van durven

De overheid en werkgevers pleiten al jaren voor een gematigde loonontwikkeling om daarmee - tenminste dat zeggen ze - de ekonomie te stimuleren en de werkgelegenheid te bevorderen. In hun ogen gedraagt de vakbeweging zich sinds 1983 (akkoord van Wassenaar) voorbeeldig. Helaas had het CAO-beleid van loonmatiging en arbeidstijdverkorting weinig resultaat.

IN VERGELIJKING met de ons omringende landen zijn de lonen uiterst minimaal gestegen, terwijl de gemiddelde arbeidstijd bij een voltijdbaan in de periode 1980-1990 met slechts 7 procent is teruggebracht. Het beoogde doel van dit beleid: volledige werkgelegenheid, is geen stap dichterbij gekomen. Heeft het beleid gefaald? Is er voor niets ingeleverd?

Baanloze groei

De arbeidstijdverkorting van begin jaren tachtig heeft nauwelijks nieuwe werkgelegenheid opgeleverd. Het effekt van atv-dagen werd sterk afgezwakt door de verhoging van de werkdruk. Wel is aannemelijk dat de atv heeft bijgedragen aan het behoud van werkgelegenheid. En in de tweede helft van de jaren tachtig, tijdens een kort ekonomies herstel, werden de werkgevers zelfs gedwongen extra personeel aan te nemen op die plaatsen waar alle lucht uit de arbeidsorganisatie was geperst. De werkloosheid nam toen jaarlijks met 100.000 mensen af, tot 300.000 geregistreerde werklozen in 1992, daarna keerde het tij. In korte tijd groeide de officiële werkloosheid weer tot boven het half miljoen. Nu de ekonomie sinds kort weer 'aantrekt', gaat dat nauwelijks gepaard met nieuwe banen. De ekonomiese groei (met groeiende winsten) is vooral een baanloze groei en dat doet het ergste vrezen voor de toekomst van de werkgelegenheid in Nederland.

Omvangrijke herverdeling

In de jaren zestig kende Nederland wel een volledige werkgelegenheid. Er werd zelfs arbeidskracht geïmporteerd. Vaak wordt hiervoor als oorzaak de langdurige, ekonomiese groei aangewezen. Toch is volgens Paul de Beer van het Sociaal Cultureel Planbureau die invloed relatief klein geweest. Hij voert daarvoor de volgende argumenten aan (NRC Handelsblad, 19 augustus 1995):
De ekonomie groeide in de jaren zestig met soms wel meer dan 4 procent. Maar ook de arbeidsproduktiviteit nam enorm toe. Sinds 1960 is de beschikbare arbeid in uren met slechts 5 procent toegenomen. Het werkzame deel van de bevolking is daarentegen procentueel gezien nauwelijks gedaald en schommelt al decennia tussen de 35 en 40 procent. Terwijl het aanbod op de arbeidsmarkt wel is gestegen, simpel door de groei van de bevolking en de terechte deelname van vrouwen. Dat de werkloosheid niet naar ongekende hoogte steeg, is vooral te danken aan de herverdeling van arbeid. De verkorting van de werkweek naar 40 uur (invoering vrije zaterdag) en de latere explosieve groei van deeltijdarbeid in de jaren tachtig en negentig hebben geleid tot een omvangrijke herverdeling van werk.

Hoogkonjunktuur heeft dus alleen invloed op de werkgelegenheid als ze samen gaat met een uiterst beperkte stijging (of beter helemaal geen stijging) van de arbeidsproduktiviteit. Het CAO-beleid van de jaren tachtig kon niet leiden tot een daadwerkelijke herverdeling van arbeid. Want de werkgevers blokkeerden de arbeidstijdverkorting en de bonden konden onvoldoende kracht ontwikkelen om atv af te dwingen, mede omdat hun leden weinig terugzagen van de loonoffers en huiverig waren geworden door de toegenomen werkdruk. De loonmatiging stimuleerde wel de ekonomie, maar leverde vanwege de meegroeiende produktiviteit nauwelijks nieuwe banen op.

