nr. 64
dec 1994

welkom
edities
inhoud

Solidariteit

Een algemene atv wordt bijna onmogelijk gemaakt

Je werkt toch om te leven

Waarom is het toch zo moeilijk om aannemelijk te maken dat atv hét bestrijdingsmiddel is tegen de hoge werkloosheid? Je zou toch zeggen dat het in de kern om een simpele zaak gaat. Een kwestie van herverdelen en herbezetten.

WERKGEVERS BUITEN beschouwing gelaten, is het toch merkwaardig dat de vakbeweging en 'de politiek' atv niet omarmen. Integendeel, met hun beleid blokkeren ze meer dan dat ze er werk van maken. Welke zijn die blokkades en welke ontwikkelingen zorgen ervoor dat de invoering van de 32 urenweek vrijwel onmogelijk lijkt?

Stapels atv-dagen

Eerst maar eens het probleem van de opstapeling van atv-dagen. Toen in Nederland voor velen de werkweek ongeveer 38 uur werd, ging dat door een extra verlof van 12 dagen per jaar. Dooreen marginale herbezetting leidde dit tot een aanzienlijke verhoging van de werkdruk. Het gevolg was dat de atv-dagen nauwelijks op te nemen waren; het aantal van 50 tot 60 onopneembare verlofdagen was beslist niet uitzonderlijk.
De volgende stap was dat werkgevers de atv-dagen gingen aanwijzen. Mensen kregen verplicht verlof in stille tijden, met name rond feestdagen. Waar dat om één of andere reden niet lukte, werd de vrije tijd omgezet in geld. Maar zelfs dat gebeurde niet altijd; soms waren mensen hun atv gewoon kwijt, wanneer ze die dagen niet voor een bepaalde periode hadden opgenomen.
Nu in een aantal sektoren is overgegaan naar een 36-urige werkweek, gaat het inmiddels om de besteding van zo'n vijftig verlofdagen per jaar. Door de individuele (en flexibele) vorm van atv, levert dat allerlei praktiese problemen op. Met als resultaat dat atv meer een last dan een lust aan het worden is. Logies dat bij ongewijzigde voorwaarden het enthousiasme voor verdergaande atv bij werkne(e)m(st)ers zaKt. 'Alsjeblieft geen diskussie meer over atv, het loopt vast, geef mij maar geld.'

Promotie van deeltijd

De algemene atv is losgelaten na de uitwerking van het Van Veen-Kok akkoord van november 1982. De atv-dagen kwamen, of er werd een kwartiertje per dag minder gewerkt. Van Veen vertelde overal dat vrije tijd ook een vorm van loon is en onder aanvoering van Kok werd deze gedachte gemeengoed binnen de vakbeweging. Veel vakbondsbestuurders legden dat uit als een afnemende belangstelling voor atv.
Een kollektieve vorm van atv verdween uit het gezichtsveld. Atv werd maatwerk en de werkgevers kregen de vrije hand atv te gebruiken om pieken en stille perioden op te vangen. Zo is atv gedegradeerd tot een middel voor een efficiënte bedrijfsvoering. Meer werkgelegenheid werd als het ware een toevallig bijprodukt. Parallel aan deze ontwikkeling liep de promotie door de vakbeweging van werk in deeltijd als vorm van atv. En wie zich nog sterk probeerde te maken voor een algemene atv, kreeg te horen dat deeltijdwerk algemeen aan het worden was.
Om geen misverstand te laten ontstaan, natuurlijk moet er opgekomen worden voor de rechten van deeltijdwerk(st)ers. Maar de mist om atv is dichter geworden door het nuchtere feit dat deeltijdwerk betaald wordt naar gewerkte uren. En daarmee leek het na het sukses van Van Veen nog meer vanzelfsprekend dat atv een kwestie van zelf betalen werd.