Doorbraak

Dit voorjaar kondigden de vakbonden luidkeels de doorbraak in de atv-strijd aan. In een aantal trendsettende CAO's werd een kortere werkweek overeengekomen. Enthousiasme alom, want voorheen was atv volstrekt onbespreekbaar bij de werkgevers. Waarom die ommezwaai?
'Een win-win-situatie kreëren in het onderhandelingsproces', zo heet dat in het vakbondsjargon. De werkgevers willen uitbreiding van de bedrijfstijd, flexibeler arbeidstijden en afschaffing van de toeslagen voor avond- en zaterdagarbeid. Wij willen verkorting van de werkweek en zijn daarvoor bereid binnen bepaalde sociale grenzen in te stemmen met een grotere flexibiliteit als de gemiddelde werkweek maar wordt verkort. Zo profiteren werknemers én werkgevers, ... is de gedachte. Toch heerst er onder de leden een groot cynisme over de bereikte arbeidstijdverkorting, dit in tegenstelling tot de juichstemming bij de vakbondsonderhandelaars. Een verklaarbare patstelling. Enerzijds de ervaring dat 'atv toch geen werkgelegenheid oplevert' en dat er nogal wat ingeleverd wordt voor één of twee uurtjes atv. Anderzijds de bereidheid in zee te gaan met de door de werkgevers als vooruitgang betitelde flexibilisering van de arbeidsweek (zie voor voorbeelden als Akzo Nobel, banken, KBB en KPN elders in deze krant).
Ook in het gunstigste geval zijn de werkgelegenheidseffekten van dergelijke CAO: afspraken sterk afhankelijk van de wijze waarop de atv wordt ingeroosterd. Via vakbondsleden in de ondernemingsraden proberen de bonden een dusdanige invulling te geven aan de flexibilisering dat de verkorting van de gemiddelde werkweek leidt tot behoud of uitbreiding van werkgelegenheid. En dan ook nog zonder dat de werkdruk toeneemt. Nog even los van de vraag of de ondernemingsraden daartoe in staat zijn, de twijfels van de leden lijken gerechtvaardigd. Zeker daar waar (bijvoorbeeld de banken en KPN) de arbeidsuitstotende rationaliseringen gewoon doorgaan.

Loon én werk

Vorig jaar opende hoogleraar Alfred Kleinknecht de diskussie door te stellen dat hogere looneisen, zeker op de langere termijn, de groei van de werkgelegenheid niet in weg staan. Kleinknecht werd beloond met een golf van kritiek. Zonder hier inhoudelijk op zijn stelling in te gaan, lijkt hij toch iets te hebben losgemaakt. Nu de winsten weer stijgen, gaat de FNV weer looneisen stellen. 'Loon én werk' wordt de CAO-inzet voor 1996. De ontwerpnota voor het arbeidsvoorwaardenbeleid 1996:
"De FNV wil op de middellange termijn via het stimuleren van deeltijdarbeid en via arbeidstijdverkorting een gemiddelde werkweek van 32 uur (bij voorkeur een vierdaagse werkweek) als meest voorkomende arbeidspatroon bereiken. De FNV is bereid tot een beheerste loonkostenontwikkeling als de werkgevers bereid zijn tot het maken van werkgelegenheidsafspraken. De onderhandelingsruimte, op basis van de huidige gegevens, ligt tussen de 0 en 3,5 procent afhankelijk van de rendementspositie van de ondernemingen in de bedrijfstak en de te maken konkrete werkgelegenheidsafspraken. De FNV wil in 1996 aan een verdergaande en versnelde herverdeling van arbeid inhoud gegeven. De FNV-bonden zijn bereid afspraken te maken over verbeteren van de interne flexibiliteit van de onderneming mits de externe flexibilisering wordt teruggedrongen."
De FNV formuleert een voorzichtig beleid met op de middellange termijn (wanneer is dat?) een gemiddelde werkweek van 32 uur. Voor 1996 gaat ze in ieder geval niet verder dan een gemiddelde van 36 uur (en inderdaad in ruil voor flexibele arbeidstijden). Of de FNV met dit beleid in staat is de werkgevers over de streep te trekken naar meer atv is de vraag. Spraakmakende ondernemers hebben die vraag al beantwoord en laten zien dat de eerder genoemde ommezwaai al aardig wat scheuren begint te vertonen. Timmer van Philips was na zijn akties in Indonesië nog meer overtuigd van de noodzaak de arbeidstijden in Nederland te verlengen ('in de internationale konkurrentie is bedrijfstijdverlenging niet genoeg'). Goldschmeding van Randstad (een winststijging over het eerste halfjaar van 1995 met 41 procent) omhelst Timmer hartelijk: "Elk uur arbeidstijdverkorting kost honderdduizend arbeidsplaatsen. Arbeidstijdverkorting is voor-de-gek-houderij" (de Volkskrant, 7 september 1995).

Rendementen tellen

De werkgevers zijn vergroeid met het harde kapitalisme. Banken en investeerders eisen domweg een flink rendement op hun geïnvesteerd vermogen. Ook al worden er winsten gemaakt, een onderneming met een te laag rendement kan door de aandeelhouders in de etalage worden gezet. Onder andere door toenemende internationale konkurrentie, gekombineerd met een lage dollarkoers, ontvangen de ondernemers minder hoge prijzen voor hun produkten. Investeerders worden kopschuw en wachten met nieuwe investeringen. Voor 1996 verwacht het Centraal Planbureau een halvering van de (bruto-)investeringen. Bij gelijk blijvende arbeidskosten daalt het rendement. De reële arbeidskosten moeten immers evenredig dalen met de produktprijzen om het rendement te handhaven. Dat kan door interne en externe flexibilisering, afschaffen toeslagen, lagere kontraktlonen. Of door produktieverhoging. Dit laat zich vertalen in bedrijfstijdverlenging. Geperst in het keurslijf van de kapitalistiese logika staan aan werkgeverszijde (lees investeerders) alle seinen op rood.

Banenplannen

De overheid, de derde speler, stimuleert de konkurrentie door de markten te liberaliseren. Wet- en regelgeving worden gedereguleerd, de sociale zekerheid wordt afgebroken om het bedrijfsleven de ruimte te geven de konkurrentie het hoofd te bieden. De sociale gevolgen worden gedecentraliseerd naar het krachtenveld tussen de 'sociale partners'. Het beleid van dit paarse kabinet zal de werkloosheid niet verminderen. Ondanks alle banenplannen - Melkert-banen l en 2, loonsubsidies, banenpools, instroomprojekten enzovoort - is paars nauwelijks in staat voldoende banen te scheppen om de groei van het arbeidsaanbod op te vangen. Het CPB verwacht voor 1996 een daling van de (geregistreerde) werkloze beroepsbevolking met 10.000, van 540.000 naar 530.000. Banenplannen lossen geen werkloosheid op. Zij vormen een druppel op de gloeiende plaat en verdringen eerder arbeid dan dat zij banen scheppen. Bovendien zijn banenplannen weinig struktureel. De financiering is sterk afhankelijk van de politieke kleur van de regering.

Flexi-maatschappij

De overheid houdt kunstmatig de werkloosheid lager dan die in werkelijkheid is. Zij stimuleert de werking van de markt en de gaatjes die de markt laat vallen, vult ze met kunstbanen. Handel in illusies kunnen we dat noemen.
Het werkgeverskamp stilt met sukses de honger naar rendementen van de kapitaalverschaffers. De bonden proberen zowel de kool als de geit te sparen. Ze willen een herverdeling van arbeid, zonder dat de rendementen worden aangetast. Dus mogen de arbeidskosten niette veel stijgen. En arbeidstijdverkorting met herbezetting is arbeidskostenverhogend.
De werkgevers antwoorden met meer flexibilisering, langere bedrijfstijd, minder primaire loonkosten. We weten inmiddels dat atv in stapjes leidt tot een sociaal gereguleerde uitstoot van arbeid. Een neergaande spiraal, die op weg is naar een 24 uurs-ekonomie waarin arbeidskrachttotaal geflexibiliseerd is. De flexi-maatschappij, waarin de vaste betrekking definitief is verdwenen en iedereen als kleine zelfstandige op kontraktbasis werkt.

Lef

Er kan een aanzienlijke bres in de werkloosheid geslagen worden door in een grote stap naar bijvoorbeeld de vierdaagse werkweek van 32 uur te gaan. Vergelijkbaar met de invoering van de vrije zaterdag. Bij de bonden leeft echter de angst dat dit zal leiden tot kapitaalvlucht en faillissementen. De vraag is of die angst terecht is.

  • Ten eerste zal op de langere ter mijn met het huidige beleid ook werkgelegenheid verloren gaan.
  • Ten tweede heeft de invoering van de vrije zaterdag ook niet geleid tot de - door de werkgevers voorspelde - ekonomiese rampen.
  • Ten derde, als we Kleinknecht volgen, worden de bedrijven door dalende rendementen juist gestimuleerd tot produktinnovatie en kreativiteit die nieuwe werkgelegenheid opleveren.
  • Ten vierde worden nu de sociale gevolgen van de springende winsten afgewenteld op de gemeenschap.
  • Ten vijfde zijn vakbondsleden niet tegen een 32-urige werkweek. Het gaat hen alleen om de voorwaarden waaronder.

Door het vertrouwen van de leden te herwinnen dat arbeidstijdverkorting werk oplevert, en met een offensieve strategie kan de vakbeweging als enige speler in het politieke en sociale krachtenveld de neerwaartse spiraal ombuigen.

Aad in 't Veld