Arbeidstijdenwet

En dan 'de politiek', hoe zit het daarmee?
Elk kabinet van de laatste jaren - rechts, centrum-links of paars - heeft met volle mond een hoge prioriteit gegeven aan de bestrijding van de werkloosheid. De projekten, maatregelen en kaderregelingen buitelden over elkaar. Ook in deze kringen bleek Van Veen een leermeester. Atv kost je geld.
Maar het blijkt altijd nog erger te kunnen. Het sukses van de deeltijdarbeid en de flexibele arbeidstijden maken de weg vrij voor arbeidstijdverlenging! Paars heeft dat gretig van Lubbers en De Vries overgenomen. Met ingang van l januari 1995 komt er een nieuwe arbeidstijdenwet. Deze zal de wettelijke beperking van de lengte van de arbeidsdag/week behoorlijk aantasten.
Anders gezegd, een algemene atv tegelijkertijd moeilijker en noodzakelijker maken. Onze regeerders weten goed te luisteren naar de werkgevers, want hun argument luidt: de nederlandse werknemers, hun arbeidsvoorwaarden en arbeidstijden zijn inflexibel. En daarmee verklaren zij die wet en de internationale konkurrentieslag tot algemeen belang.
Wat inflexibel? De omvang van de deeltijdarbeid is in Nederland bijna drie maal zo hoog als het gemiddelde van 12 procent in de landen van de Europese Unie. Daarnaast kent ons land binnen die Unie de grootste dichtheid van uitzendkrachten. Weten de regeerders niet dat er een algemene toename is van ploegenarbeid? Variërend van twee-ploegendienst tot volkontinu-arbeid in de metaal- en procesindustrie. Zien de regeerders niet dat in veel sektoren het min-max systeem is ingevoerd? Zo fluktueert de beschikbaarheid van het personeel met de 'klantenstroom'. Hoezo inflexibel?

Maatschappelijke behoefte

Een partijgenoot van VNO-voorzitter Rinooy Kan, de minister van Economische Zaken, heeft een nieuwe basis gegeven aan de verdere flexibilisering van de arbeidstijden. De winkels moeten langeropen en daarna de banken, postkantoren enzovoort. Aan die verruiming van de 'winkeltijden' bestaat volgens hem een grote, maatschappelijke behoefte. Zonder de tijdsekonomie heilig te willen verklaren, is er toch reden voor een ernstige kanttekening. Het is een aloude wet dat je behoefte kunt kreëren, met de plannen vooreen nieuwe winkelsuitingswet gebeurt dat. We zijn dus op weg naar een 24-uursekonomie. Dat snijdt zonder meer in de kwaliteit van ons bestaan. De snelheid van werk- en levenstempo zal nog meer toenemen en stress wordt onomkeerbaar. Onregelmatige en lange werktijden worden regel. Er bestaat dan ook een geheel andere, algemene maatschappelijke behoefte. Namelijk het evenwicht tussen werken en rust; tussen arbeid, zorg en vrije tijd. Op maatschappelijke nivo is dat evenwicht al lang verstoord. De verhouding tussen werkenden en werklozen is totaal uit het lood. De werklozen hebben steeds meer tijd nodig om hun bestaan dragelijk te houden. Het leven van de werkenden wordt steeds meer beheerst door de arbeidstijd. De kontraktuele arbeidsduur is weliswaar verkort, maar de werkelijke werktijd is tussen 1975 en 1990 niet verminderd.
Door overwerk, nevenaktiviteiten, huishouden en avondstudie heeft de gemiddelde, werkende man/vrouw het drukker dan ooit. Terwijl de gemiddelde werkloze graag tijd zou willen steken in de betaalde arbeid. Arbeidstijdverkorting kan dit maatschappelijk evenwicht herstellen, niet alleen door herindeling van de arbeid, maar ook van de betaalde en vrije tijd.

De oude leuze van de arbeidersbeweging van 'drie maal acht' was zo gek nog niet: acht uur werken, acht uur rusten en acht uur ontspanning en ontwikkeling. We zijn inmiddels wel wijzer geworden en zien die ontwikkeling ook liggen in verzorgende, pedagogiese en sociale taken. Omgezet naar deze tijd sluit een vierdaagse werkweek met arbeidsdagen van maximaal acht uur uitstekend aan op deze traditie. Of is het zo dat ook deze traditie uit de geschiedenisboeken van de vakbeweging wordt geschreven?

Lex Wobma